Mijn: eigen volk eerst

Mijn: eigen volk eerst

Onderstaand artikel 'Mijn: Eigen volk eerst' van Caspar Cillekens behandelt het proefschift 'Mijnbouw en arbeidsmarkt in Limburg' van Serge Langeweg en verscheen op 17 december 2011 in Het Limburgs Dagblad. DeMijnen.nl publiceert het artikel met toestemming en vriendelijke medewerking van Media Groep Limburg.

Het personeelsverloop in de Limburgse mijnen was groot in de eerste jaren

De opbouw van een vaste kern Limburgse kompels duurde even. Het blad Steenkool presenteerde in september 1946 de gebroeders Verheyen. Alle vijf werkten ze op de Maurits in Geleen. Ze waren omstreeks 1920 vanuit Roggel in de mijnstreek terechtgekomen, waar ze gingen werken in de jongste van de vier Staatsmijnen, die rond 1925 de productie opstartte.

De familie Verheyen was volgens Steenkool, een tijdschrift van de Limburgse mijnen, een schoolvoorbeeld van een echte mijnwerkersfamilie. Een familie waar de mijnarbeid van vader op zoon werd doorgegeven.

Het was het beeld dat de voorlichters van de mijnen graag wilden uitdragen naar de bevolking: Limburg kende een traditie van mijnwerkersgeslachten.

Mijn: eigen volk eerstFoto: collectie continium

Uitgevonden traditie

Het is een mooi voorbeeld van wat antropologen een uitgevonden traditie noemen. Want de werkelijkheid was dat zowel de Staatsmijnen als de particuliere mijnen heel veel moeite hadden om een vaste kern van Limburgse mijnwerkers op te bouwen. Want telkens bleek maar weer dat mijnarbeid voor het gros van de Limburgers een tweede keuze was. Als er niets beters was, dan pas ging je de koel in.
Het heeft volgens Serge Langeweg (1958), die afgelopen donderdag (16 december 2011 red.) aan de Universiteit Maastricht promoveerde op het proefschrift Mijnbouw en arbeidsmarkt. Herkomst, werving, mobiliteit en binding van mijnwerkers tussen 1900 en 1965, tot medio jaren dertig geduurd voordat er sprake was van een min of meer blijvende kern van Limburgse mijnwerkers. In de crisisjaren verdwenen zo'n negenduizend banen in de Limburgse mijnen. Buitenlanders werden massaal ontslagen, het percentage Limburgers nam toe. Het verloop onder de mijnwerkers - een van de grote problemen waarmee de mijndirecties kampten - was in de jaren dertig een stuk kleiner dan in de decennia ervoor.

Langeweg, medewerker van Continium Discovery Center in Kerkrade, groeide op in Maastricht. Hij herinnert zich nog hoe de bussen in de jaren zestig de kompels uit Maastricht naar de mijn Maurits brachten. Nu was Maastricht niet bepaald een 'mijnwerkersstad'. Arbeiders uit Maastricht en het westelijk Heuvelland waren niet op de mijn aangewezen. Ze konden makkelijk aan de slag in de Maastrichtse industrieën.

Liever brikkenbakker dan kompel

Toen rond 1900 de mijnbouw in Limburg een grote vlucht nam, greep de Staat in. Met de uitbouw van de Staatsmijnen wilde de overheid een al te grote buitenlandse invloed in het Limburgse kolenbekken tegengaan. En Limburg moest geen tweede Ruhrgebied worden met zijn enorme invasie van buitenlanders. De mijnen streefden ernaar zoveel mogelijk een vaste kern van Limburgse kompels op te bouwen.

Mijn: eigen volk eerstFoto: collectie continiumMaar dat lukte aanvankelijk van geen kant. In de jaren van opbouw, pakweg de periode 1919-1930, was nog geen kwart van de mijnwerkers afkomstig uit Limburg. In de jaren dertig, toen de buitenlanders massaal aan de kant gezet werden, was driekwart van de kompels Limburger.

Mijnarbeid was met uitzondering voor de inwoners van Kerkrade (tot 1920 hét mijnstadje van Limburg) het laatste redmiddel. Limburgers gingen eind negentiende eeuw liever als brikkenbakker of als knecht op een boerderij in het Rijnland of het Ruhrgebied werken, dan dat ze de mijn ingingen. Limburgers die dat wel deden, hielden tot in de jaren twintig van de vorige eeuw vaak nog een stuk bouwland in pacht. Zij hoopten nog altijd een keer als boer aan de slag te kunnen gaan.

