‘Buitenbeentjes. Nederlandse kompels in de Luikse kolenmijnen na de Tweede Wereldoorlog’

‘Buitenbeentjes. Nederlandse kompels in de Luikse kolenmijnen na de Tweede Wereldoorlog’© SHCL, Willibrord Rutten

Door een samenloop van omstandigheden - de economische conjunctuur, de devaluatie van de gulden, het wegvallen van institutionele barrières - beleefde de pendel naar de Luikse steenkolenmijnen een ongekende opleving vanaf 1949. Even over de grens in België konden de Nederlanders vorstelijke salarissen verdienen en riante emolumenten tegemoet zien. Met bussen werden zij thuis opgehaald, gratis. De officiële statistieken van de arbeidsbureaus zijn zeer onvolkomen, maar op het hoogtepunt (1953/54) pendelden maximaal 1.500 mijnwerkers uit Nederlands-Limburg naar de Luikse mijnen. 

Het was alsof de taalgrens voor hen niet bestond. Begin jaren vijftig absorbeerde het Luikse bekken zelfs meer frontaliers hollandais dan de Kempense mijnen. Dat neemt niet weg dat grensarbeiders uit Zuid-Limburg het op prijs stelden om met landgenoten aan het kolenfront te staan, getuige het betrekkelijke succes van de werving voor de zogenaamde Nederlandse mijn. 

Nederlands-Limburg profiteert

Niet de taal, wel de nationaliteit maakte verschil. Ook vanuit Belgisch-Limburg werd er naar de Luikse mijnen gependeld, maar die stroom was omvangrijker dan de pendel uit Nederlands-Limburg. Eigenlijk zou men het tegenovergestelde verwachten, aangezien de arbeiders uit Nederlands-Limburg veel meer financieel voordeel hadden bij tewerkstelling in de Luikse mijnen. De lonen in de Luikse mijnen waren voor iedereen even hoog, maar alleen de mijnwerkers uit Nederlands-Limburg profiteerden van de gunstige wisselkoersen. De gezinsvergoedingen waren gelijk in Vlaanderen en Wallonië. Alleen de pendelaars uit Nederlands-Limburg gingen er wat dat betreft op vooruit. Voor hen was de Nederlandse kinderbijslag, die veel lager was, het referentiepunt. Gezien de financiële verlokkingen zou je verwachten dat de pendel uit Nederlands-Limburg die vanuit Belgisch-Limburg fors zou overtreffen, maar dat is niet het geval. Slechts een paar duizend arbeiders hapten toe op een bestand van circa 50 duizend mijnwerkers in het begin van de jaren vijftig, en dan nog moesten er Belgische ronselaars aan te pas komen.

Mentale drempel

‘Buitenbeentjes. Nederlandse kompels in de Luikse kolenmijnen na de Tweede Wereldoorlog’© SHCL, Willibrord RuttenEr was een mentale drempel, maar niet omdat de Limburgse mijnwerkers onverschillig stonden tegenover de Belgische arbeidsmarkt. Afgezien van de afstand die de pendelaars moesten overbruggen - die uit de Vlaamse Haspengouw waren licht in het voordeel qua reistijd -, hadden de grensarbeiders het probleem dat zij zich niet vrij voelden om in België te gaan werken. De Nederlandse mijnwerkers werden geacht zich in te zetten voor de kolenproductie in eigen land. De Nederlandse kolenproducenten voerden een ontmoedigingsbeleid, in samenwerking met de gewestelijke arbeidsbureaus, vakbonden, woningcorporaties, media en kerkgenootschappen. Voor zover het residu van de Limburgse arbeidsmarkt over de grens ging om de kost te verdienen, wilden de Nederlandse mijnwerkgevers de trek naar de Belgische mijnen nog wel gedogen. Vakbekwame arbeiders liet men liever niet gaan. De tegenwerking ging soms zo ver dat grensarbeiders om lastige vragen te vermijden liever een paspoort aanschaften dan dat zij een aanvraag deden voor een goedkope grensarbeiderskaart.

