Recensie boek Oranje-Nassau mijnen


Loek Kreukels, auteur van Mijnarbeid : volgzaamheid en strijdbaarheid : geschiedenis van de arbeidsverhoudingen in de Nederlandse steenkolenmijnen, 1900-1940 en van Kolen en Kompels schreef een recensie over het nieuwe boek van Willibrord Rutten en Jan Peet over de Oranje-Nassau mijnen. DeMijnen.nl biedt een platform voor iedereen die de geschiedenis van de steenkolenmijnbouw een warm hart toedraagt. De tekst is geheel voor rekening van de auteur. Reageren? Mail ons: info@demijnen.nl . Wij plaatsen uw reactie onder de recensie.

Recensie
geschreven door Loek Kreukels (als download pdf)
Oranje-Nassau Mijnen. Een pionier in de Nederlandse steenkolenmijnbouw, 1893-1974
Jan Peet en Willibrord Rutten
Oranje-Nassau Groep/Waanders Uitgevers, Zwolle 2009
ISBN 978 90 400 85727

Vijfendertig jaar na sluiting van de laatste Oranje-Nassau mijn ligt een fraai vormgegeven boekwerk over de geschiedenis van de ON Mijnen, inclusief DVD, voor ons; een 495 bladzijden tellende wetenschappelijke studie, geschreven in opdracht van het investeringsbedrijf Oranje-Nassau Groep BV te Amsterdam. De opdracht werd in eerste instantie gegeven aan Dr Willibrord Rutten, onderzoeker bij het SHCL te Maastricht, later werd Dr Jan Peet, verbonden aan de Rijksniversiteit Utrecht daaraan toegevoegd. Peet nam ook de eindredactie voor zijn rekening. Rutten schreef de delen tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, Peet het vervolg daarop tot de sluiting van de laatste ON-Mijn in 1974.

In een achttal hoofdstukken wordt de geschiedenis van de Oranje-Nassau mijnen chronologisch verhaald waarbij het laatste hoofdstuk een lange samenvatting is van het voorgaande. Daarna volgt nog een nawoord van zeven bladzijden dat betrekking heeft op de periode na de mijnsluiting, waardoor het verhaal van de Oranje-Nassau mijnen feitelijk doorloopt tot 2007. De tekst wordt op aantrekkelijke wijze onderbroken door een zevental beeldverhalen met deels bekende maar ook veel onbekende foto’s, die in totaal meer dan 100 pagina’s in beslag nemen.

Archieven

De belangrijkste bron voor het onderzoek vormde het Archief van de Oranje-Nassau mijnen dat na de sluiting van de mijnen in de jaren zeventig was overgedragen aan het Rijksarchief in Maastricht en beperkt toegankelijk was. De definitieve overdracht, dertig jaar later, was de aanleiding tot het verlenen van de opdracht voor het schrijven van de studie. Een tweede belangrijke bron vormden de stukken die bij overdracht in eerste instantie waren achtergehouden. Volgens het overzicht van geraadpleegde bronnen is daarnaast ook gebruik gemaakt van de omvangrijke archieven van de vereniging van particuliere ondernemers in de mijnindustrie in Limburg; GSL, resp. VPSL genaamd en van enkele kleinere archieven.

Terecht schrijven de auteurs in de inleiding dat er goede reden bestond een studie te wijden aan de geschiedenis van de grootste particuliere steenkolenmijnonderneming in Limburg, de Oranje-Nassau mijnen, mede aangezien een samenvattende studie over de particuliere steenkolenmijnbouw tot nu toe ontbrak. Uitdrukkelijk benadrukken zij de geschiedenis van de Oranje-Nassau mijnen te schrijven vanuit het perspectief van een bedrijfs- of ondernemingsgeschiedenis; de ontwikkeling van het bedrijf en de totstandkoming van het ondernemingsbeleid onder invloed van externe omstandigheden zoals economische en maatschappelijke ontwikkelingen. De relatie met wat ‚ de wijdere omgeving’ van het bedrijf wordt genoemd, is daarbij inbegrepen.

