Alsof de taalgrens niet bestond

Alsof de taalgrens niet bestond

De Limburgse mijnstreek vormde ooit samen met de Kempen, het Luikse steenkoolbekken, het Akense revier en het westelijke Ruhrgebied één groot stelsel van arbeidsmarkten. De massale pendel naar Duitsland in de jaren zestig en zeventig zullen velen zich nog wel herinneren.[1] Daarentegen is praktisch in vergetelheid geraakt dat in de naoorlogse jaren België het ‘beloofde land' was, als je de beste prijs voor je arbeidskracht wilde krijgen of in Nederland moeilijk aan werk kon komen. In de jaren vijftig hebben honderden Limburgse kompels en arbeiders de kost verdiend met werk in de steenkoolmijnen en de fabrieken rondom Luik, alsof de taalgrens niet bestond.

Bekijk de powerpointpresentatie van deze lezing.
Er is nog nooit gericht onderzoek gedaan naar de Limburgse pendelaars in Wallonië. Wat is het profiel van deze vergeten groep pendelaars? Wat bewoog hen om over de taalgrens een job te zoeken, terwijl er in eigen omgeving ruimschoots werkgelegenheid was? Werden zij soms buitengesloten? Hoe onderscheidden zij zich van collega's die niet ‘over de streep' gingen? Wat deden trouwens de mijnwerkgevers om deze grensarbeiders voor de Limburgse arbeidsmarkt te behouden?
Onder grensarbeiders verstaan wij arbeiders die werk hebben gevonden in een van de buurlanden, terwijl zij hun domicilie behouden in Nederland, het land waarheen zij dagelijks of wekelijks terugkeren. Nederland en België hadden in februari 1933 - midden in de economische crisis - een verdrag gesloten, waarin partijen overeenkwamen dat zij hun onderdanen niet zouden hinderen bij het zoeken naar werkgelegenheid buiten hun eigen land (Verdrag Nederland-België, 20 februari 1933).[2] Nog lang moest iedere grensarbeider een werkvergunning aanvragen en in het bezit zijn van een grensarbeiderskaart. De werkvergunningen werden verleend door het arbeidsbureau ter plaatse van de werkgever en dan ook ginds (in België) geregistreerd. Deze verplichting is evenwel in 1958 opgeheven. Per 1 januari 1960 is de grensarbeiderskaart afgeschaft. Hoe minder grensformaliteiten, des te moeilijker zijn de grensarbeiders te traceren. Toch hebben zij sporen nagelaten, maar die moeten wij zoeken in de archieven van bedrijven, vakbonden, sociale verzekeringsfondsen en andere niet-overheidsarchieven.
In het archief van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB) is een heel pak brieven aangetroffen afkomstig van bondsleden die werkzaam waren in de Belgische mijnen.[3] Deze correspondentie geeft een boeiend inzicht in de problemen waarvoor die grensarbeiders kwamen te staan.[4] Meestal wordt de bond gevraagd te bemiddelen bij kwesties inzake loon, ontslag en uitkeringen. De kompels die naar het Walenland pendelden waren de eerste Limburgse mijnwerkers die te maken kregen met de sluiting van een mijn en de gevolgen daarvan, eind jaren vijftig. Voor hen was het bijzonder wrang te ontdekken dat de sociale regelingen die de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in petto had voor de getroffen mijnwerkers niet van toepassing waren op de grensarbeiders uit Nederland. Een globale inventarisatie van de brieven die bij de bond binnenkwamen, leert dat Nederlandse pendelaars bijna het hele gebied van het Luikse kolenbekken bestrijken. Ze kwamen ook terecht in de verder weg gelegen kolenmijnen ten zuidwesten van Luik. Er zitten geen brieven bij van Nederlanders die te werk gesteld waren in de overige Waalse bekkens (Charleroi, Centre, Mons). Hier zaten ook de nodige Nederlandse mijnwerkers, maar dit waren gewoonlijk geen pendelaars vanwege de grote afstand.

