Steenkool in soorten en maten

Steenkool in soorten en matenStolpen met nootjeskolen. Foto Continium

Steenkool was er in verschillende soorten en maten. De kolen die in de pijlers diep onder de grond waren losgebroken, kwamen in het bovengrondse mijnbedrijf aan in brokken variërend van vele kilo’s zwaar tot enkele millimeters groot. In de steenkolenwasserij werden al die stukken en stukjes op grootte verdeeld en gezuiverd. Elk formaat had zijn toepassing op de kolenmarkt. Monsters van de soorten en maten steenkool bleven bewaard. Keurig opgeborgen onder glazen stolpen op een bakelieten voetstuk, bevinden die zich in de collectie van het Continium. De serie van 12 stolpen met inhoud is het object van de maand december 2013.

Zeven en lezen
Met veel geraas kwam de steenkool bovengronds op de losvloer aan. In kolenwagentjes, maar sedert de jaren 1950 op de grotere mijnen ook in skips. Skips waren grote stalen bakken die ondergronds met kolen werden gevuld en pijlsnel door de schacht naar boven werden gevoerd. Tonnen kolen tegelijk. Grof en fijn dooreen en bovendien vermengd met steen. Een eerste schifting werd aangebracht door de kolen op een schudzeef te storten. Die scheiding leverde vier formaten op: stukkolen (groter dan 110 millimeter), nootjeskolen (110 tot 5 millimeter), fijnkolen (5 tot 0,5 millimeter) en kolenslik (kleiner dan 0,5 millimeter). Steenkool in soorten en matenStolp met fijnkolen (Collectie Continium Kerkrade 054229)Steenkool in soorten en matenStolp met parelnoten (Collectie Continium Kerkrade 054234)
De stukkool belandde op de leesband, een ijzeren transportband. Aan weerszijden van de band stonden leesjongens. Het was de taak van deze aankomende mijnwerkers om stenen, hout, ijzer en ander afval uit de stroom steenkolen te verwijderen. De gezuiverde stukkool werd direct verladen in treinwagons.
Na de Tweede Wereldoorlog werd een deel van de stukkool in een breekinrichting verkleind tot nootjeskolen. Dat was een beter verkoopbaar product. De tot nootjes gebroken kolen kwamen, samen met de nootjes, fijnkolen en kolenslik die al direct na aankomst bovengronds waren uitgezeefd, in een bunker terecht. Van daaruit werden ze, opnieuw via een stelsel van zeven, naar de wasserij getransporteerd waar de kolen mechanisch werden gezuiverd. Machines deden daar wat de leesjongens met de hand deden.Steenkool in soorten en matenLeesjongens aan de lopende band bij de Julia in Eygelshoven, 1930 (Fotocollectie Continium Kerkrade F 2742)

Nootjes 0 t/m V
De zeefinstallaties verdeelden de nootjes in verschillende formaten. In aflopende grootte waren dat:
Nootjes 0 (80 tot 110 millimeter)
Nootjes I (50 tot 80 millimeter)
Nootjes II (30 tot 50 millimeter)
Nootjes III (20 tot 30 millimeter)
Parelnoten (15 tot 20 millimeter)
Nootjes IV (8 tot 15 millimeter)
Nootjes V (5 tot 8 millimeter)
De nootjes 0, I en II werden voornamelijk gebruikt bij bakkerijen en in cv-ketels. De nootjes in de formaten III, IV en parel dienden vooral voor het stoken van de kachels en haarden bij de mensen thuis: de zogenaamde huisbrand. Nootjes V werden hoofdzakelijk afgenomen door elektrische centrales.Steenkool in soorten en matenStolpen met nootjeskolen. Foto Continium

