Kopstukken

KopstukkenEen van de kopstukken: Mr. Albert Clément Haex, directeur van Oranje-Nassau Mijnen van 1901 tot 1949. Fotocollectie SHCL

In het Jaarboek 2016 van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg beschreef Dr. Willibrord Rutten ontwikkelingen in het topkader van de Nederlandse Steenkolenmijnen 1900-1974. Van dit artikel publiceren wij de conclusies.

Met de opkomst van de twintigste-eeuwse grootbedrijven ontstond er een aparte arbeidsmarkt voor managers, die sterk onder invloed stond van machtsverhoudingen, strategieën van in- en uitsluiting en andere institutionele factoren. De Limburgse casus van de mijnindustrie is daarvan een treffend voorbeeld. De arbeidsmarkt voor managers in deze sector werd zoveel mogelijk afgeschermd: ingenieurs met een buitenlands diploma werden in principe geweerd. De krachtige lobby van de Technische Hoogeschool Delft was daar debet aan. Staatsmijnen mocht in principe alleen ingenieurs aannemen die afgestudeerd waren in Delft. Deze regel, waarvan zelden werd afgeweken, pakte ongunstig uit voor jonge Limburgse (mijn) ingenieurs die in het nabije buitenland hun diploma hadden gehaald. De vruchten van de grensligging van de provincie waren zuur. Zij konden alleen terecht bij de particuliere mijnen. De macht van Delft werd betwist door regionalistisch georienteerde partijen als de katholieke mijnwerkersbond, die met een beroep op het behoud van het Limburgse eigen de hoogste functies in het mijnbedrijf wilde reserveren voor streekgenoten, in ieder geval geloofsgenoten. De lobby van de regionalisten was niet bepaald effectief, maar de benoeming van de katholiek Jozef  Mous tot adjunct-directeur in 1937 kan uitgelegd worden als een succesje. Het was geen strategisch beleid van de onderneming, maar zolang het bedrijfsbelang er niet door werd geschaad, waren Staatsmijnen genegen aan regionale wensen tegemoet te komen.

Diversiteit

Diversiteit van het topkader is tegenwoordig een heel normale eis die men aan grote ondernemingen mag stellen. Staatsmijnen werd al in de jaren 1920 met dit maatschappelijk belang geconfronteerd. Het managen van diversiteit was een proces dat met vallen en opstaan werd geleerd. Staatsmijnen moest wel veranderen toen na de bevrijding een enorme sociale onvrede ontstond die door mijnwerkers op het management werd geprojecteerd, in het bijzonder op de protestantse Hollandse ingenieurs, waardoor het au fond sociale conflict onaangename etnisch-religieuze trekken kreeg. Het tekort aan diversiteit van het topkader was de achilleshiel van Staatsmijnen. De gezamenlijke mijnen probeerden de onrust te kanaliseren door de zittende bedrijfsleiders op te offeren. Er ontstonden ook vacatures doordat bedrijfsleiders met de Duitse nationaliteit na september 1944 het land werden uitgezet. Een nieuwe generatie mijningenieurs mocht aantreden, die soms jarenlang hadden zitten wachten op bevordering naar het niveau van bedrijfsleider. Daar zaten competente Limburgers bij.
Anno 1946 waren in het topkader van de gezamenlijke mijnen niet veel ‘andersdenkenden’ meer aanwezig: op directieniveau vier en op bedrijfsleidersniveau twee. Vooral bij Staatsmijnen is het verschil met de situatie voor de Tweede Wereldoorlog opmerkelijk. In de volgende decennia komt er geen verandering meer in deze verhouding: ongeveer een kwart van het topkader was ‘andersdenkend’.

Bedrijfsleiders uit de regio

De veranderingen die in september 1944 plaatsvonden, mondden uit in een regionalisering van het profiel van het topkader van de Limburgse kolenmijnen, althans de bedrijfsleiders. Het begon met 2 Limburgse bedrijfsleiders op een totaal van 12 (17 procent) omstreeks 1920, via 5 op een totaal van 16 (31 procent) in de jaren 1930 ging het naar 11 op een totaal van 17 (65 procent) in 1950. In 1965 toen de sluiting van de Limburgse mijnen werd aangekondigd, waren er nog maar 3 niet-Limburgse bedrijfsleiders. De rest (79 procent) was van Limburgse afkomst.
Op directieniveau is het effect van de regionalisering minder sterk, maar toch aantoonbaar.
Van lieverlede heeft het topkader van de kolenmijnen een Limburgs stempel gekregen, mede onder maatschappelijk-politieke druk van de katholieke vakbond, maar het heeft ook te maken met de voortschrijdende oriëntatie van Limburgse studenten op het Nederlandse academisch onderwijs, want aan de regel dat een ingenieur van Staatsmijnen een diploma van Delft moest hebben, werd niet getornd.
De topkaders van de Staatsmijnen en de particuliere mijnen gingen qua profiel ook steeds meer op elkaar lijken. De regionalisatie van de arbeidsmarkt voor managers van de kolenmijnen was sinds 1945 een feit, een toestand die op de markt voor het arbeiderspersoneel ruim tien jaar eerder zijn beslag had gekregen.

Dit artikel is een weergave van de conclusie van het artikel van Willibrord Rutten, Kopstukken. Het topkader van de Nederlandse steenkolenmijnen 1900 - 1974. In Jaarboek 2016 van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg, p.60 - 102. Uitgave WBooks, Zwolle 2016.

De redactie is WBooks en Willibrord Rutten zeer erkentelijk voor de medewerking bij het samenstellen van dit artikel op DeMijnen.nl.

Het Jaarboek 2016 van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg is te bestellen bij het SHCL info-shcl@maastrichtuniversity.nl

Ad Knotter, Willibrord Rutten (red), Jaarboek 2016 van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg. Zwolle 2016.  ISBN 9789462581647  Prijs €19,95

  • Artikel
  • 1 april 2017
  • door Willibrord Rutten

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

"Aan de edele Hoof-direksie"

"Aan de edele Hoof-direksie"

  • artikel
  • 22 mei 2012