Buitenlandse arbeiders in de steenkolenmijnen van Luik en Nederlands-Limburg


Sociaal Historisch Centrum voor LimburgOnderstaand artikel, van Serge Langeweg en Leen Roels, gaat in op het onderwerp van buitenlandse arbeiders in de mijnen van Luik en Nederlands Limburg. Door het vergelijkend perspectief wordt duidelijk hoe de situatie in twee dicht bij elkaar gelegen mijnbouwgebieden als Luik en Limburg de situatie compleet anders kon zijn, en geeft daarmee ook de Limburgse mijnbouwgeschiedenis zijn plaats. Bovendien wordt Luik vaak 'vergeten' als het over het mijnbouwverleden van de Euregio gaat.

Het artikel is eerder geplaatst in de Studies over de Sociaal-Economische Geschiedenis van Limburg / Jaarboek van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg deel 53 (2008), p 89-115. Samen met dit artikel bevat het jaarboek een viertal andere publicaties over het steenkolenmijnen, te weten:
  • Ben Gales, 'Goed betaald? Mijnwerkerslonen en arbeidsmarkt in het Nederlands-Duits-Belgische grensgebied in de achttiende en negentiende eeuw' (pp 57-87)
  • Ad Knotter, 'Grenzen aan de loonpolitiek. de langzaam-aan-actie van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkers Bond (1957) tussen nationale integratie, grensligging en katholiek regionalisme.' (pp 117-157)
  • Eva Hacking, 'De Limburgse mijnwerkers in films en televisieprogramma's. Een overzicht.' (pp 159-178)
  • Fotokatern m.m.v. Leentje Mostert, 'Groeten uit de mijnstreek. Fotograaf Hub Leufkens en de mijnen.' (pp 179-194)

Meer informatie over het jaarboek en bestelinformatie vindt u op www.shclimburg.nl, via de knop Publicaties. 

Met dank aan redactie van SSEGL.

 
Buitenlandse arbeiders in de steenkolenmijnen van Luik en Nederlands-Limburg in de twintigste eeuw: een vergelijking, Serge Langeweg & Leen Roels (download als PDF>>)
Steenkolenmijnbouw in Luik en Nederlands-Limburg: een karakterisering
 
Figuur 1: De steenkolenbekkens van Luik en Nederlands-Limburg
 
De geschiedenis van de steenkolenwinning in zowel de streek rond Luik in het tegenwoordige België als in de huidige Nederlandse provincie Limburg gaat met zekerheid terug tot de middeleeuwen.[1] Begonnen als kleinschalige dagbouw in open groeves ontwikkelde zich de exploitatie van de kolenlagen geleidelijk tot ondergrondse winning in steeds dieper wordende mijnen. De steenkolenwinning rond Luik profiteerde in de negentiende eeuw volop van de Industriële Revolutie die na 1830 van het jonge koninkrijk België een van de leidende industriële naties van het Europese continent maakte. De twee à drie mijnen in de Nederlandse provincie Limburg daarentegen gingen na de Franse tijd bijna een eeuw van stagnatie tegemoet.[2] Pas met de opening in 1899 van de Oranje-Nassaumijn in Heerlen begon de Nederlandse mijnbouw aan een periode van snelle expansie. De steenkolenwinning in Luik was op dat moment al lang een gevestigde industrie. In het laatste jaar van de negentiende eeuw produceerden de Luikse mijnen 5.849.000 ton steenkool. In totaal werkten er 30.700 mijnwerkers. [3]  De netto-productie van de Nederlandse steenkolenmijnen, vijftig kilometer noordelijker, stak daar met 212.972 ton erg schril bij af. Het aantal mijnwerkers dat 813 bedroeg, ook. [4] 
 
 
Grafiek 1: Nettoproductie bij de Nederlandse en Luikse steenkolenmijnen, 1900-1974 (in duizend ton)
Grafiek 1. Nettoproductie bij de Nederlandse en Luikse steenkolenmijnen, 1900-1974 (in duizend ton)
Bronnen: Verslag van den (Hoofd-) Ingenieur resp Inspecteur-Generaal der Mijnen; Annales des Mines de Belgique.
 
In de loop van de twintigste eeuw zouden de verhoudingen geheel omkeren, zoals de grafieken 1 en 2 laten zien. In 1924 bereikten de Nederlandse mijnen voor het eerst een hogere productie dan de Luikse. Vijf jaar later passeerde ook de personeelsbezetting van de gezamenlijke Nederlandse mijnbedrijven (tijdelijk) die van de zuiderburen. Vanaf 1939 werd die situatie structureel. (grafiek 2)
 
 
Grafiek 2: Het aantal arbeiders (ondergronds en bovengronds) in de Nederlandse en Luikse mijnen, 1904-1973
Grafiek 2. Het aantal arbeiders (ondergronds en bovengronds) in de Nederlandse en Luikse mijnen 1904-1973
Bronnen: Verslag van den (Hoofd-) Ingenieur resp Inspecteur-Generaal der Mijnen; Annales des Mines de Belgique.
 
Zoals uit tabel 1 blijkt, was de Nederlandse mijnbouw veel grootschaliger opgezet dan de steenkolenwinning in Luik. Een enkel voorbeeld kan dat beeld verder illustreren: in 1938 had  de kleinste mijnonderneming in Nederland, Willem-Sophia in Kerkrade, 1404 arbeiders in dienst. Daarentegen was de kleinste Luikse mijn, Arbre Saint Michel, met 99 arbeiders bijna vijftien maal zo klein. Het grootste mijnbedrijf in Nederland, Staatsmijnen, had een totale bezetting van 19.031 mijnwerkers[5], verdeeld over vier ontginningszetels. Dat was ruim het vijfvoudige van de grootste Luikse mijn, Hasard, een bedrijf dat zeven ontginningszetels exploiteerde met een totaal van 3480 mijnwerkers.[6] De gemiddelde productie van de Nederlandse mijnzetels bedroeg in 1938 het tienvoudige van de Luikse mijnen.
 
Tabel 1. De steenkolenmijnen in Nederland en Luik: aantal zetels, gemiddelde productie per mijnzetel (in duizend ton) en gemiddelde ondergrondse personeelsbezetting per mijnzetel
 

 
 
Nederland
 
 
Luik
 
Jaar
zetels
gem. productie
gem. bezetting
zetels
gem. productie
gem. bezetting
1904
3
149
499
76
77
340
1913
7
267
1118
73
82
390
1928
12
895
2060
64
90
412
1938
12
1124
1829
46
119
451
1948
12
919
2029
45
90
423
1958
12
990
2646
22
184
899
1970
8
541
915
7
185
556
1975
0
0
0
3
134
 

Bronnen: Nederland: Verslag van de (Hoofd-) Ingenieur, Inspecteur-Generaal der Mijnen (1904-1970); Luik: Annales des Mines (1904-1958), Basisstatistieken over de kolenindustrie (1970 en 1975)
 
Na de Tweede Wereldoorlog konden beide mijnbouwregio’s profiteren van de wederopbouw, al bleven de verschillen in schaal bestaan. Bovendien bleek de naoorlogse productiepiek van de Luikse mijnen een aantal jaren vroeger te liggen dan in Nederland. In 1953 kwam vijf miljoen ton kolen uit de Luikse mijnen naar boven. De jaren daarna gaven een gestage daling van de productie te zien. De naoorlogse top van de productie in de Nederlandse mijnen werd  pas in 1960 bereikt met 12,5 miljoen ton. Bij de ontwikkeling van de personeelsbezetting is het beeld analoog: in Luik viel het hoogtepunt al in 1948, toen de gezamenlijke mijnen 33.000 arbeiders in dienst hadden. De arbeidersbezetting bij de Nederlandse mijnen groeide nog een decennium door. In 1958 hadden de mijnen met ruim 56.000 arbeiders de grootste personeelsbezetting uit hun geschiedenis. De kolencrisis die dat jaar zijn invloed deed voelen op de afzetmogelijkheden van de mijnindustrie in Europa betekende het omslagpunt voor de Nederlandse mijnbouw. In Luik versnelde de crisis het proces van neergang dat al een decennium aan de gang was. Nadat eind 1965 de Nederlandse regering de gefaseerde beëindiging van de mijnbouwactiviteiten had aangekondigd, ging het snel. Op 31 december 1974 kwam de laatste Nederlandse steenkool aan de oppervlakte. In het Luikse bekken sloot de laatste mijn in 1980.
 