Een van de vele Zuid-Limburgse grensarbeiders, die na de Tweede Wereldoorlog werkzaam waren in de Belgische mijnindustrie, was Jan Stroom, een mijntechnicus uit Heerlen. Hij is in 1956 omgekomen bij de mijnramp in Marcinelle, nabij Charleroi. In dienst van een Luikse onderaannemer had Stroom de leiding over een ploeg schachthouwers die in de mijn Bois-du-Cazier een opbraak (tussenschacht) moesten boren. Door de week verbleef hij in een pension, om in het weekend terug te keren naar zijn gezin in het Heerlense Molenberg. Schachtbouwspecialisten als Jan Stroom hadden een veel grotere actieradius dan doorsnee pendelaars, die dagelijks naar huis terugkeerden.

De Belgische pensioenregisters

Met een impressie van de pendel naar Luik op basis van een pakket klachtenbrieven van bondsleden kan men echter niet volstaan. Zulke brieven zijn per definitie niet representatief. Een andere invalshoek verschaft het archief van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers, de Belgische pendant van wat bij ons het AMF heet.[5] Het was al bekend dat het Fonds National de Retraite des Ouvriers Mineurs (sous la garantie de l'État) van groot belang is voor de geschiedenis van gastarbeiders, maar het blijkt ook een goudmijn te zijn voor sociaal-historisch onderzoek naar de lotgevallen van Nederlandse kompels in de Belgische mijnen.[6] Eén dag boven- of ondergrondse arbeid was al genoeg om in het stelsel opgenomen te worden. Het Belgisch mijnwerkerspensioenfonds maakte geen onderscheid tussen autochtone en buitenlandse arbeiders. Elke mijnonderneming moest ieder jaar opnieuw in het kader van de pensioenregeling voor mijnwerkers een personeelsregister aanleggen, onder insiders bekend als model 34.De grensarbeiders uit Nederlands Limburg werden geregistreerd met de bijzondere aantekening "frontalier hollandais". Dit gebeurde vanaf 1950 systematisch. Toen gingen Luikse kolenproducenten namelijk ertoe over in Nederland personeel te werven.[7] Aldus kan men de pendelaars uit Limburg onderscheiden van andere mijnwerkers van Nederlandse afkomst die in België domicilie hadden en derhalve geen grenspendelaar waren.

De pensioenregisters geven een boeiend inzicht in de arbeidsvoorziening van de Belgische kolenmijnen, als men de opeenvolgende banden doorbladert. Waalse en Vlaamse namen domineren nog na de bevrijding. Maar dan kondigt zich de komst aan van steeds nieuwe groepen buitenlandse arbeiders: het begint na de Tweede Wereldoorlog met displaced persons uit Oost-Europa, waaronder veel Polen. Die worden opgevolgd door een vloedgolf van Italianen. Vanaf 1950 wemelt het opeens van de ‘frontaliers hollandais', Nederlandse grensarbeiders die de gelederen van de buitenlandse gastarbeiders komen versterken.
Het Luikse mijnbekken telde anno 1950 nog 41 mijnzetels, waaruit een selectie moest worden gemaakt.[8] In eerste instantie kwamen voor nader onderzoek in aanmerking de Luikse kolenmijnen die dichtbij de Nederlandse grens lagen. Hier kon je de meeste grensarbeiders verwachten. Op nog geen 15 kilometer van de grens met Nederland bevonden zich de Charbonnages du Hasard, een grote mijnonderneming voor Waalse begrippen, de Charbonnages de la Grande Bacnure, een middelgrote mijn, en de Charbonnages d'Argenteau, een kleine kolenmijn, die tegenwoordig bekend staat als het mijnmuseum Blégny. De pensioen-inschrijvingsregisters (model 34) van deze mijnen zijn uitgekamd op de aanwezigheid van "frontaliers hollandais". De oogst was een groslijst van enkele honderden Nederlandse grensarbeiders van alle leeftijden die korter of langer in dienst waren van een van de genoemde kolenmijnen. Vervolgens is een koppeling gemaakt met het pensioendossier van de individuele mijnwerker. De dossiers in de vorm van kartonnen systeemkaarten vermelden naast de geboortedatum, geboorteplaats, nationaliteit en burgerlijke staat, ook de woonplaats van de mijnwerker en zijn adres en woonplaats in België. En uiteraard de ingelegde premie en alle gegevens die nodig waren om de mijnwerker of zijn nabestaande het pensioen uit te keren waarop men recht heeft. Het is een bestand van ongeveer één miljoen kaarten, dat heel het Waalse kolenbekken omvat, vanaf het ontstaan van het pensioenfonds rond 1880 tot en met het einde van kolenmijnbouw in Wallonië. De hele collectie is verworven door het IHOES. Voorlopig zijn alleen dossiers te raadplegen van mensen die voor 1912 geboren zijn. De dossiers vanaf 1912 worden momenteel toegankelijk gemaakt. De jongere grensarbeiders, in 1950 38 jaar en jonger, blijven voorlopig nog buiten beeld, maar het staat vast dat de Luikse mijnen een bijzondere aantrekkingskracht op hen uitoefenden. Jonge mannen tot en met 34 jaar maakten meer dan de helft uit van de pendelaars die te werk waren gesteld in de mijnzetels Cheratte en Micheroux van Le Hasard. In de jongste leeftijdscategorie (15-24 jaar) waren de Nederlanders met 11 respectievelijke 12 % van de ondergrondse arbeiders relatief sterk vertegenwoordigd vergeleken met de overige leeftijdsgroepen.
Tabel 1:

