Zingen, vloeken en vrouwen verboden

Zingen, vloeken en vrouwen verbodenNaambord. Collectie Discovery Center Continium Kerkrade 065108

Op initiatief van Henri Poels, aalmoezenier van sociale werken in de mijnstreek, werd op 20 mei 1915 in Heerlen de vereniging ‘Het Goed Kosthuis” opgericht. Het initiatief had een tweeledige doelstelling: bemiddeling en informatieverschaffing bij het zoeken naar logeeradressen en het beheer van zogenaamde gezellenhuizen. Die boden huisvesting aan jonge, ongehuwde mannen, die in de mijnbedrijven werkten. De gezellenhuizen zijn het thema van het object van de maand juni, naar aanleiding van een geëmailleerd naambord dat in de collectie van het Continium bewaard bleef.



Het altijd warme bed

De opkomende mijnindustrie werkte als een magneet op arbeidsmigranten. Van heinde en verre kwamen ze naar de mijnstreek. Vooral jonge mannen kwamen op de nieuwe werkgelegenheid af. Voor al die nieuwkomers was er in de streek rond Heerlen en Kerkrade onvoldoende woonruimte. Anno 1915 had de oostelijke mijnstreek ongeveer 80.000 inwoners. Ten opzichte van 1900 was dat al meer dan een verdubbeling. Woonwagens, schuren, stallen, vochtige kelders en benauwde vlieringen, overal waren wel mensen ondergebracht. Veel woningen en logementshuizen zaten overvol met kostgangers. De toestand was soms zo nijpend dat niet elke kostganger over een eigen bed beschikte. Soms werd een bed per dienst verhuurd. De mijnwerker met nachtdienst sliep er overdag in, terwijl een ander overdag werkte en ’s nachts in hetzelfde bed lag. Poels typeerde deze schrijnende toestand als ‘het altijd warme bed’. De journalist Theodoor Vianen luidde in een spraakmakende artikelenreeks in De Nieuwe Limburgse Koerier van 1908 al de noodklok. ‘Het is voorgekomen’, schreef Vianen, ‘dat in één huis van 4 vertrekken het volgende aantal menschen woonden: man, vrouw, 2 kinderen en 7 kostgangers. Een ander gezin bestond uit: man, vrouw, 2 jongens, 2 meisjes, geheel of ongeveer volwassen en 4 kostgangers. Voor al deze personen was er … 1 bed; die niet in ’t bed sliepen lagen op stroozakken op den vloer door elkander. […] Hoe het bij zulke toestanden met de zedelijkheid geschapen staat, laat zich denken.’
Met het aanbieden van woonruimte aan ongehuwde nieuwkomers in gezellenhuizen en vertrouwde pensions beoogde Het Goed Kosthuis de woningnood te verminderen en de  huisvesting van alleenstaanden te verbeteren. Er zat ook een morele kant aan. Het gebruik bij veel gezinnen om ongehuwde mijnwerkers als kostganger in huis te nemen wilde men beteugelen. Overbevolking in de gezinswoningen achtten de oprichters van Het Goed Kosthuis ongewenst, zeker wanneer er in het gezin jonge dochters waren.

Als in een klooster

Op 2 mei 1915 reisde bisschop Laurentius Schrijnen van Roermond naar Heerlen. Aan de Parallelweg opende hij het eerste gezellenhuis in de mijnstreek, een creatie van architect Jan Stuyt. De naam ‘Ons Thuis’ die het gebouw kreeg, moest geborgenheid voor de bewoners suggereren. Het gezellenhuis was eigendom van de RK Limburgse Werkliedenbond. In die organisatie had Poels als geestelijk adviseur de touwtjes in handen. Toen Poels enkele weken later de Vereniging Het Goed Kosthuis oprichtte, was het pas geopende ‘Ons Thuis’ dan ook het eerste gezellenhuis dat het Goed Kosthuis ging exploiteren. De tachtig plaatsen die ‘Ons Thuis’ ter beschikking had, waren niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat. Daarom verrezen na de Eerste Wereldoorlog nieuwe gezellenhuizen in Heerlen, Kerkrade, Eygelshoven, Hoensbroek, Nuth, Brunssum, Merkelbeek en Geleen. Het beheer van de gebouwen werd in handen gelegd van Het Goed Kosthuis.Zingen, vloeken en vrouwen verbodenNaambord Het goed Kosthuis. Collectie Discovery Center Continium Kerkrade 065108
De gezellenhuizen ademden de sfeer van een klooster. De gemeenschappelijke eetzaal deed denken aan een kloosterrefter en de slaapplaatsen leken op slaapcellen van kloosterlingen. Ook het regime binnen de gezellenhuizen was afgekeken van het kloosterleven. Een inwonende rector was verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding en zag toe op de strikte naleving van het huisreglement. Dat loog er niet om. Kaartspelen voor geld was verboden en er werd streng gecontroleerd op de aanwezigheid van sterke drank op de kamers. Vloeken en andere ongepaste taal konden niet door de beugel. Zelfs was het verboden in huis te fluiten, zingen of musiceren. Vrouwenbezoek was niet toegestaan. Alleen poetsvrouwen mochten de gebouwen betreden, maar zij deden hun werk in constante aanwezigheid van een religieuze toezichthoudster. Zekerheid ging voor alles.Zingen, vloeken en vrouwen verbodenGezellenhuis ‘Ons Thuis’ aan de Laurastraat in Eygelshoven, omstreeks 1920. (Fotocollectie Continium F0311).
De bewoners moesten elke avond voor elf uur binnen zijn. Dat betekende dat mijnwerkers na afloop van de middagdienst om tien uur zich meteen naar huis moesten spoeden. Slechts in uitzonderlijke gevallen verleende de rector avondpermissie. Wie herhaaldelijk de regels overtrad, kon het huis worden uitgezet.
Aan de gezellenhuizen was een gaarkeuken verbonden. Daar werden de maaltijden bereid die in de eetzaal werden opgediend.

