Gedenkpenningen

GedenkpenningenDe gedenkpenning in brons (voorzijde), 1952. (Collectie Continium 058120.01)

Begin mei 1952 vierde Staatsmijnen op uitbundige wijze het vijftigjarig bestaan. Het kon allemaal niet op. Er waren optochten, recepties, diners en sportwedstrijden. Maar er waren ook meer blijvende herinneringen. De documentairefilm De zwarte stroom kwam tot stand en er verschenen twee gedenkboeken. De PTT bleek bereid een speciale postzegel uit te geven en met ’s Rijks Munt in Utrecht kwam Staatsmijnen overeen een gedenkpenning te laten slaan. Deze penning, in een zilveren en een bronzen variant, is het object van de maand april. De penningen komen uit de collectie van het Continium.

Een kunstwerk als kleinood 

Begin februari 1951 nam de Commissie Vijftigjarig Bestaan die bij Staatsmijnen was belast met de organisatie van de activiteiten rondom het gouden bedrijfsjubileum contact op met dr J.W.A. van Hengel, Muntmeester van ’s Rijks Munt in Utrecht. De wens van de Commissie was een gedenkpenning te laten slaan om aan personeelsleden en relaties te verstrekken. Besprekingen tussen Staatsmijnen en ’s Rijks Munt leidden tot een aantal uitgangspunten voor de afbeelding en de tekst op de penningen. Zo stelde Staatsmijnen voor om op de penning de woorden liefde en rechtvaardigheid aan te brengen, twee idealen waarop het bedrijf gebaseerd moest zijn.  Die begrippen zouden ook moeten dienen ‘om aan de gedachte van de kunstenaar-ontwerper uitdrukking te geven’, meldde de Commissie aan Muntmeester Van Hengel.GedenkpenningenCommissie Vijftigjarig Bestaan. Voorzitter Dinger aan het hoofd, 15 september 1951. (Fotocollectie DSM/demijnen.nl)
Een half jaar later ontving de Commissie twee gipsontwerpen van de kunstenaars Geurt Brinkgreve en Dirk Wolbers, die door ’s Rijks Munt voor de opdracht waren aangezocht. Hun eerste ontwerpen vielen bij Staatsmijnen echter niet in de smaak. Ze waren te eenvoudig en sober van uitvoering. De Commissie was van oordeel dat een eenvoudig ontwerp ‘voor het geoefende oog’ ongetwijfeld aantrekkelijk zou zijn, maar Staatsmijnen had een ander publiek op het oog: ‘De eenvoudige, niet kunstzinnig gevormde beschouwer verlangt in een penning gedetailleerde schoonheid en een meer gecompliceerd lijnenspel’, schreef de Commissie aan ’s Rijks Munt. De penning moest zijn ‘een kunstwerk […] dat door de bezitter als een kleinood wordt bewaard en moet dus in afwerking en uitbeelding iets zeer verzorgds en aantrekkelijks zijn.’ Van de twee ontwerpers werd Dirk Wolbers gekozen om het ontwerp volgens de wensen van Staatsmijnen verder uit te werken. GedenkpenningenGipsen model van een voorontwerp van Dirk Wolbers. Oktober 1951. (RHCL, Jubileumarchief Staatsmijnen, inv. nr. 137)

De ontwerper  

Dirk Johannes Wolbers werd op 10 juni 1890 geboren in Haarlem. Tussen 1905 en 1907 kreeg hij les aan de Tekenschool voor de Werkende Stand in Amsterdam. Daarna studeerde hij tot 1909 bij de beeldhouwer professor Bart van Hove aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Na afronding van die studie vertrok hij naar Brussel waar hij studeerde aan het vrije beeldhouwersatelier van Charles Van der Stappen en Victor Rousseau.
In 1916 vestigde Wolbers zich als beeldhouwer in Den Haag. Hij specialiseerde zich in het maken van monumentale beeldengroepen – onder meer voor het stadhuis van Rotterdam (1920) – en vervaardigde diverse graf- en oorlogsmonumenten. Daarnaast was Wolbers tekenaar en medailleur. Zo ontwierp hij  in 1929 een gedenkpenning naar aanleiding van de totstandkoming van de radiotelegrafische verbinding van Nederland met de koloniën in Oost-Indië.
Dirk Wolbers kwam op 22 september 1957 om het leven bij een verkeersongeluk in Voorschoten.

