Mijn LauraKerkrade

Mijn Laura Steenberg Mijn Laura. Foto: Rijckheyt

Locatie: Eygelshoven
Productieperiode: 1905-1968
Totale productie: 31.885.00 ton
Aantal schachten: 2
Diepste schacht: 748 m
Primair kooltype: magerkool

Op zoek naar het zwarte goud (1850 - 1899)

Vanaf 1830 drong de industriële revolutie - in navolging van Engeland - door tot België, Frankrijk en Pruisen. De grootindustrie was in opkomst en West-Europa had dringend behoefte aan brandstof om de stoommachines draaiende te houden. Aangemoedigd door de vondsten van steenkool in Duitsland begonnen ook in Nederlands-Limburg de goudzoekers zich te roeren, met het ‘zwarte goud' kon immers veel geld worden verdiend.

30 april 1896

Tot dan toe had alleen de Domaniale Mijn in Kerkrade zich bezig gehouden met steenkoolwinning in Nederland. De concessie van deze mijn lag aan de westzijde van het Wormdal, pal tegen de Nederlands-Duitse grens. Rond 1850 had men noordelijk daarvan - in de buurt van het dorp Eygelshoven - proefboringen verricht en daarbij kolenvoorraden aangetroffen. Exploitatie was op dat moment echter niet mogelijk: de technische kennis voor het boren van diepe schachten ontbrak en de streek had geen behoorlijke aan- en afvoerwegen.

De trein komt!

Dat veranderde pas in 1896 door de opening van de spoorlijn Sittard-Schaesberg-Herzogenrath. Initiatiefnemer daarvan was ingenieur Henri Sarolea uit Heerlen die bij zijn terugkeer uit Java begreep dat voor de ontwikkeling van de mijnindustrie betere verkeersmogelijkheden nodig waren. Sarolea richtte de Nederlandsche Zuider Spoorweg Maatschappij op waarvan hij zelf directeur werd. De nieuwe spoorlijn, met Heerlen als belangrijkste knooppunt, zou de levensader worden van de Limburgse mijnbouw.

Oprichting van de Laura & Vereeniging

Begin 1873 troffen molenaar Antoon Wackers uit Herzogenrath en zijn zwager Gustaaf Schümmer in het Bärenbosch nabij Kerkrade op een diepte van 154 meter een kolenlaag aan. Drie jaar later verkregen zij concessie voor de ontginning van dit veld dat "Laura" werd genoemd, naar de voornaam van Wackers' echtgenote.

Enkele jaren daarvoor vond op een perceel bouwland in het Kommerveld te Eygelshoven ook met succes een boring plaats. Deze concessie met de naam "Vereeniging" werd toegewezen aan de Duitse Vereinigungsgesellschaft für Steinkohlenbergbau im Wurmrevier. In 1887 namen de Vereinigungsgesellschaft für Steinkohlenbergbau im Wurmrevier en de Eschweiler Bergwerks Verein (EBV) ook de concessie "Laura" over van Wackers en Schümmer.

Op 26 juni 1899 kwam de "Société des Charbonnages Réunis Laura & Vereeniging S.A." in Brussel tot stand. Oprichter van de maatschappij was generaal Albert Thijs, president en stichter van de Banque d'Outremer in Brussel.

De vennootschap was statutair gevestigd te Brussel met een administratieve en productiezetel in Eygelshoven. De Eschweiler Bergwerksverein en de Vereinigungsgesellschaft für Steinkohlenbergbau im Wurmrevier brachten de concessies "Vereeniging" en "Laura" in. Andere belangrijke aandeelhouders waren de Banque d'Outremer, Banque Sal. Oppenheim Jr. & Cie. en de Amsterdamse Bank. In 1907 fuseerden de Eschweiler Bergwerksverein en de Vereinigungsgesellschaft für Steinkohlenbergbau im Wurmrevier waardoor één van Duitslands grootste mijnbouwbedrijven ontstond. Vanaf 1928 was de Société Générale de Belgique, waarmee de Banque d'Outremer in dat jaar een fusie aanging, de grootste aandeelhoudster.

Steenkolenmijn Laura in bedrijf (1899 - 1924)

Nadat een terrein aan de Menweg was aangekocht konden technici in augustus 1900 beginnen met de aanleg van de schachten. De werkzaamheden stonden onder leiding van de eerste directeur van de onderneming, mijnbouwkundig ingenieur Raymond Pierre uit Maastricht.