Charbonnages du Hasard (1952) Arbeiders naar leeftijd  
             
  Mijnzetel in Cheratte   Mijnzetel in Micheroux  
Leeftijd alle arbeiders NL-pendelaars   alle arbeiders NL-pendelaars  
15-24 248 28 11% 320 37 12%
25-34 649 38 6% 777 34 4%
35-44 408 24 6% 484 29 6%
45-54 259 10 4% 310 14 5%
55-64 70 2 3% 165 4 2%
totaal 1606 102 6% 1972 117 6%
             
Bron: IHOES,FNROM, model 34, Charbonnage du Hasard (1952)

Pendel vanuit Limburg

Na koppeling van de informatie afkomstig uit model 34 aan de individuele dossiers bleef een bestand over van 129 grensarbeiders, hoofdzakelijk 40-plussers geboren tussen 1891 en 1911. Zij beschikten over heel wat werkervaring. Vier waren geboren voor 1895. Zij zaten niet ver meer van hun pensionering af. De meesten waren getrouwd of intussen reeds weduwnaar of gescheiden. Wat is er nog meer over het profiel van deze mannen te zeggen? De Nederlandse grensarbeiders werkten bijna allemaal ondergronds. Zij waren, afgaande op hun woonplaatsen, afkomstig voor de ene helft (63) uit de Nederlandse mijnstreek en voor de andere helft uit de omgeving van Maastricht (18) en het Heuvelland (45). Slechts drie grensarbeiders kwamen uit plaatsen in Midden-Limburg, vermoedelijk weekpendelaars. Vooral het Limburgse Heuvelland (45) was goed vertegenwoordigd, met een opmerkelijke concentratie van grensarbeiders in Vaals (36) en omgeving (Wittem en Gulpen). Tabel 2 laat zien dat het Limburgse Heuvelland veel meer grensarbeiders voortbracht dan men zou verwachten gezien zijn bescheiden aandeel in de totale Limburgse mijnwerkerspopulatie. Het waren er ruim drie keer zoveel. Ook Maastricht stond relatief veel arbeiders aan de Luikse mijnen af, hetgeen uiteraard ook iets met de afstand te maken had. Onmiskenbaar waren Maastricht en het Heuvelland arbeidsmarkten waar de Limburgse mijnwerkgevers moesten concurreren met de Luikse kolenproducenten.