Een moeizaam ontwerpproces  

Na de verlening van de opdracht om de penning voor Staatsmijnen te ontwerpen, ging Wolbers onmiddellijk aan de slag. Hij bracht in augustus 1951 een bezoek aan Heerlen waar hij met de Commissie sprak en zich een indruk vormde over het bedrijf. Twee maanden later legde Wolbers een nieuw ontwerp aan de Commissie voor. Op de achterzijde van de penning had Wolbers op verzoek van de Commissie de vijf wapens afgebeeld van de gemeenten waar vestigingen van Staatsmijnen waren gesitueerd: van links naar rechts Geleen, Beek, Heerlen, Brunssum en Schaesberg. Op de achtergrond zijn schoorstenen, koeltorens en een schachtbok zichtbaar. Onderaan beeldde Wolbers een vuurpot (links) en een vruchtenschaal (rechts) af. Deze attributen symboliseerden de energie van Staatsmijnen en de resultaten die het bedrijf  had behaald. Onder de oprichtingsdatum 1 mei bracht Wolbers zijn initialen DW en het jaartal 52 aan.GedenkpenningenDe gedenkpenning in zilver (keerzijde), 1952. (Collectie Continium 061856)
Een groter probleem was echter het ontwerp en de symboliek van de voorzijde. Nadat een tweede ontwerp begin oktober door de Commissie was afgewezen, presenteerde Wolbers later die maand een volgend ontwerp waarin centraal een arbeidersfiguur was geplaatst. Voor die figuur had Wolbers een oudere arbeider gekozen. Zijn houding drukte volgens de kunstenaar aanpak uit en symboliseerde op die manier het bedrijf. De opgeheven rechterhand van de figuur ving het licht dat van boven kwam. De linkerhand greep naar beneden naar het materiaal dat uit de aarde werd gedolven, gesymboliseerd door de woorden warmte en kracht. Ook de woorden liefde en rechtvaardigheid waren aangebracht.
Het ontwerp was alles behalve naar de zin van de Commissie. Het moest helemaal anders. Voor een breed publiek herkenbaar en begrijpelijk. In een brief aan Wolbers legde Commissievoorzitter ir A.E. Dinger uit in welke richting het ontwerp zou moeten gaan: ‘Kunt u zich niet verenigen met de geuite wens op de penning uit te beelden een arbeider en zijn vrouw (beiden in de dagelijkse klederdracht) die door hun houding een éénheid uitbeelden en als zodanig deze sociale huiselijke welvaart uitdrukken, welke bestraald worden door een stralenbundel die de woorden draagt Liefde – rechtvaardigheid. Deze beide figuren kunt u plaatsen in het Limburgse landschap dat b.v. zich kenmerkt door een heuvelrug met zachte glooiingen en dat hetzij door te wassen staand of door geoogste veldvruchten de rijkdom van onze bodem symboliseert. Ik kan mij niet losmaken van de idee dat zulk een uitbeelding zonder enige uitleg tot de beschouwer spreekt, die haar aandachtig beziet. En voor deze aandachtige bezichtiging is zeker bevorderlijk dat de gezichten der beide figuren aantrekkelijk en met zorg uitgebeeld zijn. De neiging de mens als een lelijk schepsel voor te stellen is wel zeer actueel, maar ik geloof dat waar wij hier menselijke idealen, menselijke richtsnoeren voor een goed beleid aan willen duiden, wij de personen om wie het gaat niet zonder idealisme mogen weergeven.’
Wolbers kon weinig anders dan de kritiek ter harte nemen. Het uiteindelijke ontwerp kwam grotendeels overeen met de wensen van de Commissie. Niet dat het verder allemaal zonder slag of stoot ging. Wolbers kreeg nog commentaar op de houding en gebaren van de figuren, die volgens de Commissie gratie en bekoorlijkheid misten. Ook het bloempje dat de vrouw in de hand hield, moest het ontgelden: zou dat niet de spotlust van het publiek opwekken?
De keerzijde van de penning werd eveneens minutieus onder de loep genomen. Het viel de Commissie op dat uit de schoorstenen en de koeltorens dezelfde soort rook kwam. Dat kon niet! Schoorstenen gaven rookwolken en koeltorens stoomwolken. Kon Wolbers de wolken boven de koeltorens misschien iets massaler weergeven? En de vrouwenfiguur in het wapen van Beek tenslotte moest zijn geblinddoekt… 