Rekruteringsstrategieën

 
Gedurende hun periode van produceren in de twintigste eeuw kenden de mijnen in beide gebieden problemen met de personeelsvoorziening. Mijnarbeid was geen pretje en dat ervoeren de mijnondernemingen bij hun pogingen voldoende en geschikt personeel te rekruteren. Mijnondernemingen waren gebaat bij een stabiele arbeidersbezetting met weinig verloop. Hun voorkeur ging daarom uit naar arbeidskrachten die in de streek geworteld waren en liefst het vak van mijnwerker aan hun zonen zouden doorgeven. Het ontstaan van een beroepstraditie in de regio, dat was het ideaalbeeld dat de mijnen voor ogen stond. Het slechte imago van het ondergrondse mijnwerk was geen exclusief probleem van de Nederlandse en Luikse mijnen. Overal in de Europese mijnbouwregio’s waren er moeilijkheden arbeiders de mijn in te krijgen: ‘It is invariably said by miners that pitwork can never be other than an unpleasant, dirty, dangerous and difficult job.’, constateerden auteurs die een mijnbouwgemeenschap in het Engelse graafschap West-Yorkshire onderzochten.[7] Lokale arbeiders wilden dat weinig begerenswaardige werk vaak niet. Velen zochten pas hun toevlucht tot een baan in de steenkolenwinning als alternatieven om aan de kost te komen, waren uitgeput. Mijnbedrijven moesten dan ook met regelmaat een beroep doen op arbeiders van buiten de eigen streek. Niet zelden waren die afkomstig uit economisch minder ontwikkelde regio’s. Met tijdelijke, relatief goed betaalde mijnarbeid hoopten deze arbeidsmigranten wat spaargeld te vergaren om tezijnertijd thuis een beter bestaan op te kunnen bouwen.
Zowel het tijdelijke karakter van hun verblijf in de mijn als hun oververtegenwoordiging in de minst aantrekkelijke functies gaf de migranten in het algemeen een specifieke plaats op de arbeidsmarkt voor mijnwerkers. Ze hadden als het ware een bufferfunctie. Ze vormden een reserveleger van arbeiders waarmee tijdelijke discrepanties tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt konden worden opgevangen, een mechanisme dat bij arbeidsmigratie vaker is geconstateerd.[8] In feite was er sprake van een dubbele arbeidsmarkt, met enerzijds een intern segment van meest preferente groepen, met vaste werkgelegenheid en stabiele arbeidsmarktverhoudingen, en anderzijds een extern segment van tijdelijke arbeidskrachten, waartoe doorgaans minder preferente groepen als arbeiders van buitenlandse afkomst behoorden.
Zeker in nieuwe en snel expanderende mijnbouwgebieden speelden migranten echter ook een rol bij de overdracht van kennis en vaardigheden op hun in mijnarbeid ongeschoolde autochtone collega’s. Dit mechanisme is ook in andere bedrijfstakken als de mijnbouw geconstateerd.[9] Door hun ervaring en de belangrijke rol die zij in het bedrijf spelen als opleiders kan deze categorie migranten eerder gerekend worden tot het interne of primaire segment van de arbeidsmarkt.
 De mate waarin de mijnbedrijven besloten om buitenlandse mijnwerkers in dienst te nemen dan wel te ontslaan, vormt dus een graadmeter voor de stand van de regionale en nationale arbeidsmarkt voor mijnwerkers, zowel kwantitatief als kwalitatief.
In dit artikel wordt de buitenlandse arbeidsmigratie naar de Nederlandse en Luikse mijnen onderzocht. Grafiek 3 laat de absolute ontwikkeling van de aanwezigheid van buitenlandse migranten zien in beide mijnbouwregio’s, grafiek 4 toont hun percentuele aandeel in de totale personeelssterkte.[10] Frappant is de rigoureuze omslag sinds het midden van de jaren dertig. Stelden de Luikse mijnen voor die tijd aanzienlijk minder buitenlandse mijnwerkers te werk dan de steenkoolwinningsbedrijven in Nederland, vooral na de Tweede Wereldoorlog werd de verhouding tussen beide regio’s drastisch omgekeerd. De belangrijkste vraag die in dit artikel aan de orde komt, is waarom deze omslag plaats vond. Ook zal de herkomst van de arbeidsmigranten in beide regio’s in beeld worden gebracht. In het artikel is een tweedeling aangebracht: in het eerste deel wordt de periode tot 1935 behandeld. De daaropvolgende vier decennia zijn onderwerp van het tweede gedeelte.
 
Grafiek 3: Het aantal buitenlandse mijnwerkers (ondergronds en bovengronds) in de Nederlandse en Luikse steenkolenmijnen, 1905-1973
 
Grafiek 3. Het aantal buitenlandse mijnwerkers (ondergronds en bovengronds) in de Nederlandse en Luikse steenkolenmijnen, 1905-1973
Bronnen: Eigen berekening op basis van Verslag van den (Hoofd-) Ingenieur resp Inspecteur-Generaal der Mijnen; Annales des Mines de Belgique.
 
 
Grafiek 4: Het percentage buitenlandse mijnwerkers (ondergronds en bovengronds) in de Nederlandse en Luikse steenkolenmijnen, 1905-1973
Grafiek 4. Het percentage buitenlandse mijnwerkers (ondergronds en bovengronds) in de Nederlandse en Luikse steenkolenmijnen, 1905-1973
Bronnen: Verslag van den (Hoofd-) Ingenieur resp Inspecteur-Generaal der Mijnen; Annales des Mines de Belgique
 
 
 

I De periode 1900 - 1935

 
De Nederlandse mijnen: opbouw van een mijnwerkerstraditie
Bij de Nederlandse mijnen steeg het aantal buitenlanders van 429 (17 procent van de totale arbeidersbezetting) in 1905 tot 11.969 (32 procent) in 1930. Deze sterke absolute en relatieve toename duidt op tekorten op de regionale en nationale arbeidsmarkt voor mijnwerkers. Het gebied waar na 1900 de mijnen verschenen, was van oudsher een rurale streek zonder industriële traditie van betekenis. Behalve voor de naar schatting 1500 ervaren mijnwerkers uit het grensgebied tussen Kerkrade en Schinveld, die rond de eeuwwisseling in de twee kleine mijnen bij Kerkrade werkten, of dagelijks naar een van de steenkolenmijnen vlak over de grens in de streek rond Aken pendelden, was de mijnarbeid diep onder de grond voor de Zuid-Limburgse beroepsbevolking een onbekend en onbemind métier.[11] Van meet af aan zagen de mijndirecties zich daarom gedwongen om voor een kwantitatief en kwalitatief adequate personeelsvoorziening ook een beroep te doen op arbeidsmigranten van buiten Limburg. Buitenlandse mijnwerkers genoten zeker niet de voorkeur in het rekruteringsbeleid van de mijndirecties. Al in 1909 gaf de Hoofd-Ingenieur der Mijnen, de hoogste ambtenaar van Staatstoezicht op de Mijnen, in zijn jaarverslag een preferentielijst van rekruteringsbronnen.[12] Helemaal onderaan zijn lijst van preferente groepen stonden buitenlandse mijnwerkers. Pas wanneer zou blijken dat onvoldoende arbeiders aangetrokken konden worden uit 1) de mijnstreek, 2) de rest van de provincie Limburg of 3) Nederland, waren 4) buitenlanders aan de beurt.
In de praktijk bleken vooral geschoolde mijnwerkers schaars. Deze vaklieden waren onmisbaar voor de mijnen in opbouw, maar op de Nederlandse arbeidsmarkt waren ze in onvoldoende mate aanwezig. Al vóór de Eerste Wereldoorlog werd daarom geprobeerd Nederlandse mijnwerkers die in het Ruhrgebied of in het Akense steenkolenbekken werkten, te bewegen naar de Limburgse mijnen te komen. Dat lukte aanvankelijk slechts ten dele. Een aantal factoren was verantwoordelijk voor dat geringe succes. Ontslag nemen bij een Duitse mijn had als consequentie dat de opgebouwde rechten op een uitkering bij ziekte, invaliditeit en ouderdom, verloren gingen. Bovendien had menigeen tijdens zijn vaak jarenlange verblijf in Duitsland daar een vriendenkring opgebouwd, die hij niet graag vaarwel zei. Niet onbelangrijk was ook dat de mijnen in Duitsland op dat moment veiliger waren dan de in aanbouw zijnde Limburgse mijnen. Voorts speelde de gebrekkige infrastructuur in Zuid-Limburg een rol. De mijnen vlak over de grens in Duitsland waren vaak beter en sneller te bereiken dan de nieuwe mijnen in Limburg zelf. Tenslotte waren de lonen in Duitsland een kleine twintig procent hoger dan in Limburg[13]
Pas de Eerste Wereldoorlog en de economisch-monetaire chaos, waarin Duitsland daarna belandde, hadden tot gevolg dat het voor Nederlanders onaantrekkelijk werd de carrière als mijnwerker in een van de Duitse mijnen voort te zetten. De Nederlandse mijnwerkers die zich in die situatie bij een Limburgse mijn aanmeldden, waren daar meer dan welkom. Dat nationale aanbod was echter bij lange na niet voldoende om aan de grote vraag te voldoen. Het aannemen van ervaren houwers uit het buitenland was en bleef onontkoombaar. In 1913 werkte van alle buitenlanders in de gezamenlijke Limburgse mijnen 87 procent ondergronds. In 1930 was dat percentage zelfs nog wat gestegen tot 89 procent.[14] Dat buitenlandse arbeidskrachten vooral werden aangenomen als geschoolde krachten voor het ondergrondse werk, was niet alleen van belang voor de productie, maar had ook een opleidingsdoel.[15] Nederlandse mijnwerkers leerden in de ondergrondse praktijk het houwersvak van hun ervaren buitenlandse collega’s. In de loop van de tijd bouwden de Limburgse mijnen op die manier een vaste kern van geschoolde Nederlandse mijnwerkers op. Daarmee verdween langzamerhand de afhankelijkheid van de Nederlandse mijndirecties van de ondergrondse vakman uit het buitenland.
De toename van het percentage buitenlanders in de mijn ging vooral ten koste van het percentage geboren Limburgers. In 1920 vormden de Limburgers ongeveer de helft van het personeelsbestand. De andere helft was nagenoeg gelijk verdeeld tussen Nederlanders geboren buiten Limburg en buitenlanders.[16] Tien jaar later was het percentage Limburgers  gedaald naar 43,4 procent; het percentage Nederlanders geboren buiten Limburg was slechts een fractie afgenomen tot 24,7 procent. Het percentage buitenlanders daarentegen was gestegen naar 31,9 procent.[17]
Tabel 2 geeft een indruk van de herkomst van de buitenlandse migranten. Opvallend is het zeer hoge percentage Duitsers onder de buitenlanders in de Nederlandse mijnen. Het jaar 1923 is een momentopname, gekozen omdat alleen in dat jaar een vergelijking met de samenstelling van de buitenlandse personeelsbezetting in de Luikse mijnen mogelijk is. Voor de Nederlandse mijnen staan echter vanaf 1905 jaarlijkse gegevens ter beschikking over de personeelssamenstelling naar nationaliteit.[18] Het jaar 1923 blijkt geen uitzondering wat betreft de overheersende positie van Duitsers in het buitenlandse gedeelte van de personeelsbezetting. Tot in de jaren dertig had meer dan de helft van de buitenlandse mijnwerkers in Limburg de Duitse nationaliteit. Zij waren in merendeel afkomstig uit nabijgelegen mijngebieden als het Ruhrgebied en de streek rond Aken. De Duitsers ondervonden doorgaans weinig aanpassingsmoeilijkheden in de Limburgse mijnstreek, waarvan de allochtone bewoners van oudsher hechte banden met de andere kant van de grens hadden en de Duitse taal min of meer machtig waren.[19]    
In de loop van de jaren twintig zouden de Polen, de Joegoslaven en de Italianen, groepen die in 1923 ook al vertegenwoordigd waren, absoluut en relatief echter toenemen. Eind 1930 waren er al 1.257 Polen (10,5 procent van de buitenlandse mijnwerkers), 1.155 Joegoslaven (9,6 procent) en 216 Italianen (1,8 procent).[20] Daarnaast waren er inmiddels  enkele honderden Tsjechen en Hongaren gearriveerd. De toegenomen diversificatie van de buitenlandse nationaliteiten houdt verband met een meer gestructureerde wervingspolitiek, waartoe de mijnbedrijven na 1920 overgingen.[21]
 