Briketten
Ook de fijnkool diende als brandstof voor elektrische centrales. Door de fijnkool te mengen met pek, konden bovendien briketten worden geperst. Dat gebeurde in briketfabrieken. Briketten waren er in verschillende gewichten, tot meer dan tien kilo. De grotere briketten (blokbriketten) werden verkocht als brandstof voor bakkerijen, industriële installaties, schepen en locomotieven. Eierbriketten (of eierkolen) hadden een gewicht van 55 gram. Een nog kleinere variëteit waren de krieleierbriketten, die 35 gram wogen. Eier- en krieleierbriketten werden gebruikt voor huisbrand. In de briketten werden de initialen van het mijnbedrijf geperst. Bijvoorbeeld de letters ON voor de Oranje-Nassau Mijnen, WS voor de Willem-Sophia en LV voor Laura & Vereniging.Steenkool in soorten en matenBlokbriket van 10 kilo van de Oranje-Nassau Mijnen (Collectie Continium Kerkrade 059002)
In 1961 kwam Staatsmijnen met een nieuw product: syntraciet. Dat was een reuk- en rookloze briket met de afmetingen van nootjes III, bedoeld voor huishoudelijk gebruik. Tenslotte was er nog de kolenslik. Die werd vooral gebruikt als huisbrand en voor het stoken van verwarmings- en stoomketels.

Steenkool in soorten en matenStolp met krieleierbriketten (Collectie Continium Kerkrade 054231)Steenkool in soorten en matenStolp met syntraciet (Collectie Continium Kerkrade 054230)Vette en magere kolen
Behalve in formaat en gewicht kon de steenkool worden onderverdeeld naar het verschil in gasgehalte. In oplopend gasgehalte waren dat antraciet en magere kolen (minder dan 14 procent gas), ess-(halfvet) en rookzwakke (3/4 vet) kolen en vetkool (19 tot 28 procent gas).  Antraciet en magere kolen waren gasarm en in het bijzonder geschikt voor huisbrand. Ess- en rookzwakke kolen bevatten een hoger percentage gas. Daardoor waren ze minder geschikt voor huisbrand. Ze vonden meer toepassing in de industrie en in elektrische centrales. Vetkool was ongeschikt voor huisbrand, maar werd gestookt in de industrie en gebruikt als brandstof voor schepen en locomotieven. Vetkool was ook geschikt voor het maken van cokes. Cokes is een harde en nagenoeg rookvrije brandstof met een laag gehalte aan de bestanddelen zwavel en fosfor. Cokes wordt voornamelijk gebruikt in hoogovens bij de productie van ijzer en staal.
Bij de bereiding van de cokes kwam het gas uit de vetkool vrij. Dat werd gebruikt voor verwarming in industriële installaties en in huishoudens. Ook was het gas grondstof bij de bereiding van stikstofmeststoffen en andere chemische producten. Dankzij het gas uit de vetkool ontstond de chemische tak van Staatsmijnen (DSM).
Het gasgehalte van de geproduceerde kolen was geen keuze van de mijnbedrijven zelf, maar afhankelijk van de geologische omstandigheden. In Nederlands-Limburg werden de kolenlagen naar het noordwesten toe steeds gasrijker. Daarom produceerden de Staatsmijnen Emma, Hendrik en Maurits die in dat gedeelte van de mijnstreek waren gevestigd, voornamelijk vetkolen. De overige mijnen waren in de eerste plaats producenten van steenkool voor huisbrand.Steenkool in soorten en matenGeëmailleerd reclamebord voor eierbriketten van Laura & Vereniging, omstreeks 1940 (Collectie Continium Kerkrade 054313)

Stolpen met soorten steenkool
Collectie Continium Discovery Center Kerkrade 054228-054239
(afmetingen: 24 x 14 cm)

Bronnen:
Roland Bisscheroux, ‘De techniek bovengronds’ Weet je nog, koempel? De mijnen in Limburg 10 (Zwolle 2004) 225-248.
Serge Langeweg, ‘Het arbeidsproces en de organisatie van het werk’ In: Ad Knotter (red.), Mijnwerkers in Limburg. Een sociale geschiedenis (Nijmegen 2012) 142-176.
Laura-scope. Bedrijfstijdschrift van de Laura-groep (december 1974) 35.
Staatsmijnen in Limburg: Gedenkboek bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan (Heerlen 1952).

Serge Langeweg
Continium Discovery Center Kerkrade
november 2013

  • Artikel
  • 1 december 2013
  • door Serge Langeweg

1 reactie(s)


Reacties

Niet zichtbaar maar onder

Niet zichtbaar maar onder zo'n stolp wordt ook nog de geur van kolen bewaard.

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Vaandelwijding in Schinnen

Vaandelwijding in Schinnen

  • artikel
  • 1 maart 2017