De afdieping vond plaats volgens de zogenaamde bevriesmethode: op de bodem van een voorschacht werden ringvormig 24 boorgaten aangebracht waarin vriesbuizen werden neergelaten. Met een ijsmachine werd vloeistof met een temperatuur van -20°C door de vriesbuizen gevoerd, waardoor een kokervormige vriesmuur ontstond.

Enkele maanden later konden de mijnbouwers met het afdiepen beginnen. Tegelijk met het afdiepen werd de schachtwand bekleed met gietijzeren ringen. Na drie maanden bereikte men op ca 100 meter diepte het carboongesteente. De eerste fase was zonder noemenswaardige tegenslag verlopen. Maar de Feldbiss, een sterk waterhoudende breuk in de ondergrondse aardlagen die het concessiegebied dwars doorsneed, zou later nog voor de nodige problemen gaan zorgen !!

Overstromingen en andere ellende

In augustus 1901 ontstond de eerste grote waterdoorbraak, waardoor het afdiepen vijf maanden werd vertraagd. Einde 1901 kon het werk weer worden hervat, echter de bouwers konden niet voorkomen dat de schacht daarna nog meerdere keren verdronk; eenmaal steeg het water zelfs tot 20 meter onder het maaiveld. Pas einde 1904 bereikte schacht I de geplande diepte van 223 meter.

In 1902 was men intussen begonnen met het afdiepen van schacht II op 70 meter afstand oostelijk van schacht I. De werkzaamheden verliepen in het begin voorspoedig, later volgde ook hier een niet aflatende strijd tegen het mijnwater, waardoor het werk aanzienlijk werd vertraagd.

Op 3 oktober 1905 werden door plotseling omlaagstortend water drie werkers op slag gedood en twee anderen ernstig gewond. Acht maanden later - net toen de kolenproductie weer op gang kwam - had een nieuwe doorbraak plaats, dit keer in de pompenkamer op de 220 meter verdieping. Gelukkig viel ook nu de schade mee.

Maar de ellende was nog niet voorbij. In september 1908 vond in het ketelhuis een zware ontploffing plaats, zeven personen werden gedood en vijf zwaar gewond. Het gebouw werd bijna geheel verwoest, de elektriciteit viel uit en slechts met de grootste moeite kon worden voorkomen dat de mijn opnieuw onder water liep. Achteraf kan men niet anders dan bewondering hebben voor de pioniers, die met primitieve middelen en gevaar voor eigen leven deze zware klus klaarden.

Uitbouw van het ondergronds bedrijf

Na de vele moeilijkheden bij het afdiepen van de schachten kwam de mijn Laura in 1907 in productie met één verdieping, de "183". Door de waterdoorbraak in 1906 moesten de plannen voor een 220 m-verdieping worden opgegeven. Ter ontsluiting van hoger gelegen kolenlagen werd in 1917 de 120 m-verdieping aangelegd, in dezelfde periode startte de aanleg van de 153 m-verdieping van waaruit in 1920 de eerste pijler werd aangetrokken. Pas tussen 1927 en 1932 werden de beide Lauraschachten verder afgediept en nieuwe verdiepingen aangelegd resp. op 274 en 378 meter diepte.

In verband met de ontginning op grotere diepte werd in 1935 schacht II omgebouwd, waarbij de oude trommelophaalinstallatie werd vervangen door een Koepemachine. Deze werd loodrecht boven de schacht geplaatst in een nieuwe stalen schachttoren, die de kleine, uit 1909 stammende schachtbok verving. Op 19 juli 1935 verrichtte de oude ophaalmachine II de laatste trek. De nieuwe ophaalinstallatie van schacht II, ook wel schacht Hendrik genaamd, heeft sindsdien het beeld van de mijn Laura bepaald.

De eerste vijfentwintig jaar

Vanaf midden april 1907 was de mijn Laura volop in bedrijf. Dankzij de introductie van effectieve afbouwmethoden en moderne productiemiddelen steeg de productie geleidelijk van 79.000 ton in 1907 tot bijna 600.000 ton in 1924, het jaar waarin de maatschappij haar 25-jarig bestaan vierde. Het oude handwerk, zoals het uithakken van kolen op een kolenpost en het vervoer van de gedolven kolen door de sleper, was toen al verleden tijd. De kolenhak - het oudste mijnwerkersgereedschap - was vervangen door met perslucht aangedreven afbouwhamers en sleufsnijmachines. De gedolven steenkool werd via schudgoten naar de laadplaatsen vervoerd waar ze in mijnwagentjes werd overgeladen.