Investeerders
De verdienste van deze studie is vooral de vaak gedetailleerde schets van de relatie tussen de buitenlandse pioniers en investeerders, in eerste instantie vanuit Duitsland, sedert 1908 uit Frankrijk, en het Nederlandse dochterbedrijf. Hoe de belangen van de buitenlandse kapitaalverschaffers werden afgewogen tegen nationale en regionale belangen kon niet eerder zo worden vervolgd. Maar de sterkte van het boek is tevens zijn zwakte. Geregeld zou de lezer de relatie tussen moeder en dochter in een veel breder perspectief willen zien en met name meer aandacht zien besteed aan de rol die de ondernemers op het nationale en regionale vlak speelden. Van de productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal krijgt de productiefactor kapitaal in deze studie de meeste aandacht en de vooral in het steenkolenmijnbedrijf belangrijke factor arbeid weinig aandacht. Ook de maatschappelijke context en de bedrijfscultuur van de ON-Mijnen worden slechts in beperkte mate belicht.

Relatie met andere mijnen
Interessant is de schets van de relatie tussen de grootste particuliere mijnen en het Staatsmijnbedrijf. Als een rode draad loopt die relatie door het hele verhaal. De relatie tot het steeds machtiger wordend staatsbedrijf vormde een onmisbaar hoofdstuk in de geschiedenis van de ON Mijnen. De trage ontwikkeling van het ON bedrijf in de oprichtingsfase schijnt mede een rol te hebben gespeeld in het besluit tot staatsexploitatie van steenkolenmijnen. De buitenlandse eigenaren van de ON Mijnen, aanvankelijk Duitse mijnbouwpioniers en sedert 1908 het Franse De Wendelconcern dat op zoek was naar cokeskolen, waren bepaald niet „amused“met de Staats als mede exploitant en concurrent in de directe omgeving. De particuliere mijnen onder leiding van de ON Mijnen trachtten daarom al vroeg een blok te vormen tegen het staatsbedrijf. Jammer genoeg wordt in het laatste hoofdstuk niet verhaald dat ook het einde van de mijnindustrie gepaard ging met veel wrevel tussen de staats- en belangrijkste particuliere mijnen, daarmee was de cirkel rond.

Naar de reden waarom de relatie met de overige particuliere mijnen slechts sporadisch aan bod komt, en hoe zij gezamenlijk zich verweerden tegen de staatsinvloed, kan de lezer slechts gissen. Maar de constatering dat de studie voor haar archiefbronnen vrijwel uitsluitend steunt op die van de ON Mijnen zal een verklaring zijn. Hoewel het archief van de ondernemersvereniging van de particuliere mijnen (GSL) en dat van zijn opvolger volgens het bronnenoverzicht geraadpleegd werden, is daar in het notenapparaat weinig van terug te vinden. Ook omdat directeur Mr Haex vanaf de oprichting van het bedrijf tot zijn overlijden in december 1949 de belangrijkste bestuursfuncties vervulde bij de particuliere ondernemersvereniging, was het daarom nuttig geweest dit archief eveneens te bestuderen.

De niet te onderschatten betekenis van Haex voor de geschiedenis van het bedrijf en de bedrijfstak blijft nu helaas onderbelicht. Over de man en zijn maatschappelijke functies vernemen we vrijwel niets en dat geldt ook voor overige directieleden zoals Ir. C.E.P. Raedts, de eerste Nederlandse ingenieur die vanaf begin jaren twintig aan het bedrijf verbonden werd en sedert 1 juni 1950, enkele maanden na het overlijden van Haex, directeur werd van de Oranje-Nassau Mijnen.

Het was aantrekkelijk geweest de geschiedenis en positie van het moederbedrijf De Wendel op de afzetmarkten breder toe te lichten. De auteurs benadrukken dat de Heerlense directie weinig invloed had op de strategie en zelfs op dagelijks beleid van de mijnen. -Dat lijkt overigens volgens de tekst niet steeds het geval te zijn geweest, het gebeurde herhaaldelijk dat de Heerlense directie door de Parijse heren hardhandig werd teruggefloten-. Het beleid dat door De Wendel ten aanzien van de Oranje-Nassau mijnen werd ontwikkeld, blijft onderbelicht. De frequent als bezwerende formule gehanteerde stelling dat „het strategisch beleid“ gericht was op het maken van winst, behoeft nuancering. Een ondernemer formuleerde in het verleden, ( maar ook tegenwoordig nog vaak), zelden of nooit expliciet zijn beleid. Uiteraard is een onderneming een op winst gerichte organisatie. Dat is echter geen strategisch beleid. Voor wat betreft zijn commerciële strategie opereerde de mijnondernemer vaak in een dichte mist waardoor planning op lange termijn niet zelden illusoir was. De enige zinvolle strategie in die situatie was voldoende speelruimte te verwerven om snel en flexibel op nieuwe situaties te kunnen reageren en met alle omstandigheden rekening te houden. En daarmee was het de Wendelconcern vertrouwd.

