Vonken als verlichting

Vonken als verlichtingVuursteenmolen uit de collectie van Continium discovery center (a052380)

In de donkere pijlers, gangen en galerijen van het ondergrondse mijnbedrijf was verlichting een noodzakelijkheid. In de loop van eeuwen gebruikten mijnwerkers mijnlampen in allerlei soorten en maten, variërend van zeer eenvoudige constructies tot staaltjes van technisch vernuft. In de collectie van Continium discovery center bevindt zich een heel bijzondere mijnlamp in de vorm van een vuursteenmolen: een Engelse vinding uit de achttiende eeuw. Deze vuursteenmolen is het object van de maand juni 2016.

Gloeiwormen en visschubben

Als verlichting van hun ondergrondse werkplek gebruikten de mijnwerkers tot in de negentiende eeuw vooral open olielampen of kaarsen. Die bestonden in verschillende uitvoeringen, maar ze hadden gemeenschappelijk dat de open vlam erg gevaarlijk kon zijn, vooral in mijnen waar het verraderlijke methaangas (CH4) voorkwam. Methaangas was reukloos en kleurloos, maar zeer explosief. Een klein vlammetje kon een rampzalige ontploffing tot gevolg hebben met soms talrijke slachtoffers.
Een manier om het explosiegevaar tegen te gaan was het bestrijden van het gas. Dat kon in principe door het verbeteren van de ondergrondse ventilatie. Tot in de negentiende eeuw waren daarvoor echter slechts weinig effectieve hulpmiddelen beschikbaar. Op een houtsnede in Agricola’s  De re metallica, tot in de tweede helft van de achttiende eeuw het meest gezaghebbende handboek mijnbouwkunde, is te zien hoe twee mijnwerkers voor ventilatie zorgen door met een soort van laken te zwaaien. Ook maakten mijnwerkers gebruik van primitieve blaasbalgen. Vonken als verlichtingVentilatie in een mijn. Houtsnede uit G. Agricola, De re metallica (Collectie Continium 056488)
Mijnbouwkundigen en uitvinders richtten zich ook op het ontwikkelen van veiligere lichtbronnen. Hoe beducht men was voor het explosiegevaar door een open vlam blijkt wel uit sommige alternatieven die men koos. Zo namen mijnwerkers gloeiwormen in kleine kooitjes mee naar beneden, of gebruikten ze zelfs fluorescerende visschubben als lichtbron. Als er maar geen open vuur was! De kunst was een lichtbron te ontwikkelen waarvan de vlam of de verbrandingsgassen een temperatuur hadden, die niet hoog genoeg was om het mijngas te ontsteken.

Een traumatische ervaring

Carlisle Spedding (1695-1755) was een boerenzoon uit Whitehaven, een mijnstadje in het noordwesten van Engeland. Op zijn 15e vond hij in zijn geboorteplaats werk in de mijnen. Hij kwam er onder supervisie van zijn oudere broer, die een leidinggevende functie bekleedde. De bedoeling was dat ook Carlisle zou opklimmen in de mijnhiërarchie. Daarom werd hij drie jaar later naar Newcastle-upon-Tyne gestuurd om daar in de mijnen ervaring op te doen. Of was het een vorm van bedrijfsspionage? Hij moest, onder de schuilnaam ‘Dan’, ontginningsmethoden gaan afkijken, zich bekwamen in het gebruik van springstoffen en ideeën opdoen over de aanleg van ondergrondse transportsystemen. Spedding maakte zijn ‘stage’ in Newcastle niet af. Hij verliet de mijn na een ernstige mijngasontploffing, waarbij hij brandwonden opliep. Terug in Whitehaven bracht hij het tot een hoge toezichthoudende functie in de plaatselijke mijnen, die eigendom waren van Sir John Lowther. Lowther was een van de eersten die onderzoek liet doen naar de samenstelling van mijngas. Mijngas was een groot probleem in de mijnen van Whitehaven. Waarschijnlijk in opdracht van Lowther zette Spedding zich ertoe een veilige mijnlamp te ontwikkelen. Zijn eigen traumatische ervaring met de verwoestende kracht van een mijngasontploffing zal Spedding ongetwijfeld extra hebben geïnspireerd. In 1733 introduceerde hij zijn uitvinding: de flint-and-steel-mill, ook wel Speddingmill genoemd.