Oorspronkelijk vond het ondergronds vervoer plaats met paarden, meestal kleine, pittige ponies die hun hele leven ondergronds sleten. Vanaf 1906 werd deze taak geleidelijk overgenomen door benzinelocomotieven en elektrische locomotieven. Persluchtlocomotieven heeft de Laura nooit gekend. Het zou overigens nog tot 1936 duren voordat het laatste mijnpaard van de Laura ‘met pensioen ging'.

Afzet

Zoals gezegd kwam de kolenproductie pas in 1907 goed op gang. Particuliere afnemers kochten de steenkool via de zogenaamde landverkoop. Met een paard en wagen, hondenkar of zelfs kruiwagen haalden zij de steenkool op aan de poort. In later stadium begonnen zich meer en meer grote industrieën en instellingen voor Laura-kolen te interesseren. Tot de eerste belangrijke grootafnemers behoorden de Eschweiler Bergwerksverein, de Steenkolen Groothandel Brabant en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen in Utrecht.

Uit een studie bleek dat de Laura fijnkool uitstekend geschikt was voor brikettering: het onder hoge druk samenpersen van een mengsel van fijnkool en teer tot briketten. Besloten werd tot de bouw van een briketfabriek, die in 1917 in bedrijf werd gesteld. Oorspronkelijk zouden enkel industriebriketten van 3, 5 en 11 kg worden geproduceerd maar later ging men er toe over ook 55 grams eierkolen voor huisbrand te fabriceren.

Crisis, oorlog en wederopbouw (1930 - 1950)

Als gevolg van de economische crisis in de Verenigde Staten nam begin jaren dertig de vraag naar industriekolen sterk af. Door de daling van het Engelse Pond en invoerbeperkingen van grote afnemers kwam de mijn internationaal in een zeer ongunstige concurrentiepositie terecht. Dat gold overigens niet alleen voor de Laura & Vereeniging maar voor de gehele Nederlandse mijnindustrie.

Ondanks aandrang van de mijndirecties handhaafde de Nederlandse regering de ‘politiek van de open deur'. Door een conventie aan te gaan met importeurs van Duitse kolen hoopten de mijndirecties het hoofd boven water te houden. Maar ook deze poging bleek vergeefs, de afzet stagneerde en de onverkoopbare steenkool hoopte zich intussen op. De productie liep sterk terug zodat de directie moest overgaan tot maatregelen als werktijdverkorting en gedwongen ontslag.

De algehele malaise en toenemende werkloosheid dwongen de Regering uiteindelijk haar politiek aan te passen. In 1934 werd een systeem van contingentering van buitenlandse kolen ingevoerd, waarna de Nederlandse markt iets rustiger werd. Het zou echter nog tot 1936 duren voordat de grote kolencrisis ten einde kwam. Door de toenemende onrust en oorlogsdreiging steeg vanaf 1939 de binnenlandse vraag naar kolen enorm, waardoor ernstige tekorten ontstonden.

Tweede Wereldoorlog

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwam aan de verkoopvrijheid van de mijnen een einde, de hele productie werd genationaliseerd en de distributie kwam in handen van het Rijkskolenbureau. De bezetter stelde alles in het werk om de productie op te voeren. De werktijd voor ondergronders werd van 8 op 8 ¾ uur gebracht, de bovengrondse werkweek op 54 uur en de mijnwerkers werden verplicht om op zondag te werken.

Het personeelsbestand liep begin jaren veertig op van 2.900 naar 3.600 man: talrijke landgenoten zochten hun toevlucht tot het mijnbedrijf om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Ondanks de maatregelen van de bezetter en de sterke personeelsstijging nam de productie in de oorlogsjaren af, met name door de sfeer van onbehagen onder het personeel en de vele pogingen tot sabotage. Openlijke sabotage was overigens een gevaarlijke zaak i.v.m. de vele Duitsers die zich onder het personeel bevonden, met name in de toezichthoudende functies.

Wederopbouw

In september 1944 werd Zuid Limburg bevrijd door de Amerikaanse 30th "Old Hickory" Infantry Division. Na de aftocht van de bezetter bleven de mijnbedrijven totaal ontredderd achter. Om de chaos op de markt te beteugelen werden alle mijnen - ook de particuliere mijnen - onder beheer van de Staat gesteld. Het zou nog tot eind 1948 duren voordat de binnenlandse kolenpositie enigszins was hersteld en het staatsbeheer over de Laura & Vereeniging werd opgeheven. Aan de distributie van industriekolen kwam pas in april 1954 een einde.

