Reddingstoestel

ReddingstoestelReddingstoestel Auer. Collectie Continium discovery center Kerkrade (065258)

Mijnarbeid was niet zonder risico’s. Kleine en grote ongelukken  lagen altijd op de loer. Voor calamiteiten stond op elke mijn een reddingsbrigade paraat. Die bestond uit ervaren mijnwerkers, die speciaal voor hun taak als reddingsman werden getraind. Een van de belangrijkste hulpmiddelen bij reddingsoperaties was het zogenaamde reddingstoestel dat elke reddingsman op de rug mee droeg. Zo’n toestel, uit de collectie van het Continium, is het object van de maand november. Het toestel, van het merk Auer, werd gebruikt bij de Domaniale Mijn in Kerkrade.

Zuurstof

Het reddingstoestel maakte effectieve reddingsoperaties mogelijk, omdat het toestel een zuurstofapparaat bevatte. Daarmee konden de reddingsmannen hun werk doen in een omgeving waar te weinig zuurstof was, of waar de lucht levensbedreigende gassen bevatte.
De zuurstoffles in het reddingstoestel was via een slang verbonden met een gasmasker dat de reddingswerker voor het gezicht droeg.
Deze toestellen kwamen aan het eind van de 19e eeuw ter beschikking. Omstreeks 1950 kwamen er verbeterde versies op de markt, die ook verbruikte lucht konden zuiveren. Het reddingstoestel uit de collectie van het Continium is met die voorziening uitgerust. De uitgeademde lucht van de reddingsman werd teruggeleid naar het reddingstoestel en stroomde daar langs een alkalipatroon. Die was gevuld met korrels, die ervoor zorgden dat het koolzuurgas uit de lucht werd gefilterd. De gezuiverde zuurstof stroomde vervolgens in een luchtzak, die via de slang was verbonden met het mondstuk van het gasmasker. Het zuiveringsprocédé zorgde ervoor dat de capaciteit van het reddingstoestel werd verhoogd tot twee à drie uur. Dankzij een zogenaamde finimeter, via een slangetje verbonden met de zuurstoffles, kon de reddingsman de resterende capaciteit van zijn toestel voortdurend in de gaten houden.
ReddingstoestelReddingstoestel Auer. Collectie Continium discovery center Kerkrade (065258)
ReddingstoestelDe binnenzijde van het reddingstoestel. Van links naar rechts de zuurstoffles, de luchtzak en de alkalipatroon.
ReddingstoestelHet reddingstoestel werd met behulp van leren riemen op de rug gedragen. Rechts de luchtslangen voor de zuurstof en de uitgeadem

‘Koelbloedige mannen’ 