Nee, de mijnen moesten het in de eerste jaren toch vooral hebben van buitenlanders. Onder hen zaten ervaren kompels, die hun kennis over de afbouw ondergronds konden overdragen aan de autochtone mijnwerkers. De buitenlanders waren bitter nodig, omdat de Nederlandse arbeidsmarkt eenvoudig te krap was om aan de toenemende vraag om arbeidskrachten vanuit de mijnen te voldoen. De personeelspolitiek van de Staatsmijnen, die zichzelf graag zagen als hét modelbedrijf, om na mijnstrekers en overige Limburgers vooral andere landgenoten te interesseren voor werk in de mijn, was niet echt een succes. Dat veranderde tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de mijn als gevolg van stillegging van fabrieken opeens een redelijk alternatief was. Maar op dit soort kompels (vaak ongeschoold) zaten de directies niet te springen. Evenmin op arbeiders uit de veenstreken, die in de jaren twintig van uitkeringsinstanties naar Limburg moesten gaan.
De mijnen wilden het personeelsbeleid zelf in de hand houden. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog weerden de directies met succes pogingen van de Duitse bezetter om Russische krijgsgevangenen in de mijn te werk te stellen. Met onervaren krachten had je alleen maar extra werk. Het lukte de mijnen in die eerste jaren ook amper Limburgse kompels, die in het Wurmrevier rond Aken werkten, te lokken. Die groep wilde niet zomaar zijn pensioenrechten opgeven.

Goede huisvesting als bindmiddel

Pas in de jaren twintig keerde het tij langzaam. Met behulp van Ons Limburg, de grote woningbouwvereniging van de katholieke arbeidersbeweging, kwam er goede huisvesting voor mijnwerkersgezinnen. Het was een lok- en bindmiddel om mijnarbeid aantrekkelijker te maken. Er kwam een CAO voor het mijnbedrijf, waardoor loonverschillen tussen de mijnzetels en het verloop minder werden. Want als er een rode draad is in de geschiedenis van de Limburse mijnen, is het het grote verloop.
Ook de particuliere mijnen hadden het liefst autochtonen, maar waren door de concurrentie van de Staatsmijnen op de arbeidsmarkt meer dan het staatsbedrijf op buitenlanders aangwezen.

Rond 1935 was 55 procent van de kompels van Limburgse komaf. Dat gekoppeld aan het geboortesaldo in Limburg leidde ertoe dat op iedere uittreder in de mijnindustrie drie à vier Limburgse jongeren klaar stonden om diens plek in te nemen. De leesschoolopleidingen, voortgezet als Ondergrondse Vakschool (OVS), vormden de basis voor de uitbouw van de vaste kern van Limburgse mijnwerkers. Toen in de jaren vijftig de mijnen het gingen afleggen tegen de goedkopere buitenlandse kolen, deserteerden de 'zonen'. Buitenlanders (Joegoslaven, Spanjaarden en als laatsten Marokkanen), vulden de gaten. Zij zorgden ervoor dat menige Limburgse kompel na de aankondiging van de mijnsluitingen eind 1965 toch nog zijn pensioen haalde.

 

Caspar Cillekens (Roermond 1953) werkt als cultuurredacteur bij Dagblad De Limburger en het Limburgs Dagblad. Cillekens studeerde sociaal-economische geschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij publiceerde verschillende artikelen en boeken over de (sociale) geschiedenis van Maastricht. Hij werkt sinds 1986 bij de krant, aanvankelijk als redacteur binnen- en buitenland, naderhand als stadsredacteur Maastricht. Sedert 2007 is hij werkzaam als cultuurredacteur.

  • Artikel
  • 17 december 2011
  • door Caspar Cillikens

0 reactie(s)


Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.
Beeld-CAPTCHA
Voer de tekens in die op de afbeelding worden getoond.

Bekijk ook...

Object van de maand

Object van de maand

"Aan de edele Hoof-direksie"

"Aan de edele Hoof-direksie"

  • artikel
  • 8 mei 2012
Mijnwerkerspakken

Mijnwerkerspakken

  • nieuws
  • 7 mei 2012
Onafwendbaar einde

Onafwendbaar einde

  • nieuws
  • 7 mei 2012