Over cokes en staal
Doelstelling van de overname van de Oranje-Nassau mijnen in 1908 was niet winstgevende kolenmijnen te verwerven of marktaandelen op de kolenmarkt, maar de kosten voor de belangrijkste grondstof in de staalproductie, cokeskolen, te verlagen en daarmee het rendement van het eigen staalbedrijf te verhogen. Vandaar dat De Wendel herhaaldelijk trachtte de Oranje-Nassau mijnen te verkopen, dan wel velden met vetrijke kolen te verwerven van de Staatsmijnen. Het bedrijf paste niet binnen de ‚core business’ van De Wendel. De Oranje-Nassau mijnen waren echter ook ‚de beste miskoop aller tijden’ heeft Rutten in een ander verband treffend opgemerkt, want dankzij de reusachtige oorlogswinsten was de koopsom die in 1908 werd betaald als gevolg van de kolenschaarste gedurende de Eerste Wereldoorlog snel volledig afgeschreven. Zo verdiende het huis de Wendel aan de oorlog niet alleen dankzij zijn kolen- en staalbedrijven in Duitsland en Frankrijk maar ook aan de kolenvoorziening in het neutrale Nederland; een verbluffend staaltje van een globale diversificatie-strategie.

Sociaal beleid
Mijn belangrijkste kritiek op dit boek betreft de schets, beter; het vrijwel ontbreken daarvan, van het sociale beleid van de eigenaren en directie van de Oranje-Nassau mijnen in de jaren dertig. Ondernemers zijn niet de hele dag bezig winst te maken; het technisch beleid en arbeidsmarktbeleid vormen een onmisbaar onderdeel van de ondernemerstaken, vooral in de steenkolenmijnindustrie. Ook vanuit bedrijfseconomisch perspectief was dat beleid van de Oranje-Nassau mijnen, en van de andere mijnen, kortzichtig en schadelijk voor de bedrijfsbelangen op langere termijn, en niet alleen door de roofbouw die werd gepleegd. De auteurs staan nauwelijks stil bij dit thema en besteden maar beperkte aandacht aan de omstandigheid dat de Oranje-Nassau mijnen tijdens de depressie het aantal arbeidsplaatsen ondergronds met bijna de helft verminderde.

Het inzicht dat geen bovenmenselijke inspanningen verlangd kunnen worden zonder vertrouwensverlies en dat dit het bedrijfsbelang ernstig schaadt, bestond in de jaren dertig ook reeds. Men leze er de brieven en toespraken van de hoogtse ambtenaar belast met het Staatstoezicht op de Mijnen, prof.mr.dr.ir Van Waterschoot van der Gracht op na. „Het is natuurlijk uit een oogpunt van ijskoud bedrijfsbelang wenschelijk, dat ook de lichamelijke prestaties der arbeiders zoo hoog mogelijk zij, ten minste dit moge oppervlakkig zoo schijnen. Is zelfs dit echter in werkelijkheid waar ? Afgezien van de vraag of het ethisch geoorloofd is uitsluitend rekening te houden met de bedrijfsbelangen, moeten wij toch ernstig onder oogen zien of een dergelijke politiek inderdaad in het belang der bedrijven zou zijn” schreef hij tijdens de depressie aan de particuliere mijnondernemers.

Een recent onderzoek van een Amerikaans onderzoekbureau bevestigt het:  managers vinden de ondernemingscultuur voor het succes van hun bedrijf veel belangrijker dan de strategie. Maar aan de bedrijfscultuur wordt in dit boek weinig aandacht besteed. Die bedrijfscultuur was in de jaren dertig in ieder geval schadelijk voor het bedrijf op langere termijn, hetgeen zou blijken in de periode van gezagsloosheid direct na de bevrijding.