Tabel 2. Buitenlandse nationaliteiten in dienst van de Luikse en Nederlandse steenkolenmijnen in 1923, ondergronds en bovengronds
 

 
Luik
 
Nederland
 
 
N
%
N
%
Nederlanders
176
 7,0
             --
  --
Belgen
     --
 
351
5,4
Duitsers
74
2,9
5342
82,9
Oostenrijkers
3
0,1
375
5,8
Polen
764
30,5
135
2,1
Italianen
755
30,1
74
1,1
Joegoslaven
81
3,2
18
0,3
Noord-Afrikanen
418
16,6
           --
   --
Fransen
75
 3,0
             --
 --
Overigen
166
6,6
152
2,4
Totaal
2512
100
6447
100

Bronnen: Annales des Mines de Belgique (Brussel 1928) 246-247; Verslag van den Hoofd-Ingenieur der Mijnen over 1923.
 
In de loop van 1931 werd de mondiale economische crisis die twee jaar eerder was ingezet met het instorten van de beurs op Wallstreet, merkbaar in de mijnbouwsector. De mijnen reageerden met mechanisatie en rationalisatie. Dat beleid ging ten koste van de werkgelegenheid. Vooral de buitenlandse mijnwerkers werden getroffen door de golf van ontslagen, waartoe de mijnbedrijven overgingen. Aan het eind van 1930 hadden de gezamenlijke mijnen 11.969 arbeiders met een niet-Nederlandse nationaliteit in dienst. Vijf jaar later was dat aantal gedaald tot 4.564, een afname van 62 procent. In diezelfde periode nam ook het aantal Nederlandse mijnwerkers af, maar slechts met 5,3 procent. De daling van de in Limburg geboren mijnwerkers was met 2,7 procent nog geringer.[22] Duidelijk is dat het ontslagbeleid van de mijndirecties en de werkgelegenheidspolitiek van de Nederlandse overheid in de crisistijd erop gericht waren zoveel mogelijk de Nederlandse arbeiders te ontzien.[23] Voor het eerst kregen de mijndirecties in de jaren dertig te maken met een ruime arbeidsmarkt en konden ze opteren voor de meest preferente groep: jonge autochtone arbeiders die geworteld waren in de regio. Het werd een beleid, dat ook na de crisis kon worden voortgezet: een regionale beroepstraditie kon opkomen.
 

De Luikse mijnen: teloorgang van een mijnwerkerstraditie

Waar de Nederlandse mijnen in de opbouwfase tot omstreeks 1930 alles in het werk moesten stellen om de regionale arbeidskrachten te interesseren voor het beroep van mijnwerker, hadden de directies van de Luikse mijnbouwbedrijven problemen om de traditionele kern van mijnwerkersfamilies, die in de loop van de negentiende eeuw was ontstaan, vast te houden.[24]
Vanaf omstreeks 1890 leidden ontwikkelingen aan zowel de vraag- als aanbodzijde van de arbeidsmarkt tot structurele wijzigingen van de personeelssamenstelling bij de Luikse mijnen. De vraag naar mijnwerkers steeg snel, toen de markt voor huisbrandkolen tengevolge van veranderende stookgewoonten veel groter werd. In Luik, waar veel steenkool voor huishoudelijk gebruik werd ontgonnen, steeg de werkgelegenheid voor mijnwerkers in de volgende decennia spectaculair. De jaren tussen 1880 (22.305 mijnwerkers) en 1913 (38.432 mijnwerkers) lieten bijna een verdubbeling zien van het aantal werknemers in de Luikse steenkolenmijnen.[25]
De personeelsvoorziening kwam in gevaar door ontwikkelingen aan de aanbodzijde. Aan het eind van de negentiende eeuw begon de traditionele mijnwerkersbevolking een ambitie te ontwikkelen om haar kinderen uit de mijnen te houden en vaker te kiezen voor alternatieve werkgelegenheid, daarbij geholpen door de uitbouw van het stelsel van beroepsonderwijs.[26] Deze mentaliteitsverandering uitte zich in de keuze om minder kinderen te nemen, zodat deze meer mogelijkheden kregen.[27] De traditie om van vader op zoon in de put af te dalen, begon geleidelijk aan te verdwijnen.
Daarnaast emigreerden veel Waalse gespecialiseerde arbeiders en technici naar Frankrijk vanwege de betere inkomensvooruitzichten aldaar. Het tekort aan Waalse arbeidskrachten werd verder versterkt door het in 1892 in werking tredende verbod op mijnarbeid voor vrouwen en kinderen.[28] Deze fundamentele wijzigingen aan de vraag- en aanbodzijde leidden vanaf het begin van de twintigste eeuw tot een noodzakelijke uitbreiding van regionale naar landelijke rekrutering. Vooral na de agrarische crisis van 1885 kwamen veel Vlamingen op de werkgelegenheid in de Luikse mijnen af. Het invoeren van goedkope spoorwegabonnementen als strategie van de katholieke regering om het tekort aan arbeidskrachten in de industrie met het overschot uit de agrarische sector op te vangen, zorgde ervoor dat veel Vlamingen naar de Waalse industriebekkens trokken.[29] Sommigen pendelden dagelijks of wekelijks naar de industriële centra en velen vestigden zich uiteindelijk in Luik.[30] Uit de industrietellingen van 1910 blijkt dat er 3.506 Vlaamse pendelaars te vinden waren in het Luikse, waarvan 45,2 procent (1.585) tewerkgesteld in de mijnen; dat kwam neer op ruim vier procent van de totale personeelsbezetting. Ze waren vooral afkomstig uit de arrondissementen Hasselt, Leuven en Tongeren.[31]
De migratiestroom van Vlamingen naar Luik hield bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 op. Na de oorlog dienden zich alternatieven voor de Vlaamse arbeiders aan. Wie koos voor het beroep van mijnwerker, kon voortaan dichter bij huis terecht, in het nieuw ontgonnen Belgisch-Limburgse steenkolenbekken.[32] Dat leverde tijdwinst op: deze Vlamingen hoefden dan immers niet meer zo ver te pendelen. Toch bleven er voorlopig nog heel wat Vlamingen in Wallonië werken, omwille van de onveilige werkomstandigheden, het hoge arbeidsritme en de autoritaire sociale verhoudingen in de nog jonge Belgisch-Limburgse mijnen. De vooruitgang in de metaalindustrie en bouwnijverheid aan het einde van de jaren twintig boden echter nieuwe mogelijkheden voor de Vlamingen en zodoende zagen de Waalse mijnen ze uiteindelijk toch vertrekken.[33]
De komst van deze Vlaamse arbeidskrachten was niet voldoende om het tekort aan lokale mijnwerkers te dekken. De leegloop van Walen uit de mijn bleek structureel. Zoals in de meeste andere mijnbekkens moesten ook de directies van de Luikse mijnen een beroep doen op mijnwerkers van buitenlandse afkomst. Toch bleek dit een geleidelijk proces, zoals uit grafiek 3 blijkt. In 1923 was het aantal mijnwerkers met een niet-Belgische nationaliteit in de Luikse mijnen nog beperkt. De 2.512 buitenlanders maakten slechts 5,7 procent van de totale arbeidskracht uit.[34] Dit geeft aan dat de Luikse mijnen toen nog in ruim voldoende mate terecht konden op de nationale arbeidsmarkt. Ook in 1930, het laatste normale jaar voor de Grote Depressie, was het aandeel buitenlanders in de Luikse mijnen weliswaar gestegen ten opzichte van zeven jaar eerder, maar bedroeg het met 16,3 procent slechts de helft van het percentage buitenlanders in de Nederlandse mijnbouw. Er waren zelfs Luikse mijnen die op dat moment vrijwel geen buitenlanders in dienst hadden ![35]
Tabel 2 laat nog een opmerkelijk verschil zien. Terwijl de Nederlandse mijnbouwondernemingen voor hun personeelsvoorziening ruimschoots konden putten uit het Duitse achterland, moesten de Luikse mijnen al vroeg een beroep doen op buitenlanders van verder weg. Twee nationaliteiten waren in 1923 relatief sterk vertegenwoordigd: Polen (33 procent) en Italianen (31 procent). Ook Noord-Afrikanen, de zogenaamde Maghrebijnen[36], maakten deel uit van de groep mijnwerkers van buitenlandse herkomst. In het geval van de Polen ging het vooral om ervaren mijnwerkers, rechtstreeks afkomstig uit de mijnbouwregio Silezië of om zogenaamde Ruhrpolen, die een arbeidsverleden als mijnwerker in het Duitse Ruhrgebied hadden. De Noord-Afrikaanse migratie naar België in die periode zou voortvloeien uit de migratiestroom die primair gericht was op Frankrijk. Aangetrokken door een beter loon voor gelijk werk, gingen de Maghrebijnen van de Franse naar de Belgische steenkoolmijnen.[37] Hoewel er vanuit Italië ook spontane migratie naar het Luikse bekken voorkwam, was de aanwezigheid van de groep Italianen in het Luikse vooral het resultaat van gerichte wervingsacties door Fédéchar (Féderation des Charbonnages de Belgique, de patroonsorganisatie van de mijnen), die daarmee begonnen was onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog in het kader van de naoorlogse wederopbouw. Voor de mijnbouwsector sloot Fédéchar in 1922 een eerste akkoord met de Italiaanse autoriteiten, waardoor een officiële rekrutering van kandidaat-mijnwerkers in Italië mogelijk werd.[38]
Zoals uit grafiek 3 blijkt, ontkwamen ook de Luikse mijnen niet aan de crisis van de jaren dertig. Opvallender is echter dat de afnemende werkgelegenheid niet in de eerste plaats op de buitenlandse arbeiders werd afgewenteld, zoals in Nederland gebeurde. In Luik nam het aantal Belgische mijnwerkers tussen 1930 en 1935 met 22,7 procent af, het aantal buitenlanders slechts met 16,2 procent. Dit wijst erop dat, ondanks de crisis, de vrijwillige uittocht uit de Luikse mijnen van zowel de regionale Waalse mijnwerkers als van de Vlamingen doorging. De traditionele Luikse mijnwerkersfamilies bleven volharden in hun eenmaal ingezette streven indien mogelijk de mijnen te verlaten. De Vlamingen uit het zuiden van Limburg en het Hageland zouden in de jaren dertig steeds vaker hebben geopteerd hun loopbaan als mijnwerker voort te zetten in de nieuwe Belgisch-Limburgse mijnen. [39] Terwijl bij de Nederlandse mijnen de crisis van de jaren dertig aanleiding was om een vaste kern van autochtone arbeidskrachten te vormen, was in Luik het omgekeerde het geval. Waalse en Vlaamse mijnwerkers keerden de Luikse steenkolenwinning voorgoed de rug toe. Een regionale traditie van mijnarbeid ging teloor: voortaan zouden de Luikse mijnen sterk afhankelijk worden van mijnwerkers uit het buitenland.
 