Grensarbeiders lieten zich niet in keurslijf persen

‘Buitenbeentjes. Nederlandse kompels in de Luikse kolenmijnen na de Tweede Wereldoorlog’Belgische penning Privé bezitAl met al vormden de grensarbeiders die in de Luikse kolenmijnen hun brood verdienden een betrekkelijk kleine groep die zich van de rest onderscheidde doordat men niet gevoelig was voor tegenwerking en sociale controle. Voor zover men het kan beoordelen aan de hand van een steekproef van wat oudere mijnwerkers-grensarbeiders, waren het vooral arbeiders die niet in de streek geworteld waren, veelal van boven de Moerdijk, en verder autochtone Limburgers van linkse huize, mensen op wie de dominante rooms-katholieke zuil geen vat kreeg. Deze buitenbeentjes mogen wij niet op een hoop vegen met het residu van de arbeidsmarkt, mensen van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Dat is een te algemene kwalificatie die de frontaliers hollandais geen recht doet. Wij hebben aangetoond dat menige grensarbeider een vaste waarde was voor de Luikse mijnindustrie. Sommige mijnwerkers vonden hun draai in het Luikse juist omdat zij zich niet in het keurslijf lieten persen van het jaag- en drijfsysteem dat de Nederlandse kolenmijnen typeerde.

Oordeel

Evenals over de Duitslandpendel werd over de pendel naar Wallonië niet al te positief geoordeeld. Wij moeten evenwel een onderscheid maken tussen het verschijnsel als zodanig enerzijds en bepaalde categorieën grensarbeiders anderzijds. Het moet gezegd worden dat de Luikse arbeidsmarkt ook een toevluchtsoord was voor mensen uit de grensstreek die problemen hadden met schuldeisers of in de relationele sfeer. Over de grens probeerden zij hetzij een nieuwe start te maken, hetzij zich aan verantwoordelijkheden te onttrekken. Er werd in de grensstreek ook veel gesmokkeld. Grensarbeiders werden in een adem genoemd met smokkelaars. Afgezien van het vaak negatieve oordeel over specifieke categorieën grensarbeiders, was het oordeel over de grenspendel in het algemeen iets genuanceerder. Er werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen arbeiders die door de Nederlandse mijnen waren afgewezen of afgekeurd enerzijds en ervaren en vakbekwame mijnwerkers-grensarbeiders anderzijds. Voor de keuze van de eersten, slachtoffers van de hoge eisen die de Nederlandse mijnindustrie stelde, hadden ook de mijnwerkgevers begrip. De zogenaamde bonafide grensarbeiders echter moesten het als hun vaderlandse plicht beschouwen om de ‘Nederlandse kolenslag' te dienen in plaats van de Belgische.‘Buitenbeentjes. Nederlandse kompels in de Luikse kolenmijnen na de Tweede Wereldoorlog’Café La petite Bacnure Herstal, tegenover de mijn La petite Bacnure © SHCL, Willibrord Rutten‘Buitenbeentjes. Nederlandse kompels in de Luikse kolenmijnen na de Tweede Wereldoorlog’Badlokaal Gosson II, tegenwoordig in gebruik als klein mijnmuseum met aandacht voor flora en fauna op de steenberg

Dr. Willibrord Rutten (1955) is hoofd onderzoek en adjunct-directeur van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg. Hij is -samen met Jan Peet- mede-auteur van het boek Oranje-Nassau mijnen, een pionier in de Nederlandse steenkolenmijnbouw. Willibrord Rutten publiceert regelmatig in www.demijnen.nl

Bovenstaand artikel is de conclusie bewerkt en overgenomen uit: ‘Buitenbeentjes. Nederlandse kompels in de Luikse kolenmijnen na de Tweede Wereldoorlog', Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg/ Jaarboek van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg LVI (2011) 3-53.

 

  • Artikel
  • 30 november 2011
  • door Willibrord Rutten

0 reactie(s)


Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.
Beeld-CAPTCHA
Voer de tekens in die op de afbeelding worden getoond.

Bekijk ook...

Tuinwijk Eisden (B) de Putmannen

Tuinwijk Eisden (B) de Putmannen

  • agenda
  • 22 april 2012
Tuinwijk 100 Eisden gaat door

Tuinwijk 100 Eisden gaat door

  • nieuws
  • 16 april 2012
Erfgoeddag Belgisch Limburg

Erfgoeddag Belgisch Limburg

  • agenda
  • 22 april 2012
Erfgoeddag in Belgisch Limburg

Erfgoeddag in Belgisch Limburg

  • nieuws
  • 22 april 2012
Coalface (B)

Coalface (B)

  • bezienswaardigheid
  • 1 september 2009
Coalminewalking, 2006-2008

Coalminewalking, 2006-2008

  • artikel
  • 5 mei 2006
Coalminewalking, deel 2

Coalminewalking, deel 2

  • artikel
  • 14 maart 2007