Goud, zilver en brons

De penning werd geslagen in een gouden, een zilveren en een bronzen variant. Alleen over de oplage van de gouden penning bestond vanaf het begin zekerheid. Er zouden er drie van worden geslagen. Deze penningen werden geschonken aan koningin Juliana, prins Bernhard en prinses Wilhelmina. Zij ontvingen hun penning in een luxe lederen etui met pluche binnenvoering. Het etui was bedrukt met gouden letters: 50 jaren Staatsmijnen stond er op en een gekroonde letter, respectievelijk een J, B en W.
De oplage van de zilveren penning werd in juli 1951 op 250 exemplaren gesteld. Begin 1952 werd de oplage verhoogd naar 525 afslagen. Uiteindelijk verschenen er 600 exemplaren. In het algemeen gingen de zilveren penningen naar zakenrelaties, politieke en maatschappelijke hoogwaardigheidsbekleders en het hoge kader van het bedrijf. De zilveren penningen werden geleverd in peau-de-suèden etuis met een zeemlederen voering.GedenkpenningenDe zilveren gedenkpenning in peau-de-suèden etui, 1952. (Collectie Continium 061856)
Het aantal bronzen penningen werd in de loop van het ontwerpproces sterk gereduceerd. Aanvankelijk ging Staatsmijnen uit van 4500 exemplaren. Uiteindelijk werden er uit kostenoverwegingen slechts 300 geslagen. Bronzen penningen gingen vooral naar personeelsleden van Staatsmijnen vanaf de rang van hoofdingenieur en naar personeelsleden met ten minste 40 dienstjaren bij het bedrijf. Ook gepensioneerden met minstens 40 dienstjaren bij Staatsmijnen konden een penning verwachten. De bronzen penningen waren opgeborgen in een eenvoudig kartonnen doosje met imitatie-fluwelen voering.GedenkpenningenDe bronzen gedenkpenning in kartonnen doosje, 1952. (Collectie Continium 058120.01)
Bij alle penningen was een cirkelvormig papier gevoegd met een toelichting op het ontwerp door Wolbers. Het zal niet verbazen dat zijn concepttekst door de Commissie zwaar werd geredigeerd!GedenkpenningenBij de penningen was een toelichting op het ontwerp gevoegd. (Collectie Continium 061856)
Het totale penningenproject kostte Staatsmijnen 13.085 gulden, exclusief het honorarium van ontwerper Dirk Wolbers, dat 800 gulden bedroeg.GedenkpenningenDe gedenkpenning in brons (voorzijde), 1952. (Collectie Continium 058120.01)

Gedenkpenning 50 jaar Staatsmijnen
Dirk Wolbers, zilver (1952)
Collectie Continium Discovery Center Kerkrade (061856)
(afmetingen: diameter 6 cm)
Object van de maand april 2015

Gedenkpenning 50 jaar Staatsmijnen
Dirk Wolbers, brons (1952)
Collectie Continium Discovery Center Kerkrade (058120.01)
(afmetingen: diameter 6 cm)
Object van de maand april 2015

Serge Langeweg
Continium Discovery Center Kerkrade
maart 2015

Bronnen:
Regionaal Historisch Centrum voor Limburg, 17.49 Jubileumarchief der Staatsmijnen 1927-1977, inventarisatienummers 137, 138 en 139
Jos Perry, ‘Jubeljaren. Staatsmijnen weerspiegeld in vier jubilea’ In: Publications de la Société Historique dans le Limbourg/Jaarboek ’98-’99 LGOG deel 134-135 (Maastricht 2000) 7-84
Ed van Gelder, ‘De gedenkpenningen van Staatsmijnen’ In: Brunssumse geschiedenissen (Brunssum 2002) 55-62
http://www.artindex.nl/zuidholland/default.asp?id=6&num=0073900359009030093000037001830960501901&relt=1410&limit=no&in=

  • Artikel
  • 1 april 2015
  • door Serge Langeweg

1 reactie(s)


Reacties

ik heb een zilvere penning

ik heb een zilvere penning die was van mijn opa, weet niet goed wat ik ermee moet

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Mijnwerker op de postzegel

Mijnwerker op de postzegel

  • artikel
  • 1 mei 2014
‘Batik-werk in 7 kleuren’

‘Batik-werk in 7 kleuren’

  • artikel
  • 11 april 2017