 

II De periode 1936-1970

 
De Nederlandse mijnen: een eigen beroepsleger van mijnwerkers
Het economisch herstel in de tweede helft van de jaren dertig leidde in Nederland niet tot het werven van nieuwe groepen buitenlanders. De groeiende behoefte aan mijnwerkers werd vrijwel geheel bevredigd door jonge autochtone arbeiders die direct na de lagere school naar de eigen opleidingen van de mijnen waren gegaan.[40] Ook de oorlogsjaren gaven geen aanleiding tot drastische veranderingen in het aantal buitenlandse mijnwerkers. De kleine schommelingen van jaar tot jaar in de periode tussen 1937 en 1943 kunnen worden verklaard door natuurlijk verloop. Pas de bevrijding van de Limburgse mijnstreek in september 1944 gaf aanleiding tot een exodus van buitenlanders. Vooral betrof het groepen met een (verondersteld) verdacht oorlogsverleden, die door de mijnen werden ontslagen.
Opmerkelijk is de ontwikkeling vanaf het eind van de jaren veertig. Hoewel de werkgelegenheid in de Nederlandse mijnen fors groeide – tussen eind 1946 en eind 1958 met ruim 20.000 man – kwam die toename slechts voor 14,4 procent op conto van mijnwerkers met een niet-Nederlandse nationaliteit. In de opbouwfase tussen 1905 en 1930 was het aandeel van de buitenlanders in de toegenomen werkgelegenheid in de steenkolenmijnen nog 33 procent geweest. Eind 1957 hadden de gezamenlijke mijnen het grootste naoorlogse aantal buitenlandse mijnwerkers in dienst: 5.883 man, elf procent van de totale personeelsbezetting.[41]
 Deze cijfers wijzen erop dat de mijnen in de naoorlogse jaren beter in staat waren hun personeel te rekruteren op de Nederlandse arbeidsmarkt. Die ontwikkeling kan deels worden verklaard door de uitbouw van een systeem van interne bedrijfsopleidingen en de relatieve aantrekkingskracht van het mijnbedrijf door de goede arbeidsvoorwaarden. Er is echter nog een verklaring mogelijk: de in vergelijking met de vooroorlogse periode hoge kosten van werving in het buitenland.
De uitbouw van interne bedrijfsopleidingen was voornamelijk gericht op jongens die direct na de lagere school kozen voor het beroep van mijnwerker. In 1945 waren de bestaande zogenaamde leesjongensopleidingen van de mijnbedrijven omgevormd tot Ondergrondse Vakschool (OVS).[42] Met de OVS streefden de mijnen twee belangrijke doelen na. De opleidingen zorgden voor scholing in mijnarbeid, die met de voortschrijdende mechanisatie van het ondergrondse bedrijf aan steeds hogere eisen moest voldoen. Maar wat misschien nog wel belangrijker was: een eigen opleiding gaf een zekere waarborg dat de arbeider het werk in de mijnbouw als zijn blijvend beroep nastreefde. De opbouw van een stabiele personeelsbezetting werd daardoor bevorderd.[43] Na een aarzelend begin slaagden de mijnen er door uitgekiende wervingsmethoden in het leerlingenaantal van de OVS fors te laten stijgen. De demografische ontwikkeling van Limburg maakte het mogelijk dat de mijnen uit een groot reservoir jeugdigen konden putten. Een vergelijking met de Luikse situatie is in dit verband tekenend. In 1947 telde de provincie Limburg voor elke bejaarde (ouder dan 64 jaar) 4,97 jeugdigen (jonger dan 15 jaar). In de mijnstreek was dit zelfs 5,71. In Luik was er voor elke 65+-er slechts 1,3 vervangende jeugdige arbeidskracht beschikbaar.[44] Via de OVS hebben duizenden Limburgse jongens hun weg naar het ondergrondse bedrijf gevonden. Tussen 1945 en 1969 stroomden bij de gezamenlijke mijnen in totaal 11.168 OVS-ers door naar het ondergrondse bedrijf; 764 anderen kregen een functie bovengronds.[45] Inderdaad bleek de OVS een positieve invloed te hebben op de binding aan het bedrijf. Degenen die na een mijnbouwopleiding ondergronds gingen, waren minder geneigd tot vertrek uit het bedrijf dan hun collega’s die geen specifieke vooropleiding hadden genoten.[46]
Als tweede reden voor het lage naoorlogse percentage buitenlandse arbeiders is gewezen op de relatieve aantrekkingskracht van de mijnbedrijven voor Nederlandse arbeiders van buiten de regio, dankzij de goede arbeidsvoorwaarden die werden geboden. Ondanks de grote krapte op de arbeidsmarkt waren de mijnen meer dan andere Limburgse industrieën in staat Nederlands personeel van buiten de regio te werven.[47] Dit gebeurde met behulp van intensieve wervingsacties eerst in Midden- en Noord-Limburg en later in Noordoost-Nederland. Deze volgorde gaf de preferenties van de mijndirecties aan. En niet ten onrechte. Uit onderzoek bleek dat de werving van arbeiders voor het ondergrondse bedrijf in Midden- en Noord-Limburg aanzienlijk meer succes had dan in de rest van Nederland. De belangrijkste oorzaak hiervan was dat de Midden- en Noord-Limburgers gebruik konden maken van pendelbussen die hen naar de mijn brachten. Hierdoor konden ze in hun vertrouwde dorpen blijven wonen. Nederlanders van verder weg daarentegen waren genoodzaakt in de mijnstreek te komen wonen.[48] Door de grote woningnood werden zij ondergebracht in gezellenhuizen en pensions, waar de heimwee snel kon toeslaan.[49] Onder deze categorie was het verloop zeer groot.[50]
Tenslotte lijkt nog een derde oorzaak een rol gespeeld te hebben: de afweging van kosten en baten van werving. In 1949 sloten de Nederlandse en Italiaanse overheden een akkoord over de werving van Italiaanse arbeiders. Met deze overeenkomst ging de overheid een belangrijke rol spelen in het vaststellen van de voorwaarden waaronder buitenlandse arbeiders in dienst mochten worden genomen.[51] Voor werkgevers betekenden de nieuwe regels voor werving in het buitenland dat wervingscampagnes langer gingen duren. Tussen de aanvraag om arbeidsmigranten te mogen werven en de aankomst van de nieuwkomers in het bedrijf konden vele maanden liggen.[52] Voordat de nieuwgeworven buitenlandse arbeiders daadwerkelijk ondergronds aan de slag konden, was een degelijke introductie en basisopleiding noodzakelijk. Dat betekende dat allerlei informatie- en opleidingsmateriaal in de landstaal van de migrant moest worden vertaald en tolken moesten worden aangesteld. Dat alles kostte tijd en geld. Daar stond tegenover dat het arbeidscontract van tijdelijke aard was. Weliswaar konden de mijnen het contract na afloop verlengen en zelfs omzetten in een vast dienstverband, maar dat betekende nog niet dat permanente vestiging de ambitie van de meeste buitenlandse nieuwkomers was. Dat blijkt uit het verloop. Na de categorie Nederlanders van buiten Limburg, was het verloop onder groepen aangeworven buitenlandse mijnwerkers in de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig in het algemeen het grootst.[53] Het feit dat veel arbeidsmigranten zich gebonden voelden aan hun wervingscontract – Nederlandse arbeiders hadden een dergelijke overeenkomst niet – voorkwam dat het verloop nóg groter zou zijn geweest.[54] Het is niet onwaarschijnlijk dat de drempel bij de rekrutering van buitenlandse arbeiders in de naoorlogse periode hoger is geweest dan vóór 1930, toen de mijnen in grote mate een beroep konden doen op Duitse arbeiders, die zich veelal spontaan aanboden. Dit grensoverschrijdende reservoir aan arbeidskrachten voor de mijnbouw leek na de oorlog nauwelijks meer aangesproken te kunnen worden.  
Wanneer grepen de personeelsdiensten van de mijnen in de naoorlogse jaren dan toch terug op de rekrutering van buitenlandse mijnwerkers? In het algemeen gebeurde dat pas wanneer het regionale, provinciale en nationale aanbod te gering was.[55] De pieken in de curve uit grafiek 3 geven een indruk wanneer zich een dergelijke situatie voordeed. De eerste periode dat buitenlandse mijnwerkers in versterkte mate werden geworven, waren de jaren onmiddellijk na de bevrijding. Door verschillende oorzaken, zoals vrijwillig of gedwongen ontslag, aanmelding of oproeping voor militaire dienst, was het aantal mijnwerkers aan het eind van 1944 scherp gedaald.[56] De mijnen stonden voor de opgave het personeelstekort op korte termijn op een adequaat niveau te brengen. Dat kon alleen lukken door ook een beroep te doen op de buiten-Nederlandse arbeidsmarkt.
Een tweede reeks van jaren dat de Nederlandse arbeidsmarkt voor mijnwerkers tekort schoot, begon in 1955 en duurde tot de tweede helft van 1957. Er bestond toen een enorm tekort aan arbeiders, niet alleen voor de mijnen, maar voor de industrie als geheel. ‘Hoewel ervan moet worden uitgegaan dat een gezonde ontplooiing van de mijnindustrie in de allereerste plaats moet steunen op Nederlandse arbeidskrachten, moest teneinde een behoorlijk functioneren van de bedrijven te waarborgen, gelet op de krappe arbeidsmarkt hier te lande en in Limburg in het bijzonder, in stijgende mate een beroep worden gedaan op buitenlandse arbeidskrachten’, noteerde de Inspecteur-Generaal der Mijnen in 1956 in zijn jaarverslag.[57] Eind 1957 kwam er een kentering. De arbeidsmarkt werd minder gespannen en de mijndirecties konden de werving van buitenlandse arbeiders opschorten.[58]
De mijndirecties moesten opnieuw een beroep doen op arbeiders van niet-Nederlandse afkomst in de jaren 1961 tot en met 1965. Dit keer was er meer aan de hand dan alleen een zeer krappe arbeidsmarkt met voldoende mogelijkheden om een baan buiten de mijn te krijgen. Nadat de kolencrisis van 1958 duidelijk had gemaakt dat de rol van steenkolen op de energiemarkt tanende was, was het vertrouwen van veel Limburgers in de toekomst van de werkgelegenheid in de mijnbouw afgenomen. Vooral jonge mijnwerkers zeiden het zware werk onderin vaarwel en maakten van de ruime werkgelegenheid in andere sectoren gebruik om hun beroepscarrière elders voort te zetten. Vanaf het eind van de jaren vijftig begon de Duitse arbeidsmarkt te lonken, waar tot 35 procent meer loon werd betaald.[59] In dezelfde jaren verdween de gunstige loonpositie van de mijnwerkers ten opzichte van arbeiders in andere industriële sectoren.[60] Het personeelsprobleem van de Nederlandse mijnen werd op die manier verhevigd. Ondanks een fors doorzettende arbeidsbesparende mechanisatie en rationalisatie was er niet alleen een voortdurend kwantitatief tekort, maar begonnen er ook kwalitatieve fricties te ontstaan, omdat door het vertrek van vooral jonge mijnwerkers zich een vergrijzing van de personeelsbezetting aftekende.
De problemen met de personeelsvoorziening werden zó groot, dat zelfs het natuurlijk verloop niet kon worden aangevuld. Het gevaar dreigde dat de kolenproductie niet op peil gehouden kon worden. Daarom besloten de mijndirecties in 1961 weer buitenlandse arbeidskrachten te rekruteren.[61] De volgende vier jaar tot aan de aankondiging van de mijnsluitingen in december 1965 werden gekenmerkt door een relatief sterke toename van het aantal mijnwerkers van buitenlandse herkomst, vooral in het ondergrondse bedrijf.
In de jaren na 1965 was er geen sprake meer van een normaal functionerende arbeidsmarkt voor mijnwerkers. De jaren stonden in het teken van een gefaseerde beëindiging van de steenkolenwinning. Voor het personeelsbeleid betekende dit dat de aandacht niet meer  primair was gericht op rekrutering, maar op afvloeiing, herplaatsing en omscholing. De daling van het aantal buitenlanders was een logisch gevolg van de geleidelijke afbouw van de personeelsbezetting. In de totale bezetting bleef het percentage buitenlanders tot het eind van 1969 echter vrij constant op twaalf à dertien procent. Maar in het begin van de jaren zeventig bleek dat de afvloeiing van jonge autochtone mijnwerkers veel sneller verliep dan was voorzien. Dat bracht de sluitingsoperatie in gevaar. Een essentieel onderdeel daarvan was de mijnen één voor één te sluiten. Dat zou de mogelijkheid bieden oudere mijnwerkers, die door hun leeftijd moeilijk herplaatsbaar waren, van de ene naar de andere mijn te laten doorschuiven, zodat ze hun overbruggings- of pensioenleeftijd als mijnwerker konden halen. Dat plan kon echter alleen slagen als men erin slaagde de productie bij de nog niet stilgelegde mijnen gedurende een aantal jaren op gang te houden. Daarvoor waren ook jonge mijnwerkers nodig. In een nieuwe wervingscampagne haalden de gezamenlijke mijnen in 1970 een groep van ongeveer zevenhonderd buitenlandse mijnwerkers naar Limburg.[62] Deze groep was verantwoordelijk voor de groei van het aantal buitenlandse mijnwerkers in dat jaar.
Tabel 3 geeft voor een aantal naoorlogse steekjaren de herkomst aan van de groep buitenlandse mijnwerkers.
 