In 1961 konden de gezamenlijke Limburgse mijnen 706 man reddingspersoneel inzetten, met 212 reddingstoestellen. Elke mijnzetel had zijn eigen reddingsbrigade, die de beschikking moest hebben over toestellen waarmee men in een voor de ademhaling ongeschikte atmosfeer kon doordringen en werken. Het Mijnreglement schreef dat sinds 1906 voor. De omvang van de brigade was afhankelijk van de maximale bezetting van een ondergrondse dienst bij de betreffende mijn. Zo hadden de grote staatsmijnzetels Maurits, Emma en Hendrik elk ongeveer 100 reddingswerkers ter beschikking, terwijl de reddingsbrigade van de Oranje-Nassau II slechts 30 man sterk was.ReddingstoestelDe reddingsbrigade van de Domaniale Mijn oefent, 1922. (Fotocollectie Continium discovery center Kerkrade F0349)
Het lidmaatschap van een reddingsbrigade was op basis van vrijwilligheid. Zowel ondergrondse arbeiders als beambten maakten deel uit van het team. De reddingsmannen waren verdeeld over de drie diensten per etmaal, zodat steeds twee derde deel van de brigade op ieder moment van de dag en nacht beschikbaar was. De leden van de brigade woonden in de omgeving van de mijn waar ze werkten. Dan konden ze de sirenes horen, die loeiden als er een calamiteit had plaatsgevonden. De maximumleeftijd voor het lidmaatschap van de reddingsbrigade was 45 jaar. Wie zich aanmeldde werd medisch gekeurd en kreeg een speciale opleiding. In zijn handboek Beginselen der mijnbouwkunde karakteriseerde hoofdopzichter M. Driessen de mannen van de reddingsbrigade als volgt: ‘De leden van de brigade behoren te zijn krachtige, moedige mensen, bereid om onder alle omstandigheden hun in nood verkerende makkers bij te staan en zo mogelijk te redden. Voor geen opoffering of moeilijkheid mogen ze terugschikken. Het moeten daarbij zijn koelbloedige mannen, die ook in zeer ernstige gevallen hun kalmte bewaren. Zij moeten onder alle omstandigheden ernstig blijven en steeds onversaagd op hun doel afgaan.’ReddingstoestelSchematische voorstelling van de werking van een reddingstoestel. (Uit: Handleiding voor de reddingsbrigade, Staatsmijnen 1957;
Om dit verantwoordelijke en risicovolle werk te kunnen doen, werden de reddingsmannen goed getraind. Regelmatig vonden praktische oefeningen plaats, zowel bovengronds als ondergronds. Daarnaast werden periodiek theoretische bijeenkomsten georganiseerd. Tijdens die trainingen leerden de reddingsmannen eerste hulp aan slachtoffers te bieden, het reddingstoestel te hanteren, en vooral ook om met het 17 kilo zware apparaat op de rug te lopen, kruipen, klimmen en klauteren.
De reddingsbrigade van elke mijn was opgedeeld in ploegen. Elk van die reddingsteams  bestond uit 5 à 6 manschappen en een ploegcommandant. De algehele coördinatie berustte bij de brigadeleider.ReddingstoestelEen reddingsman van Staatsmijn Hendrik in actie tijdens een oefening, 1956. (Fotocollectie DSM/DeMijnen.nl)

Uitrusting

Het reddingstoestel was ongetwijfeld het belangrijkste uitrustingsstuk dat de leden van de brigade bij zich hadden. Maar de vaste uitrusting van een reddingsteam omvatte ook verschillende andere praktische hulpmiddelen. Ze bestond uit een horloge, een notitieblokje met potlood, een rolletje linnen plakband, twee signaalhoorns om seinen van de ene ploeg naar de andere door te geven, een meetinstrument om de aanwezigheid van CO-gas (koolmonoxide) aan te tonen, een slinger-thermometer om de luchtvochtigheid te meten, een tas met gereedschap en een zogenaamde zelfredder voor elk lid van de brigade. Een zelfredder was een kleine bus met een filter. Het filter had een mondstuk dat stevig tussen de lippen geklemd moest worden. Met een knijper werden de neusgaten dichtgeknepen. Wie de zelfredder op die manier gebruikte, kon ongeveer een uur in een CO-houdende atmosfeer  overleven.
Buiten deze vaste uitrusting kon de leider van de reddingsbrigade beslissen dat er nog andere hulpmiddelen moesten worden ingezet, zoals een brancard, een zuurstof-inhalatietoestel, een draagbare telefoon of een reddingsgordel met touw.ReddingstoestelEen zelfredder van het merk Dräger. Het filter in de metalen bus. (Collectie Continium discovery center Kerkrade 063079)

Reddingstoestel
Auer MR 54/400, omstreeks 1960
Collectie Continium discovery center Kerkrade (065258)
(afmetingen: 50x50x26 cm)
Object van de maand november 2015

Serge Langeweg
Museumplein Limburg, Kerkrade
oktober 2015

Bronnen:
Ad Knotter (redactie), Mijnwerkers in Limburg. Een sociale geschiedenis (Nijmegen 2012)
M. Driessen, Beginselen der mijnbouwkunde (Treebeek 19463)
Handleiding voor de reddingsbrigade (Veiligheidsdienst Staatsmijnen, 19575)
Mijnreglementen 1906, 1939, 1964
‘De Reddingsbrigade oefent’ Steenkool 1 juli 1949, 295-297

  • Artikel
  • 28 oktober 2015
  • door Serge Langeweg

2 reactie(s)


Reacties

zet wat op de site over het

zet wat op de site over het gereedschap.
a.u.b.

zet wat op de site over het

zet wat op de site over het gereedschap alstublieft.

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...