Gastarbeiders

Tijdens de economische crisis van de jaren 1930 ontsloegen de mijnen veel ongehuwde mijnwerkers die van buiten Limburg afkomstig waren. Dat leidde tot leegstand in de gezellenhuizen, waarvan er een aantal werd gesloten. Groepen gastarbeiders uit het buitenland en Nederlandse migranten van buiten Limburg die na de Tweede Wereldoorlog naar de mijnen kwamen, werden opnieuw in door Het Goed Kosthuis geëxploiteerde gezellenhuizen ondergebracht. Zingen, vloeken en vrouwen verbodenHulphouwers P. Zsutowski, M. Brak en J. Chalmski in het gezellenhuis De Egge in Brunssum, 1951. (DSM/Demijnen)Zingen, vloeken en vrouwen verbodenDe tv-zaal in het gezellenhuis De Egge in Brunssum, 1954. (DSM/Demijnen)De stroom nieuwkomers werd in de jaren 1950 en 1960 zo groot dat er nieuwe gezellenhuizen moesten worden ingericht in onder meer Simpelveld, Kerkrade, Hoensbroek, Eijsden, Valkenburg, Brunssum, Echt en Sittard. De bezetting van de huizen weerspiegelde de internationale samenstelling van de mijnwerkersbevolking. Er woonden Nederlanders, Polen, Italianen, Hongaren, Joegoslaven, Spanjaarden, Grieken en Marokkanen. Door bedrijfsbussen werden de mijnwerkers bij de gezellenhuizen opgehaald en na de dienst teruggebracht. Het regime werd na de Tweede Wereldoorlog minder strak. Ook nam het voorzieningenniveau in de huizen toe. Er kwamen recreatiezalen met radio en televisie. Filmvoorstellingen en sportactiviteiten werden georganiseerd. In de jaren 1960 werden voor de Marokkaanse bewoners eigen gebedsruimtes ingericht.
Omstreeks 1960 beheerde Het Goed Kosthuis achttien gezellenhuizen en pensions. De Vereniging Het Goed Kosthuis kreeg in 1963 de naam ‘Stichting Huisvesting Alleenstaanden’.Zingen, vloeken en vrouwen verbodenHet gezellenhuis Heisterberg in Hoensbroek, 1956. (DSM/Demijnen)

Geëmailleerd bord ‘Vereniging Het Goed Kosthuis’, omstreeks 1950
(afmetingen 26 x 18 cm)
Collectie Discovery Center Continium Kerkrade 065108
Object van de maand juni 2014

Serge Langeweg
Continium Discovery Center Kerkrade
mei 2014

Bronnen:
B. Rogmans (red), In het goede kosthuis. Een halve eeuw gezellenhuizen in de mijnstreek (z.p. z.j.)
Willibrord Rutten, ‘Een archipel van koloniën: wonen in de mijnstreek’ In: Ad Knotter (red), Mijnwerkers in Limburg. Een sociale geschiedenis (Nijmegen 2012) 426-461
Serge Langeweg, ‘Immigranten’ In: Weet je nog, koempel? De mijnen in Limburg IX (Zwolle 2004) 201-224

  • Artikel
  • 1 juni 2014
  • door Serge Langeweg

2 reactie(s)


Reacties

Wat ontzettend leuk om dit te

Wat ontzettend leuk om dit te lezen! Ook mijn vader heeft in een gazellenhuis gewoond. Wij woonden in Friesland en door de week woonde mijn vader daar. Hij heeft er niet zo veel over verteld, daarom vind ik dit artikel ook zo mooi! Hartelijk dank! mvg. Petra Hazenberg

Waarde Serge, Met genoegen

Waarde Serge, Met genoegen je bijdrage gelezen. Over het Gezellenhuis 'Lindenheuvel' schreef ik in 1983 een heel boekwerkje als lid van de Heemkundevereniging Geleen. Daarin behandelde ik tevens het gezellenhuiswezen in het algemeen. Ik kon dat doen omdat de administratie van de Vereniging 'Het Goed Kosthuis' destijds in het begin door "Ons Limburg" werd gedaan. En daarbij werkte ik destijds als bedrijfsarchivaris. Bovendien kon ik beschikken over de originele tekeningen, enz. van dat tehuis van ir. Jos. th. Cuijpers. Ik bezit dan ook nog aardig wat documentatie over de gezellenhuizen. Met een hartelijk, zoals steeds, "Glück Auf!" Sjef Maas Mijnbouwhistoricus

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Een bijzondere Barbara

Een bijzondere Barbara

  • artikel
  • 1 dec 2016