Tabel 3. Buitenlandse nationaliteiten in dienst van de Luikse en Nederlandse steenkolenmijnen in 1954, 1958 en 1965 (ondergronds)
 

 
1954
 
 
 
1958
 
 
 
1965
 
 
 
 
Luik
 
Nederland
 
Luik
 
Nederland
 
Luik
 
Nederland
 
 
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
Nederlanders
1468
10,6
             --
  --
1097
7,8
             --
   -- 
185
2,4
             --
   -- 
Belgen
      --
  --
175
6,3
      --
   -- 
141
4,0
 
 
83
2,1
Duitsers
603
4,3
725
26,0
447
3,2
530
15,0
155
2,0
294
7,5
Oostenrijkers
      --
  --
32
1,1
      --
  --
186
5,3
 
 
62
1,6
Polen
1786
12,8
793
28,5
1264
9,0
585
16,6
490
6,2
320
8,1
Italianen
8880
63,9
93
3,3
8958
63,8
1245
35,2
2907
37,0
371
9,4
Joegoslaven
193
1,4
117
4,2
158
1,1
85
2,4
60
0,8
633
16,1
Fransen
83
0,6
             --
  --
71
0,5
             --
  --
37
0,5
             -- 
   -- 
Marokkanen
97
0,7
             --
   -- 
      --
  --
             --
   -- 
490
6,2
1368
34,9
Turken
     --
  --
             --
   -- 
      -- 
  --
             --
  --
1807
23,0
             --
  --
Spanjaarden
     --
  --
             --
  --
753
5,4
             --
  --
968
12,3
286
7,3
Grieken
     --
  --
             -- 
  --
583
4,2
             --
  --
444
5,6
             --
  --
Overigen
793
5,7
854
30,6
704
5,0
762
21,5
323
4,0
511
13,0
Totaal
13903
100
2789
100
14035
100
3534
100
7866
100
3928
100

Bronnen: Annales des Mines de Belgique (Brussel 1956) 93-94; ‘Technische kenmerken van de Belgische steenkolenontginning in 1958’ In: Extrait des Annales des Mines de Belgique (Brussel 1959) 826; ‘Technische kenmerken van de Belgische steenkolenontginning in 1965’ In: Extrait des Annales des Mines de Belgique (Brussel 1966) 1210; Verslag van de Inspecteur-Generaal der Mijnen over 1954, resp 1958 en 1965.
 
Wat onmiddellijk opvalt aan de Nederlandse cijfers in de tabel is het dalende aandeel buitenlanders uit de buurlanden België en vooral Duitsland. Waar Duitsers in de opbouwfase van de Nederlandse mijnbouw tot 1930 nog zeer prominent aanwezig waren, werd in de naoorlogse periode de koppositie onder de buitenlandse nationaliteiten ingenomen door migranten uit verder weg gelegen landen. In 1954 bleken de Polen zowel absoluut als relatief de grootste groep onder de buitenlandse mijnwerkers. Deze groep bestond uit enerzijds migranten die al in de jaren twintig naar Limburg waren gekomen en de crisisjaren als mijnwerker hadden overleefd, maar ook uit zogenaamde displaced persons (vooral Oost-Europeanen die hun woonplaats hadden moeten verlaten omwille van de oorlog of de nasleep ervan), die vlak na de oorlog door de mijnen in Duitse opvangkampen waren geworven, alsmede gedemobiliseerde militairen.[63]  
In 1958 hadden Italianen de koppositie onder de buitenlandse arbeiders in de Nederlandse mijnen overgenomen. Nadat de eerste naoorlogse groepen Italianen al in 1949 waren geworven op basis van het Nederlands-Italiaanse akkoord[64], was het nijpende tekort aan mijnwerkers in 1955 aanleiding geweest opnieuw tot rekrutering van Italiaanse arbeiders over te gaan. Die acties leverden de mijnen in totaal ruim drieduizend arbeiders op.[65] Het verloop onder de Italianen was echter groot.[66] Dat is de belangrijkste reden waarom in de jaren zestig hun aandeel scherp daalde. Vrijwillig vertrek kwam onder hen relatief vaak voor, en zij waren de belangrijkste slachtoffers van de kolencrisis van 1958-1960.
In het begin van de jaren zestig wierven de Nederlandse mijnen Spanjaarden en Joegoslaven; de meest opvallende groep in de jaren zestig en zeventig waren echter de Marokkanen. De eerste Marokkanen arriveerden eind 1963 in Limburg. Ze waren afkomstig van Noord-Franse mijnen. Deze groepen werden niet actief door de mijnbedrijven aangeworven, maar meldden zich spontaan aan.[67] Door hun ervaring met het werk ondergronds, werden ze graag door de mijndirecties aangenomen. Aan het eind van 1965 had één op de drie buitenlandse mijnwerkers in Nederland de Marokkaanse nationaliteit, vijf jaar later was dat aandeel gestegen tot bijna de helft. Vanaf 1970 wierven de Nederlandse mijnen rechtstreeks in Marokko. Ook die acties leverden vooral mijnwerkers op met ervaring, opgedaan tijdens eerdere verblijven in West-Europese mijnbouwregio’s.[68]
 