Geringe sympathie
Herhaaldelijk drukken de auteurs hun verbazing uit over de geringe sympathie die de ON Mijnen genoten in de publieke opinie. Een artikeltje in een vakbondskrant uit 1908 illustreert volgens de auteurs dat in de Mijnstreek al bij voorbaat een afkeer bestond tegenover de leiding van het Franse moederconcern. Maar meer dan verwachtingen van een enkele niet geïnformeerde vakbondsman, zal het daadwerkelijk optreden van het De Wendelconcern en haar vertegenwoordigers daarvoor verantwoordelijk zijn geweest. De reserves verdwenen eigenlijk nooit. Tijdens de periode van herindustrialisatie waren kritische stemmen over de ON Mijnen verre in de meerderheid. Want hoe voorzichtig en met hoeveel begrip voor de eigenaren van het De Wendelconcern de auteurs in het algemeen ook steeds het beleid van de Franse bestuurders schetsen, bij de lezer blijft met name de indruk achter dat het concern De Wendel nooit oprecht van plan was zich actief te bekommeren om het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in Limburg. Dat is uiteraard ook niet de taak van een ondernemer, vooral niet als die zo juist zijn bedrijf sluit, en een mooie gelegenheid ziet als investeringsbedrijf verder te gaan, maar het was beter geweest daar bij voorbaat geen misverstanden over te laten ontstaan. Nu overheerst de gedachte dat de Oranje-Nassaugroep zijn olie-en gasbelangen kon verwerven dankzij de steungelden die zij kreeg voor de sluiting van hun bedrijven en voor het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in Limburg. En natuurlijk was die strategie naar de letter van de overeenkomst met de overheid mogelijk, maar de vraag waarom velen de ON-Mijnen minder sympathiek vonden heeft ook te maken met de vraag hoe oprecht en waarachtig uitgesproken intenties waren.

De verklaring voor de aanvankelijk geringe sympathie voor het De Wendelconcern lag vooral in de geringe bereidheid van De Wendel om zich aan te passen aan lokale omstandigheden en in het incidentele optreden van sommige leden van de directie. De auteurs vatten die ontwikkeling samen onder de noemer ‚de integratie in de Nederlandse verhoudingen’ en suggereren dat de lokale samenleving uit dankbaarheid voor die poging tot integratie, zich van kritiek op het bedrijf meer zou hebben moeten onthouden.

Van een integratieproblematiek was echter geen sprake. Het devies „Think globally, act locally” was ook in de jaren twintig niet onbekend, maar scheen nauwelijks doorgedrongen te zijn tot de bestuurskamers van het de Wendelconcern. Aarzelend werd pas in 1921 in de persoon van ir. C.E.P.M. Raedts de eerste Delftse ingenieur in dienst genomen. En weliswaar steunden de ON Mijnen tal van katholieke sociale acties en activiteiten net zo ruimhartig als de Staatsmijnen, (waardoor mgr.dr.Poels er begin jaren twintig geen bezwaar tegen had een deel van de Staatsmijnen te verkopen aan het ‘katholieke’ De Wendelconcern) maar een antiklerikale directeur die per aangetekend schrijven aan de deken van Heerlen zijn uittreden uit de RK Kerk bekendmaakt, interpreteert het “act locally” op een wijze die in een homogeen katholieke regio weinig sympathie losmaakte. Anderzijds voelde hij de lokale situatie haarfijn aan toen hij –Haex- zich haastte om persoonlijk te interveniëren ten gunste van een mijnwerkersweduwe die haar pensioen dreigde kwijt te raken, al was het slechts omdat hij op die wijze de vakbond een hak kon zetten die de weduwe in de kou liet staan. De Franse directeur die midden in de depressie in zijn villa een groots en vooral luidruchtig feest organiseerde met veel vuurwerk werd er daarentegen publiekelijk op aangesproken dat hij te weinig rekening hield met de locale gevoelens. In het boek zijn dergelijke ‘petite histoires’ helaas nauwelijks terug te vinden. Zoals in het algemeen de schets van de karakter van de directieleden vrij vlak blijft.