  Mijnwerkers 1947 Grensarbeiders 1950
  n % n %
De mijnstreek 11689 70 63 49
Maastricht e.o. 1311 8 18 14
Heuvelland 1808 11 45 35
Overige 1945 12 3 0
Totaal 16753 100 129 100
         
Cijfers 1947: Langeweg, Steegen (2009)


Het lijkt er ook op dat vooral de Luikse mijnen onder de kompels uit het Heuvelland populair waren. Het blijkt uit de individuele dossiers dat een kwart van hen al voor de Tweede Wereldoorlog ervaring had opgedaan als grensarbeider in het Luikse kolenbekken. Van de kompels uit de Mijnstreek had slechts 10% vooroorlogse ervaring als grensarbeider. Die uit het Heuvelland pakten na de bevrijding als het ware de draad weer op. Zij waren blijkbaar verknocht aan het bestaan als grensarbeider in de Luikse mijnindustrie. Gemiddeld zeven jaar hielden zij het vol, hun collega's uit Maastricht en de Mijnstreek nog geen vier jaar. Het leeuwendeel van de grensarbeiders beoefende mijnarbeid als hoofdberoep gedurende minstens 200 dagen per jaar en vaak veel meer. Mijnwerkers hebben de naam gemakkelijk van werkgever te veranderen. De grensarbeiders die ik heb bekeken, beantwoorden niet aan dat beeld. Als ze eenmaal op een mijnzetel hun draai hebben gevonden, gaan ze er niet meer weg. Er zijn legio voorbeelden van Limburgse grensarbeiders die jarenlang bij dezelfde Luikse mijn bleven. Er zijn natuurlijk uitzonderingen op deze regel. Dit is geval bij Hendrik Wagemakers (1911-1965), een arbeider uit Hoensbroek, die op acht verschillende mijnzetels heeft gewerkt. Het zou kunnen dat hij iemand was die mijnarbeid als nevenberoep beoefende. Als het hoofdberoep niet genoeg opleverde, probeerde men in de Luikse mijnen bij te verdienen.
Tabel 3: De omzwervingen van Hendrik Wagemakers in het Luikse kolenbekken

jaar mijn dagen jaar mijn dagen
1947 L'Aumonier 34 1953 Romee 194
  Kessales III 40 1954 Romsee 206
1948 L'Aumonier 74 1955 Bonnier 11
  Kessales III 77   Romsee 31
1949       Patience 10
1950 L'Aumonier 41 1956 Gosson III 166
  Petite Bacnure 60 1957 Gosson III 148
  Saint Marguerite 9 1958 Romsee 81
1951 Petite Bacnure 30   Gosson III 88
  Saint Marguerite 115 1959 Romsee 53
1952 Saint Marguerite 43 1960 Romsee 159
  Romsee 157 1961 Romsee 56

Het zou zomaar kunnen dat jongere grensarbeiders, categorie 15-40 jaar, een heel ander profiel laten zien. Misschien waren zij minder honkvast dan hun collega's van middelbare leeftijd, misschien waren zij anders verdeeld over de regio's Mijnstreek, Heuvelland en Maastricht en omgeving, maar de resultaten van dat onderzoek laten nog op zich wachten om de eerder genoemde reden.
Uit deze steekproef is ook niet af te leiden hoeveel arbeidskracht er precies weglekte naar België. Uit andere bron weten we evenwel dat de uitgaande pendel vanuit het rayon Maastricht naar de Belgische mijnen geen quantité négligeable was in de jaren vijftig. De Nederlandse mijnen hadden nog wel steeds de voorkeur van de Maastrichtse mijnwerkers, maar in 1952 bereikte bijvoorbeeld de Maastrichtse mijnwerkerspendel naar de koolputten in de omgeving van Luik en Genk een hoogtepunt met 600 eenheden. Dit was volgens Fleré een verdubbeling ten opzichte van 1950.[9] De Maastrichtse pendel naar de Nederlandse mijnen was nog maar twee à drie keer zo groot als die naar Luik en Genk. De pendel uit het Heuvelland naar de Luikse mijnen was nog omvangrijker dan die vanuit Maastricht. Alles bij elkaar was het een gevoelige aderlating voor de Limburgse kolenproducenten, die arbeidskracht van de grensarbeiders goed hadden kunnen gebruiken in de jaren van wederopbouw.