De Luikse mijnen: een vreemdelingenlegioen

In tegenstelling tot de situatie in Nederland, waren de Luikse mijnen in de tweede helft van de jaren dertig genoodzaakt de toenemende werkgelegenheid grotendeels op te vangen door de rekrutering van mijnwerkers van buitenlandse origine. Tussen eind 1935 en eind 1939 steeg het aantal arbeidsplaatsen in de Luikse mijnen met 698. Het aantal buitenlanders in de steenkolenwinning steeg in diezelfde periode echter met ruim 1.800: het proces van vervanging van Belgische arbeidskrachten door buitenlanders in de Luikse mijnbouw ging ook na de crisistijd dus gewoon door.
De jaren direct na de Tweede Wereldoorlog steeg het aantal buitenlandse arbeiders in de Luikse mijnen explosief: tussen eind 1944 en eind 1952 verzesvoudigde het contingent mijnwerkers met een niet-Belgische nationaliteit. In dezelfde jaren nam het aantal Belgen in de Luikse steenkolenwinning daarentegen met ruim drieduizend man af. Het was duidelijk dat in het algemeen Belgen de verouderde Luikse mijnen uit wilden. De afkeer van de lokale arbeidskrachten voor het beroep van mijnwerker was zeer groot, zeker voor het ondergrondse werk.[69] De Belgische overheid probeerde nog het tij te keren door de uitvaardiging van een mijnwerkersstatuut in april 1945. Daarin werden nieuwe mijnwerkers gelokt met loontoeslagen, extra vrije dagen, aanvullend pensioen en andere voordelen. Ook werden werkloze oud-mijnwerkers verplicht om werk in de mijnen te aanvaarden. De overheid streed een kansloze strijd. De reputatie van de verouderde Waalse mijnbouw bij de Belgische arbeiders was inktzwart geworden.[70] Nu er dankzij de economische opleving elders werk genoeg was, was de gevaarlijke en ongezonde arbeid onder de grond voor weinigen meer een serieuze optie. 
Tijdelijk soelaas bood de tewerkstelling van Duitse krijgsgevangenen. Eind 1945 werkten er 8.469 ondergronds in de Luikse mijnen. Een jaar later waren het er nog 7.795.[71]  Onder groeiende internationale druk moesten de krijgsgevangen in 1947 worden ontslagen. Hun vertrek leidde tot nieuwe inspanningen van de mijndirecties om vervangende arbeidskrachten te werven. Die werden weer voornamelijk in het buitenland gevonden. De enorme stijging van het aantal niet-Belgen in de Luikse mijnen in 1947 duidt daar op.    
Omdat de Belgen massaal deserteerden, werd de kolenslag[72] die premier Achille van Acker in 1945 had uitgeroepen, in de Luikse mijnen gestreden door een vreemdelingenlegioen. Waar die strijders aan het kolenfront vandaan kwamen, wordt duidelijk in tabel 3. In 1954 bestonden de buitenlandse troepen voor bijna tweederde uit Italianen. Al op 20 juni 1946 had Fédéchar met toestemming van de Belgische overheid een akkoord met de Italiaanse autoriteiten gesloten om een massale immigratie van Italiaanse werknemers te organiseren, in ruil voor de levering van Belgische steenkool voor het herstel van de Italiaanse economie.[73] Ongeveer 12.300 onder hen (samen met 1.200 vrouwen en 2.000 kinderen) bereikten van 1946 tot 1949 de Luikse mijnen.[74] De overeenkomst kwam echter onder druk te staan toen het ook in het buitenland steeds duidelijker werd hoe onveilig en zwaar verouderd sommige mijnen waren. Een ernstig ongeluk in de Charbonnage d’Ougrée-Marihaye (ten zuiden van de stad Luik) in 1953 leidde zelfs tot het tijdelijk stopzetten van de arbeidsmigratie naar de Belgische mijnen door de Italiaanse overheid.[75]
De Italianen in de Luikse mijnen werden qua aantal op ruime afstand gevolgd door de Polen. De eerste naoorlogse groep Poolse arbeidsmigranten kwam in 1945 naar België.[76] Zij behoorden, net als de Polen die onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse mijnen terechtkwamen, tot de groep displaced persons. In de lente van 1947 kwam een tweede groep Polen vanuit vluchtelingenkampen in Duitsland naar de Belgische steenkoolindustrie. Van hen kwamen er in 1947 naar schatting een paar duizend terecht in de Luikse mijnen.[77]
De derde groep buitenlanders in de Luikse mijnen waren de Nederlanders. In de meeste gevallen waren dit grenspendelaars, die door de Luikse mijnen in het zuiden van de provincie Limburg werden geronseld. Vaak zorgden de mijnen voor vervoer per autobus. De Nederlandse grensarbeiders werden gelokt met hogere lonen dan in de Nederlandse mijnen verdiend konden worden en vooral met een riante kinderbijslag. Het werd financieel gezien nóg aantrekkelijker voor Nederlanders om in een Belgische mijn te gaan werken, toen in 1949 de waarde van de Belgische frank ten opzichte van de gulden steeg en een jaar later de Belgische mijnwerkerslonen met achttien procent werden verhoogd. Voor honderden Limburgers wogen deze financiële voordelen op tegen de slechte reputatie die de Luikse mijnen hadden. In de eerste helft van de jaren vijftig bestond tien tot dertien procent van de ondergrondse bezetting van de mijnen van Blegny-Trembleur, Cheratte en Queue-du-Bois uit Nederlandse pendelaars.[78]
In de tweede helft van de jaren vijftig bleef de aanwezigheid van niet-Belgen in de Luikse mijnen zeer belangrijk. Omdat Belgen de mijnen in toenemende mate de rug bleven toekeren, steeg het aandeel van de buitenlandse mijnwerkers tussen 1952 en 1958 van 53 tot 58 procent. Toch blijkt uit grafiek 3 dat er schommelingen voorkwamen in de absolute aantallen buitenlanders. Leboutte toonde aan dat die schommelingen correleerden met de jaarlijkse kolenvoorraden van de mijnen. De grootte van die voorraden kan dienen als indicatie voor de afzetmogelijkheden.  In het algemeen bleek in de jaren vijftig toename van de kolenvoorraden gepaard te gaan met een afname van de werving van buitenlandse arbeiders.[79] Dat gebeurde in de jaren 1949-1950, 1953-1954 en 1958-1961. In die reeksen van jaren bleek het aantal buitenlanders sneller af te nemen dan het aantal Belgen. Een deel van de buitenlandse arbeidskrachten werd dus zeker gezien als reservisten, die konden worden afgedankt zodra ze niet meer nodig waren.[80] Anderzijds vond in tijden van goede afzetmogelijkheden (1951, 1955-1957 en 1962-1964) een toename van het aantal buitenlanders plaats. Overigens deed zich hier hetzelfde mechanisme voor als in Nederland: een opleving van de conjunctuur gaf meer alternatieve werkgelegenheid buiten de mijnbouw, en die gelegenheid werd door menigeen te baat genomen om de ondergrondse arbeid in te ruilen voor een aantrekkelijker baan elders.
De samenstelling van de buitenlandse bezetting in 1958 week weinig af van die van vier jaar eerder. Italianen maakten nog steeds de dienst uit, op eerbiedwaardige afstand gevolgd door de Polen en de Nederlanders. Voor het eerst verschenen er in de statistiek nu ook Spanjaarden en Grieken. De komst van deze nieuwe nationaliteiten hield verband met het opdrogen van de voor de Luikse mijnen traditionele Italiaanse arbeidsmarkt. Na de mijnramp  van Bois-du-Cazier in Marcinelle (bij Charleroi) in 1956, waar onder de 263 slachtoffers 136 Italianen te betreuren waren, zette de Italiaanse overheid de officiële migratie naar de Belgische mijnen stop. Weliswaar betekende dat niet dat ook de spontane migratie vanuit Italië ophield, maar  Fédéchar en de Belgische regering zagen zich genoodzaakt wervingscontracten te sluiten met andere landen, zoals Spanje (in november 1956) en Griekenland (in augustus 1957). [81]
De kolencrisis van 1958 was de doodsteek voor de toch al kwijnende Luikse mijnbouw. De personeelsbezetting kwam in een vrije val. Ook het aantal buitenlanders daalde. Aangezien de Belgische bezetting nóg sneller afnam, steeg het aandeel van buitenlandse mijnwerkers verder: in 1963 bedroeg het 64 procent, in 1968 68 procent en in 1971 70 procent. Halverwege de jaren zeventig waren er zelfs mijnen in het Luikse bekken, waar ondergronds geen Belg meer te vinden was. [82]
In de jaren zestig werd het rekruteringsveld opnieuw verbreed: ook Turken en Marokkanen werden nu structureel aangeworven.[83] In juli 1964 werd een bilateraal verdrag tussen België en Turkije gesloten, op 17 augustus 1964 volgde een akkoord met Marokko.[84] In tabel 3 is te zien dat in 1965 deze groepen de Luikse mijnen hadden bereikt. De Turken hadden zelfs de tweede plaats ingenomen achter de Italianen. Ook de Spanjaarden waren sterker vertegenwoordigd dan in 1958. Opvallend is verder dat de Nederlanders waren weggebleven. Met 2,4 procent was hun aandeel in de buitenlandse personeelsbezetting marginaal geworden.
Het structurele verval van de Luikse mijnbouw deed de attractiviteit van deze arbeidsmarkt sterk afnemen, ook voor buitenlanders. Niettemin bleef er grote vraag bestaan naar ondergronders. In 1969 werd een akkoord gesloten met Tunesië over de rekrutering van arbeiders voor de mijnen; een jaar later kwam een soortgelijk verdrag met Algerije tot stand. Deze landen leverden de laatste lichtingen voor het vreemdelingenlegioen, dat de Luikse mijnbouw nog tot 1980 in leven hield.
 