Bij gebrek aan beter

De flint-and-steel-mill (vuursteenmolen) werd door een leerling-mijnwerker op de gestrekte linkerarm gedragen of vastgebonden tegen de borst. Met de rechterhand draaide hij een stalen rad rond tegen een vuursteen, die met de linkerhand kon worden versteld. De vonkenregen die hierbij ontstond, diende als verlichtingsbron. De vonken hadden een lage temperatuur. Daardoor waren ze veel minder gevaarlijk dan de open vlammen van de olielampjes of de waskaarsen. Vonken als verlichtingDe bediening van de vuursteenmolen (Uit: Peter Hubig, 160 Jahre Wetterlampen. Lampen für die Sicherheit im Kohlenbergbau (p.13)Bovendien konden ervaren mijnwerkers op den duur aan de helderheid en de kleur van de vonken zelfs het methaan- en zuurstofgehalte van het aanwezige mijngas inschatten. Helemaal veilig waren de vuursteenmolens echter niet. Onder bepaalde ongunstige omstandigheden kon de vonkenregen toch een mijngasexplosie veroorzaken. De ironie van de geschiedenis wil dat Spedding in 1755 om het leven kwam door een mijngasontploffing!
Bovendien was de lichtopbrengst van de vonken uiteraard pover. Desondanks breidde zich het gebruik van vuursteenmolens tussen 1735 en 1816 over de meeste West-Europese mijngebouwgebieden uit. Bij gebrek aan beter. Pas in 1816 zou de Engelse natuur- en scheikundige Sir Humphry Davy zorgen voor een grote doorbraak door zijn uitvinding van de veiligheidslamp.
De herkomst van de vuursteenmolen uit de collectie van Continium is niet bekend.Vonken als verlichtingVuursteenmolen uit de collectie van Continium discovery center (052380)

Vuursteenmolen
IJzer, vuursteen (omstreeks 1800)
Collectie Continium discovery center Kerkrade (052380)
(afmetingen: 30 x 27 x 20 cm)
Object van de maand juni 2016

Serge Langeweg
Museumplein Limburg, Kerkrade
juni 2016

Bronnen:
Wolfhard Weber, ‘Erschliessen, Gewinnen, Fördern. Bergbautechnik und Montanwissenschaften von den Anfängen bis zur Gründung Technischer Universitäten in Deutschland.’  In: Klaus Tenfelde e.a (red.), Geschichte des deutschen Bergbaus. Band 2: Salze, Erze und Kohlen. Der Aufbruch in die Moderne im 18. und frühen 19. Jahrhundert (Münster 2015) 217-408
Kurt Repetzki, 3000 Jahre Grubengeleuchte. Zur Geschichte der Grubenlampe (Wien 1973)
Peter Hubig, 160 Jahre Wetterlampen. Lampen für die Sicherheit im Kohlenbergbau (Essen 1983)
Werner Börkel und Horst Woeckner, Des Bergmanns Geleucht IV Bilderatlas vom Kienspanhalter bis zur elektrischen Grubenlampe (Essen 1983)
C.E.P.M. Raedts, ‘Van oliepitje tot vaste pijler verlichting’ Steenkool V no 6, 20 maart 1950, 124-126
https://haigpit.wordpress.com/carlisle-spedding/

  • Artikel
  • 8 juni 2016
  • door Serge Langeweg

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Vaandelwijding in Schinnen

Vaandelwijding in Schinnen

  • artikel
  • 1 maart 2017