De naoorlogse pendel

De pendel naar de Luikse mijnen beleefde in de naoorlogse jaren een onmiskenbare opleving. Wat speelde er rond 1950 in de regio? De grote trek naar het Walenland werd gevoed door een samenspel van push- en pullfactoren. Na de Duitse nederlaag konden Nederlandse grensarbeiders voorlopig niet meer terecht in Duitsland. De geallieerden hielden de grens gesloten voor pendelaars. Dit was bijzonder fnuikend voor arbeiders uit de buurt van Vaals. Noodgedwongen weken zij uit naar België. Ook in de Maastrichtse nijverheid lag na de bevrijding het werk allerminst voor het opscheppen. Mannen die in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland waren gedeporteerd, konden na repatriëring hier geen werk vinden en dat in de tijd van de wederopbouw. Het arbeidsbureau raadde ze aan hun geluk in België te beproeven.[10] De arbeidsmarkt werd na de Tweede Wereldoorlog overvoerd met jonge mensen die pas van school kwamen. De leeftijdsstructuur van de beroepsbevolking was in Limburg zodanig dat drie à vier jonge mannen klaar stonden om elke arbeider die met pensioen ging te vervangen.[11] In maart 1950 brak de Koreacrisis uit. De spanningen tussen Oost en West liepen hoog op. De politieke crisis en de onzekerheid over de toekomst bracht een economische recessie met zich mee, waardoor de groei van werkgelegenheid in Nederland stagneerde. Ook Limburg ondervond hiervan de gevolgen. De werkloosheid nam toe. Het was ook de tijd dat werkloze Nederlanders massaal naar landen als Canada, Australië en Nieuw-Zeeland emigreerden. Limburgers zochten een alternatief dichter bij huis. België was het beloofde land.
België was in de jaren 1947-1955 misschien wel het meest welvarende land van Europa. Grensbewoners die een uitstapje naar Luik maakten, keken hun ogen uit: luxe goederen in de etalages en allemaal madammen met een bontjas. Dit was een groot verschil met Nederland, waar in het kader van de geleideloonpolitiek soberheid de boodschap was. De Belgische arbeidsmarkt was haast onverzadigbaar. Het tekort aan ongeschoolde mijnwerkers en fabrieksarbeiders was in de provincie Luik zeer groot. De Belgen van de jongere generatie hadden geen trek meer in het zware en gevaarlijke werk in de steenkoolmijnen.[12] Van de weeromstuit begonnen de Belgische mijnwerkgevers in Nederland personeel te werven, waarbij de inzet van illegale ronselaars niet werd geschuwd. Deze belegden wervingsvergaderingen in cafés in de Mijnstreek of ze bezochten gegadigden aan huis, waarbij de arbeiders uitleg kregen over de arbeidsvoorwaarden en de gang van zaken in de Belgische mijnen. In Heerlen was de zaal van café De Bie aan het Wilhelminaplein een plaats waar bijeenkomsten voor pendelaars werden georganiseerd. In Echt was café Vrancken een verzamelplaats. Over het vervoer hoefden de arbeiders zich geen zorgen te maken. Het bedrijf organiseerde vervoer op maat per autobus. Je ging 's ochtends vroeg gewoon bij de halte staan. De chauffeur annex werfagent wist welke mijnzetel nog extra personeel kon gebruiken. De busbestuurder kreeg van de mijn per geworven arbeider naar het schijnt 120 gulden. Bij hem kon je ook je verdiende franken in guldens omzetten. Dat leverde de chauffeur-geldwisselaar om de veertien dagen een aardige koerswinst op.