Besluit
De mate waarin werkgevers een beroep moeten doen op arbeiders van buitenlandse herkomst kan worden gezien als een graadmeter voor de regionale en nationale arbeidsmarkt. De steenkolenmijnen in de aangrenzende regio’s van de Nederlandse provincie Limburg en het bekken rond de Belgische stad Luik hebben in de twintigste eeuw regelmatig moeten terugvallen op arbeidsmigranten uit het buitenland. In de eerste drie decennia van de eeuw was de aanwerving van buitenlandse mijnwerkers in Nederland aanzienlijk groter dan in Luik. Dat is terug te voeren op de mate waarin er een regionale mijnwerkerstraditie was ontstaan. In het oudere Luikse mijnbouwbekken bestond er aan het begin van de eeuw een vaste kern van lokale en regionale families, waarin het beroep van mijnwerker werd overgedragen van generatie op generatie. Hoewel die traditie in de periode tot circa 1935 langzaam maar zeker begon te verdwijnen, konden de Luikse mijnen in die periode in redelijke mate putten uit de nationale en regionale arbeidsmarkt. Waalse mijnwerkers konden worden vervangen door arbeidskrachten uit andere delen van België. Vooral Vlamingen bleken, door economische nood gedwongen, bereid te kiezen voor het beroep van mijnwerker in Luik.
De Nederlandse mijnen stonden op een heel ander punt in hun levenscyclus. Pas vlak voor de eeuwwisseling was de tot dan toe marginale Nederlandse mijnbouw een nieuwe fase ingetreden die werd gekenmerkt door de snelle uitbouw van grootschalige en moderne ontginningszetels. De regionale en nationale arbeidsmarkt, niet of nauwelijks bekend met het mysterieuze beroep van mijnwerker, was in de opbouwfase tot het begin van de jaren dertig niet in staat te voldoen aan de grote vraag vanuit de mijnbedrijven. Vooral voor ondergrondse vakkrachten was men aangewezen op het buitenland. Het Duitse achterland, dat in die periode één arbeidsmarkt met de Limburgse mijnstreek vormde, leverde het gros van die geschoolde mijnwerkers. Samen met migrantengroepen uit Oost- en Centraal-Europese landen, die vooral in de tweede helft van de jaren twinig werden geworven, speelden zij niet alleen een belangrijke rol bij de winning van de steenkool, maar gaven zij in de dagelijkse ondergrondse praktijk scholing in mijnarbeid aan hun collega’s uit Limburg en de rest van Nederland. De Nederlandse mijnen konden zich bij de noodzakelijke inkrimping van het personeelsbestand tijdens de crisisjaren dan ook permitteren de autochtone arbeiders, hun meest preferente groep, zo veel mogelijk te ontzien. Het waren de buitenlandse mijnwerkers die in Nederland massaal werden ontslagen.
In Luik ging in de crisisjaren de uittocht van traditionele Waalse mijnwerkers gewoon door. Ook de Vlamingen bleven weg, toen er voor hen een alternatief dichter bij huis ontstond in de nieuwe mijnen in de Belgische provincie Limburg. Waar de Nederlandse mijnen erin slaagden een begin te maken met een beroepstraditie in eigen streek, verdween die in Luik.
Na de Tweede Wereldoorlog gingen de in de jaren dertig duidelijk aan het licht getreden ontwikkelingen in snel tempo voort. De Nederlandse mijnen wisten vooral door de uitbouw van een systeem van interne beroepsopleidingen jonge Limburgers te interesseren voor een carrière in de mijn. Die jonge aanwas was beschikbaar dankzij een gunstige demografische ontwikkeling. Zonder buitenlandse inbreng kon men ook in het naoorlogse Nederland niet, maar buitenlanders kregen in de mijnen vooral een bufferfunctie, waarmee conjuncturele schommelingen konden worden opgevangen. De kern van de bezetting was van Nederlandse origine. De Luikse mijnen daarentegen werden geheel afhankelijk van arbeidsmiganten. Anders dan in Limburg, had de Luikse regio te maken met een vergrijzende bevolking. De demografische ontwikkeling leidde er toe dat er nauwelijks voldoende jonge Luikenaren beschikbaar waren om te voldoen aan de vervangingsvraag van de mijnen. Daarbij kwam dat Belgen nauwelijks meer bereid waren in dienst te treden bij de inmiddels zwaar verouderde Luikse mijnen, die meer en meer de reputatie kregen gevaarlijk te zijn. In die situatie werd de aanwezigheid van buitenlandse mijnwerkers in het ondergrondse bedrijf vooral een structureel verschijnsel.
 