Na de oorlog bestond in Nederland een grote vraag naar steenkool. Totdat de haven van Rotterdam weer helemaal in bedrijf was, moesten de Limburgse mijnen overuren maken. De Limburgse kompels werkten soms wel twee weken achtereen - zondagen inbegrepen - en eindelijk kregen zij uit de rest van het land de erkenning die zij verdienden. Het beroep was gevaarlijk en ongezond maar de lonen waren hoog en dat vergoedde veel pijn. De mijnen vormden de motor van de economie in Zuid-Limburg; vrijwel ieder gezin in de regio had direct of indirect met de mijnbouw te maken.

Van bloeitijd tot sluiting (1950 - 1974)

Begin jaren vijftig ging het goed met de mijnindustrie, de lonen waren hoog en het ging de mijnwerkers voor de wind. Limburg was in vergelijking met de rest van Nederland een welvarende streek. Omdat veel arbeiders in Duitsland gingen werken, waar de lonen nog hoger waren, kampte de mijn met een chronisch tekort aan arbeidskrachten. Grootscheepse wervingsacties in het buitenland brachten een honderdtal Italianen en enkele tientallen Hongaren naar Eygelshoven. Begin jaren zestig had het personeelstekort een zodanige omvang aangenomen dat ook in Spanje, Joegoslavië en later Marokko personeel moest worden geworven.

Om de kolenschaarste te overwinnen werd veel aandacht besteed aan de mechanisatie van de kolenwinning. Ook de bouw van nieuwe woningen voor arbeiders had hoge prioriteit. In 1952 kondigde de Nederlandse Regering maatregelen aan ter stimulering van de kolenproductie. Er werd een Stichting opgericht waarmee de bouw van eigen woningen werd gefinancierd.

In 1953 trad het verdag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in werking, de voorloper van de Europese Unie. Dit verdrag beoogde vraag en aanbod op de kolenmarkt in evenwicht te brengen en vrije concurrentie te bevorderen. Ondanks het succes van de EGKS kreeg de Europese mijnindustrie meer en meer te lijden van concurrentie van de Amerikaanse steenkool die op goedkope wijze aan de oppervlakte kon worden gewonnen.

De mijnsluiting

Door de vondsten van aardgas in Noord-Nederland en door de sterk afgenomen vraag vanuit het buitenland werden door de Nederlandse regering in de tweede helft van de jaren zestig plannen gemaakt om de mijnbouw in Nederland te beëindigen. Op 17 december 1965 kondigde Minister Joop den Uyl in de Mijnsluitingsnota de geleidelijke sluiting van de Limburgse steenkolenmijnen aan, waarmee definitief het doek viel voor de mijnindustrie in Nederland.

In 1970 werd de mijn Laura buiten gebruik gesteld en in 1974 de mijn Julia. Slopers maakten vrijwel alle bovengrondse gebouwen met de grond gelijk en de vier schachten werden afgesloten met een metershoge betonnen prop. De elektrische hogedruk-centrale van de Julia, die pas in 1965 in gebruik was gesteld, bleef nog tot 1987 in bedrijf.

De sluiting van de Laura en de Julia betekende het einde van een gedenkwaardige periode uit de geschiedenis van Eygelshoven. Een periode van werk voor velen en welvaart voor Eygelshoven en omgeving. Twee bedrijven die eigendom waren van dezelfde Belgische eigenaars maar die qua karakter toch zo verschillend waren. De Laura was een wat ouder bedrijf waarin van oudsher vooral mijnwerkers uit Eygelshoven en omgeving werkzaam waren. De Julia, die voor die tijd gold als een hypermoderne mijn, was daarentegen altijd een smeltkroes van nationaliteiten, waarin met name Duitsers en Oost-Europeanen werkten.

 

 

  • Mijn
  • door Clara Zijlstra

Bekijk ook...

Koempeltreffen in Eygelshoven

Koempeltreffen in Eygelshoven

  • agenda
  • 29 november 2017
Nieuw boek over de Domaniale Mijn

Nieuw boek over de Domaniale Mijn

  • nieuws
  • 2 oktober 2017
Open Dag Schacht Nulland

Open Dag Schacht Nulland

  • agenda
  • 26 april 2015