Nu moet gezegd worden dat de arbeidsvoorwaarden destijds in België gunstiger waren dan in de mijnwerkerswereld hier. Afgaande op de standaardlonen kon naar het schijnt een sleper daar evenveel verdienen als een houwer bij ons. Vervoer van en naar de mijn was kosteloos. Het ouderdomspensioen was goed geregeld; voorzieningen, waarbij geen onderscheid werd gemaakt tussen Belgen, buitenlandse gastarbeiders of grensgangers. De riante kindertoelage was helemaal een zegen voor onze grensarbeiders. De Limburgse gezinnen waren toen nog zeer kinderrijk. Zo ontstond na de oorlog een nieuwe trek van Nederlandse pendelaars naar België. De Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Limburg waarschuwde al in 1947: 'De Mijnen hebben te kampen met toenemende desertie van mijnwerkers die naar de Belgische Mijnen in Luik en de Kempen gaan werken.'[13] En dan te bedenken dat dit nog maar het begin was.
De grensarbeiders kregen helemaal de wind mee toen in 1949 de koers van de Belgische frank steeg ten opzichte van de gulden. Een jaar later gingen de Belgische mijnwerkerslonen met ongeveer 18 procent omhoog, de invaliditeitsuitkeringen met 30-50 procent. Een volleerd houwer verdiende 30 à 34 gulden per dienst. Zo trokken de Belgische kolenmijnen steeds meer kompels uit Nederland aan. Het was nu al zover dat houwers met jarenlange ervaring, hier ontslag namen om in België te gaan werken. Ook jonge OVS-ers konden de verleiding niet weerstaan. Eind september 1952 waren ruim 1400 Limburgse grensgangers werkzaam in de Belgische mijnen. In de eerste helft van de jaren 1950 bestond maar liefst 10 tot 13 procent van het ondergrondse personeel van de Puits Marie in Blegny-Trembleur, Le Hasard in Cheratte en de Quatre-Jean in Queue-du-Bois uit Nederlandse pendelaars. Ondergronds was het Waals de voertaal, maar de Nederlandse kompels pasten zich wat dat betreft snel aan. Toen in 1953/54 de economische conjunctuur opleefde, nam de trek naar de Luikse mijnen geleidelijk af. Vanaf midden jaren 50 verlegde de pendelstroom zich richting de Duitse mijnen. Alleen in de kolenmijn La Minerie, die op de nominatie stond om gesloten te worden, is dat niet te merken. Hier loopt het aantal Nederlandse arbeiders gestaag op van 136 in 1950 via 229 in 1953 naar 373 in 1956. De Nederlanders hebben La Minerie tot het einde geholpen. Ze speelden dezelfde rol als de Marokkanen gespeeld hebben in de Nederlandse kolenmijnen: zorgen dat er in de nadagen nog geproduceerd kan worden. In 1957 valt het doek en wordt La Minerie in vier jaar afgebouwd.