[1] C.E.P.M. Raedts, De opkomst, de ontwikkeling en de neergang van de steenkolenmijnbouw in Limburg (Assen 1974); Claude Gaier, Huit siècles de houillerie Liégeoise. Histoire des hommes et du charbon à Liège (Liège 1988).
[2] B.P.A. Gales, Delven en slepen. Steenkolenmijnbouw in Limburg: techniek, winning en markt gedurende de achttiende en negentiende eeuw. (Hilversum 2004), 53-54.
[3] Annales des Mines de Belgique (1900), 605, 608
[4] Verslag van den ingenieur der mijnen, betreffende de exploitatie der mijnen en steengroeven in Limburg over het jaar 1899, 1
[5] Dit cijfer betreft alleen het personeel in dienst van de mijnbouwsector van het bedrijf.
[6] J.M.J. Westen, ‘Statistisch overzicht van productie, bezetting en prestaties van de Limburgse steenkolenmijnen.’ Geologie en Mijnbouw 50 (maart-april 1971), 312-319; Annales des Mines de Belgique (1939).
[7] Norman Dennis, Fernando Henriques and Clifford Slaughter, Coal is our life: an analysis of a Yorkshire mining community. (London 19744), 38.
[8]  Klaus J. Bade, Europa in Bewegung. Migration vom späten 18. Jahrhundert bis zur Gegenwart (München, 2000), 111-112.
[9] M.C.M. van Elteren, Staal en arbeid. Een sociaal-historische studie naar industriële accommodatieprocessen onder arbeiders en het desbetreffend bedrijfsbeleid bij Hoogovens IJmuiden, 1924-1966. (Leiden 1986) 1-12 en 114-116.
[10] Helaas zijn voor de Luikse mijnen vóór 1930 slechts mondjesmaat cijfers beschikbaar. Alleen over het jaar 1923 staan betrouwbare en eenduidige cijfers ter beschikking in Annales des Mines de Belgique (Brussel 1928), 246-247. Overigens is er uit een andere bron een cijfer uit 1925 bekend. ‘Résponce au questionnaire de la Commission Nationale de la production industrielle au sujet de l’emploi d’ouvriers étrangers, Annexe I. Séance du 8 mai 1925’ In : Bulletin 1925, 98-101 geeft voor de Luikse mijnen een totaal van 1805 buitenlandse mijnwerkers. Volgens de bron zou dat neerkomen op 6,5% van de totale Luikse personeelsbezetting. Doorberekening van dat percentage geeft echter een totaal aantal mijnwerkers in Luik dat veel lager ligt dan de officiële cijfers in de Annales des Mines de Belgique. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier enkel om de ondergronders. Wel blijkt ook uit deze bron, dat het aandeel buitenlanders in Luik, vergeleken met de Nederlandse mijnen, laag was. In de Nederlandse mijnen had in 1925 bijna een kwart (24,8%) van de ondergronders een niet-Nederlandse nationaliteit. Zie ook: A.P. Versteegh, de onvermijdelijke afkomst? De opname van Polen in het Duits, Belgisch en Nederlands mijnbedrijf in de periode 1920-1930. ((Hilversum 1994), 110 en 322.
[11] Serge Langeweg, ‘Trekarbeiders en pendelaars; grensarbeid in oostelijk Zuid-Limburg, 1875-1914’ in: Zestig jaar vorsen in de geschiedenis: Jubileumboek Het Land van Herle 1945-2005 (Heerlen 2006) 295-308.
[12] Jaarverslag van den Hoofd-Ingenieur der Mijnen over 1909, 1-4.
[13] Staatscommissie over de Werkloosheid Deel IX Eindverslag. (’s Gravenhage 1914), 543-547.
[14] Verslag van den Hoofd-Ingenieur der Mijnen over 1913, resp. 1930. Ter vergelijking: in 1913 werkte 69 procent van de Nederlandse mijnwerkers ondergronds; in 1930 was dat aandeel zelfs afgenomen tot 62 procent.
[15] Versteegh, Onvermijdelijke afkomst, 225-227.
[16] Jaarverslag Algemeen Mijnwerkersfonds van de steenkolenmijnen in Limburg (verder AMF) over 1920, 22.
[17] Idem over 1930, 14.
[18] Gepubliceerd in de Verslagen van den (Hoofd)-Ingenieur, resp. Inspecteur-Generaal der Mijnen en in de Jaarverslagen van het AMF.
[19] Remigius Dieteren, De migratie in de Mijnstreek 1900-1935: Een sociaal-historische studie (Maastricht 1959) 46-48.
[20] Verslag Hoofd-Ingenieur der Mijnen over 1930.
[21] Dieteren, Migratie  131.
[22] Jaarverslag AMF over 1930 en 1935.
[23] G.C.M. Vromen, ‘Personeelsbeleid bij de Nederlandse mijnen tijdens de jaren dertig’ Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg (verder SSEGL) XXXII (1987) 27-79, aldaar 54.
[24] Frank Caestecker, ‘Vervanging of verdringing van de buitenlandse mijnwerkers in Limburg. De emancipatie van de Limburgse mijnwerkers. Migratie naar het Limburgse mijnbekken. Een vergelijking met de migratie naar de Waalse mijnen (1920-1940).’ Limburg-Het Oude Land van Loon 77 (1998) 309-325, aldaar 323.
[25] L’industrie en Belgique. Exposé d’après le recensement de 1880 de l’état des principales industries (Brussel, 1887)
[26] Frank Caestecker, ‘Centraaleuropese mijnwerkers in België’, in: A. Morelli (red.), Geschiedenis van het eigen volk: de vreemdeling in België van prehistorie tot nu. (Leuven 1993) 165.
[27] Caestecker, ‘Vervanging of verdringing’, 313.
[28] Pasinomie: collection complète des lois, décrets, arrêtés et réglements généraux qui peuvent être invoqués en Belgique (Brussel, 1889) 596-599. Zie ook: L. Roels, ‘ “In Belgium women do all the work” De arbeid van vrouwen in de Luikse mijnen, negentiende – begin twintigste eeuw’ Belgisch Tijdschrift voor de Nieuwste Geschiedenis (verder BTNG) XXXVIII (2008).
[29] Het geboortecijfer lag in het rurale Vlaanderen hoger dan in het geïndustrialiseerde Wallonië.
C. Vandenbroeke, Sociale geschiedenis van het Vlaamse volk (Beveren/Nijmegen, 1981) 94-108. Zie ook: Caestecker, ‘Vervanging of verdringing’, 310; Pascal Verbeken, Arm Wallonië: een reis door het beloofde land. (Amsterdam/Antwerpen 2007) passim.
[30] M. Poulain en M. Foulon, ‘L’ immigration flamande en Wallonie : évaluation à l’aide d’un indicateur anthroponimique’, BTNG XII (1981) 226.
[31]Y. Quairiaux, Les stéréotypes du Flamand en Wallonie (1857-1914): images et réalités. Essai au départ des sources dialectales wallonnes, explications politiques et sociales (Louvain-la-Neuve, 2003) 8-12.
[32] Frank Caestecker, ‘Vakbonden en etnische minderheid, een ambigue verhouding. Immigratie in de Belgische mijnbekkens, 1900-1940.’ Brood en Rozen. Tijdschrift voor de Geschiedenis van Sociale Bewegingen I (1997) 51-63, aldaar 60.
[33] Caestecker, ‘Vervanging of verdringing’, 312-313.
[34]Annales des Mines de Belgique (Brussel, 1928) 246-247.
[35] RAH, archief Fédéchar, inventarisnummers 1579-1581, personeelsstatistieken. Ook in Nederland bestonden er verschillen per mijnbedrijf. Het Staatsmijnbedrijf had in 1930 relatief gezien met 22 procent minder dan de helft buitenlandse arbeiders in dienst dan de mijnen die in particuliere handen waren (46 procent buitenlanders). Cijfers: Verslag Hoofd-Ingenieur der Mijnen over 1930; Jaarverslag Staatsmijnen 1930.
[36] Migranten afkomstig uit de Maghreb: Algerije, Marokko en Tunesië
[37] R. Attar, ‘De geschiedenis van de Maghrebijnse immigratie naar België.’ in: Morelli, Geschiedenis van het eigen volk, 298.
[38] A. Morelli, ‘De immigratie van Italianen in België in de 19de en 20ste eeuw’ in: ibidem, 197-200.
[39] Caestecker, ‘Vervanging of verdringing’, 315-316.
[40] L.H.M. Kreukels, Mijnarbeid: volgzaamheid en strijdbaarheid. Geschiedenis van de arbeidsverhoudingen in de Nederlandse steenkolenmijnen. (Assen/Maastricht 1986) 419-420.
[41] Verslag van de Inspecteur-Generaal der Mijnen over 1957, 111.
[42] Rob Wolf, Mijnbouw, techniek en onderwijs: De ondergrondse vakscholen van de Staatsmijnen (doctoraalscriptie, Nijmegen 1978) III 21.
[43] H.C.W. Roemen e.a., Verkenning omtrent het huidige en toekomstige personeelsvraagstuk van de mijnbouw in Nederlands Limburg (Regionale Studies Werkgelegenheid, Luxemburg 1957) 77.
[44] Limburg: Centraal Bureau voor de Statistiek, 12e Volkstelling, annex woningtelling 31 mei 1947. Luik: La région liégeoise. Démographie, Logement, Industrie et Commerce. L’évolution depuis 1846 et les données du recensement général de 1947. (Liège 1951).
[45] SHCL, Archief GSL, Statistiek.
[46]  J.H.G. Segers, Het personeelsverloop in het ondergronds mijnbedrijf: methoden en resultaten  (Tilburg 1968) 92-93, 101.
[47] Roemen e.a, Verkenning, 71-74.
[48]  Staatsmijnen hanteerde sinds de jaren vijftig de zogenaamde 13-urengrens: personeel mocht aan reis- en werktijd dagelijks niet meer dan dertien uur kwijt zijn. Bij de Oranje Nassaumijnen lag die grens bij twaalf uur.
[49]  P.J.M. Reumkens, Een onderzoek naar het verloop van mijnwerkers werkzaam bij de Oranje-Nassaumijnen (z.p. 1958) 34.
[50]  Segers, Personeelsverloop, 71.
[51]  Will Tinnemans, Een gouden armband. Een geschiedenis van mediterrane immigranten in Nederland (1945-1994) (Utrecht 1994) 11.
[52]  Ibidem, 30-31.
[53]  Positieve uitzondering waren de in 1962 aangeworven Joegoslaven. Segers, Personeelsverloop, 85.
[54]  Reumkens, Onderzoek, 13.
[55] H. Römkens, Problemen bij tewerkstelling van buitenlandse arbeiders  (Scriptie Sociale Academie, Sittard 1965) 16-26.
[56] Jaarverslag van de Inspecteur-Generaal der Mijnen over 1946, 1947 en 1948, 9.
[57] Verslag van de Inspecteur-Generaal der Mijnen over 1956, 16.
[58]   Idem over 1957, 68.
[59]  F.A.M. Messing,  Geschiedenis van de mijnsluiting in Limburg. Noodzaak en lotgevallen van een regionale herstructurering 1955-1975 (Leiden 1988) 180.
[60]   Ibidem, 12.
[61] Verslag van de Inspecteur-Generaal der Mijnen over 1961, 76.
[62] Idem over 1970, 55. Overigens werden ook in 1971 en 1972 nog buitenlanders voor het ondergrondse bedrijf gerekruteerd. Deze nieuwkomers werden in aantal echter overvleugeld door de buitenlandse mijnwerkers die ten gevolge van sluiting het mijnbedrijf verlieten.
[63]  Paul Brassé en Willem van Schelven, Assimilatie van vooroorlogse immigranten. Drie generaties Polen, Slovenen en Italianen in Heerlen. (’s Gravenhage 1980) 70-71.
[64] Tinnemans, Gouden armband, 17.
[65] Verslag van de Inspecteur-Generaal der Mijnen over 1955, 15 en Idem over 1956, 16; Verslag van de Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg aan de Mijnindustrieraad betreffende de economische gang van zaken in het jaar 1957, 25.
[66]  Segers, Personeelsverloop, 75.
[67] H. Moritz, Marokkaanse gastarbeiders bij mijnen Laura en Julia (Scriptie Sociale Akademie Sittard z.j.) 7-10.
[68] Tanja Cranssen, ‘Marokkaanse mijnwerkers in Limburg, 1963-1975’ In: SSEGL XLVIII (2003) 121-148, aldaar 132-135.
[69] Demeure de Lespaul , L’Avenir de notre production de houille, 18.
[70] René Leboutte, ‘Coal mining, foreign workers and mine safety: steps towards European integration, 1946-85’ In: Stephan Berger, Andy Croll, Norman Laporte (eds.), Towards a comparative history of coalfield societies. (Aldershot/Burlington 2005) 219-237, aldaar 220.
[71] Annales des Mines (Brussel 1946-1947). Overigens zijn deze tijdelijke dwangarbeiders niet opgenomen in grafiek 3.
[72] Het streven in de naoorlogse jaren de kolenproductie naar een zo hoog mogelijk niveau te bengen, in het belang van de wederopbouw.
[73] Morelli, ‘De immigratie van Italianen’, 202. Zie ook : Paola Manno, ‘La communauté des ouvriers mineurs de la région de Lecce (Pouilles) dans le bassin de Liège (1946-1956)’ BTNG XXXVII (2007), 445-467.
[74] Gaier, Huit siècles, 163.
[75] Leboutte, ‘Coal mining, foreign workers and mine safety’, 224.
[76] Idesbald Goddeeris, De Poolse migratie in België, 1945-1950: politieke mobilisatie en sociale differentiatie. (Amsterdam 2005), 141.
[77] In totaal werden in 1947 3.917 displaced persons in het Luikse bekken tewerkgesteld. De meesten van hen in de mijnen. Bijna de helft van de displaced persons die in 1947 en 1948 in België arriveerden had de Poolse nationaliteit. De andere helft omvatte twintig, vooral Oost-Europese, nationaliteiten. Godderis, De Poolse migratie in België, 156-159.
[78] Willibrord Rutten, ‘Werken over de grens.’ In: Weet je nog koempel? De mijnen in Limburg. (Zwolle 2005), 441-464, aldaar 447-451.
[79] Leboutte, ‘Coal mining, foreign workers and mine safety’, 222.
[80] ibidem
[81] Ismaël Rodriguez Barrio, L’immigration espagnole dans les charbonnages belges’ BTNG XXXVII (2007), 485-515; Anastasia V.Antiochos, ‘L’apport d’une approche quantitative de l’histoire des migrations: le cas des Grecs en Belgique’ BTNG XXXVII (2007), 469-484.
[82] Gaier, Huit siècles, 165.
[83] P. Grimmeau, ‘De immigratiegolven en de spreiding van de vreemdelingen in België.’ in: Morelli , Geschiedenis van het eigen volk, 125.
[84] A. Bayar (m.m.v. L. Ertorun), ‘Een economisch overzicht van de Turkse inwijking’ in: ibidem, 318.

 

<< terug