In een bedrijfsgeschiedenis zou de rol van de ondernemer prominenter belicht moeten worden; de lezer verwacht een schets van de persoon van de ondernemer met vragen als herkomst, opleiding, sociale status en macht binnen de regio en het land waar het bedrijf actief. Studie van bijvoorbeeld Haex’ optreden in de talrijke organisaties waarvan hij lid was -van de Hoge Raad van Arbeid tot de gemeenteraad van Heerlen - zou een duidelijker beeld van de meest markante directeuren van de ON Mijnen hebben opgeleverd.

Paternalisme?
Het Huis De Wendel voerde volgens de auteurs ‚een traditioneel paternalistisch beleid’ en in het verlengde daarvan was „ goede huisvesting voor de arbeiders, zodat deze een stabiel gezinsleven konden leiden“, een prioriteit. De vraag of het begrip paternalisme een verklaring zou kunnen bieden voor het huisvestingsbeleid van De Wendel moet, in ieder geval voor de Oranje Nassau mijnen, worden betwijfeld. François de Wendel wordt in de Franse historische literatuur beschouwd als een patriarchaal ondernemer. Dat heeft betrekking op zijn lokaal optreden als staalmagnaat in Joeuf. Zijn politieke carrière had hij voor een belangrijk deel te danken aan de stemmen van het mijnwerkersproletariaat dat hem steunde als lokale katholieke patriot in zijn houding jegens de Franse kerk en als voorstander van de opbouw van een sterk leger tegen Duitsland. In de relatie tussen het De Wendelconcern en zijn dochterbedrijven was van patriarchale verhoudingen echter geen sprake. Prof.ir. F.K.Th van Iterson die bij de Staatsmijnen o.a. verantwoordelijk voor de huisvesting, merkte op dat de leidraad van de mijnondernemer was dat de beschikking over goede woningen hem het aanbod garandeerde van de keurtroepen van de mijnwerkers. Wie genoeg woningen bezat, had nooit tekort aan goede arbeidskrachten.  De Duitsche statistieken toonden volgens van Iterson aan, dat de mijnen, die het meest in woningbouw investeerden het beste rendeerden. Het succes van een mijnbouwonderneming wordt voor een belangrijk deel verklaard door het aanbod, de kwaliteit en de loyaliteit van een vaste mijnwerkersstam. En daarvoor waren huizen onmisbaar. De marges voor mijnondernemers waren vrijwel altijd smal, gezien de hoge kapitaalinvesteringen, de lange voorbereiding van de aanleg van de mijnen, de relatief hoge vaste lasten, en het weinig aantrekkelijke ondergrondse werk. De aard van het werk en de organisatiestructuur van de moderne steenkolenmijnbouw die moest overleven op internationale afzetmarkten leenden zich niet voor paternalistische verhoudingen, al was het de mijnondernemers veel aan gelegen de mijnwerkers aan het bedrijf te binden middels hun huisvesting, een breed pakket van sociale voorzieningen, steun aan alles wat orde en rust bevorderde en de organisatie van de vrije tijd en ontspanning van de mijnwerkers.

De auteurs schetsen vooral een boeiend beeld van de langdurige relatie tussen het belangrijkste particuliere moeder- en dochterbedrijf in de Nederlandse steenkolenmijnindustrie. Maar de in de inleiding beloofde omvattende bedrijfsgeschiedenis van de Oranje-Nassau mijnen biedt de studie niet. Daartoe ontbreken wezenlijke thema’s in het ondernemersbeleid, hadden de niet economische-omgevingsfactoren waarbinnen de ON Mijnen opereerden meer aandacht moeten krijgen en op onderdelen een breder perspectief moeten worden geschetst dan hetgeen de ondernemer slechts wenste waar te nemen. Want opvallend vaak interpreteren de auteurs doelstellingen, beleid en optreden van de eigenaren en directies van de Oranje-Nassau mijnen positief ook op momenten dat de lezer twijfelt of een alternatieve interpretatie niet ook mogelijk is. Voor een belangrijk deel zal dat in de hand zijn gewerkt door de eenzijdig geraadpleegde bronnen. Maar een bijdrage aan een integrale geschiedenis van de moderne mijnindustrie in Nederland vormt dit fraaie boekwerk zonder meer en ook een stimulans om een aantal aangestipte thema’s verder uit te werken.

Loek Kreukels 07-07-2009

Wilt u reageren? Stuur ons een mail: info@demijnen.nl . Wij plaatsen uw reactie onder de recensie.

 

<< terug