De mijnpolitie in actie en arbeidsomstandigheden

De mijnwerkgevers moesten onder ogen zien dat steeds meer kompels de grens over gingen. De mijnpolitie ging de gangen na van mijnwerkers die ontslag hadden genomen. Als vast kwam te staan dat ze bij Belgische mijnen werkzaam waren, werd gekeken of de pendelaar een woning van het bedrijf had gehuurd. Zo ja, dan werd het huurcontract beëindigd. Verder werd op de personeelskaart van de mijnwerker een aantekening gemaakt dat hij niet meer terug in dienst mocht komen.
Er werd ook opgetreden tegen wervingsagenten die werkten voor de Luikse mijnen. De mijnpolitie was er bijzonder op gebrand ronselaars te betrappen op overtreding van de Arbeidsbemiddelingswet. Op een zondagochtend in september 1951 trof een politiebeambte van Oranje-Nassau Mijnen in de zaal van café De Bie maar liefst 200 geïnteresseerden aan, van wie 70 zich ter plekke aanmelden voor werk in Luik, bij de mijn Gosson. 's Anderen daags maakte hij proces-verbaal op van de bijeenkomst, waarna twee werfagenten, een ex-mijnwerker Jan van Bommel uit Heerlen en een caféhouder uit Beek zich voor het Heerlense kantongerecht moesten verantwoorden. De ronselpraktijken leverde het duo een aardige cent op, naar het schijnt 200 à 300 gulden per maand.[14]
De Limburgse kolenproducenten vonden de vakbonden aan hun zijde in hun pogingen om de trek van mijnwerkers naar België te ontmoedigen. De Mijnwerker, spreekbuis van de Algemene Nederlandse Mijnwerkersbond, waarschuwde in 1950 zijn leden ervoor dat de Belgische mijnen praktisch geen waarde hechtten aan veiligheid, zodat de kans op een ongeval groot was. De kompels uit Nederland verbaasden zich over de verouderde uitrusting en werkomstandigheden in de Luikse mijnen. Zij konden niet rechtop staan in de liftkooi, ondergronds werd nog gebruik gemaakt van paardentractie. Christiaan Deswijzen, die van 1949 tot 1962 pendelde tussen zijn woonplaats Bocholtz en de mijn in Cheratte, herinnerde zich: ‘De Luikse mijnen waren hopeloos ouderwets. Ik dacht, hier blijf je kapot. Ik wist niet wat ik zag toen ik de eerste keer uit de liftkooi stapte. Daar in Cheratte hadden ze nog paarden ondergronds. Stempels hadden ze niet, alleen houten stutten, die je zelf moest zagen. Maar ik verdiende geld als water'.[15]
Maar nog meer dan over de veiligheid kwamen er bij de Bond klachten binnen over de uitvoering van de sociale zekerheid. Grensgangers kwamen er al gauw achter dat de Belgische sociale wetgeving heel anders in elkaar stak dan de Nederlandse. Veel grensarbeiders hadden hulp nodig van hun vakbonden toen ze verstrikt raakten in een doolhof van regelingen. In de Waalse mijnen braken geregeld (wilde) stakingen uit en dan kwam je als buitenlander moeilijk aan een uitkering uit de weerstandskassen. Soms hadden grenspendelaars zich niet tijdig gerealiseerd dat de woning die ze van de mijn of van woningcorporatie Thuis Best gehuurd hadden, ontruimd moest worden, zodra ze uit dienst traden.
In de regionale pers kregen vooral klachten over de uitbetaling van het loon aandacht. ‘Nederlanders komen bedrogen uit in de Belgische mijnen', kopte het Limburgsch Dagblad op 22 november 1950. In het loonzakje zat nog niet de helft van het beloofde bedrag. Minder tendentieus was een artikel in het blad van de Nederlandse R.K. Mijnwerkersbond. De Bond moest erkennen: de vrije uitwisseling van arbeidskrachten was in overeenstemming met de Beneluxgedachte, het ideaal om van België, Nederland en Luxemburg een economische unie te maken. Voor sommige categorieën was werk in België een uitkomst, maar de Bond vond het nodig ‘onze bonafide mijnwerkers ernstig te waarschuwen tegen onbezonnen stappen ... Men bezinne zich, eer men er aan begint'.
Samengevat de Nederlandse arbeider die het beroep van mijnwerker uitoefende kon na de oorlog in Luik hoge lonen verdienen. Dit gold trouwens ook voor de metaalarbeiders en bouwvakkers. Hij diende echter bereid te zijn hard te werken, lange dagen te maken en risico's voor lief te nemen. Door de trek naar België werden arbeidskrachten aan Zuid-Limburg onttrokken, waaraan het bedrijfsleven dringend behoefte had. Het waren niet alleen schoolverlaters die uitweken naar de Luikse mijnen. Er waren ook mannen van middelbare leeftijd met jarenlange ervaring in het mijnbedrijf. Er zijn wel een paar aanwijzingen dat de Luikse arbeidsmarkt een uitkomst was voor arbeiders met een vlekje, lieden van uiteenlopende pluimage die uitgesloten werden van de Nederlandse arbeidsmarkt, maar dit is niet het algemene beeld.

[]Dr. Willibrord Rutten is wetenschappelijk medewerker bij het Sociaal Historisch Centrum in Limburg te Maastricht.


[1] De pendel was Limburgs beste exportartikel in de moeilijke jaren die volgden op de mijnsluiting. Dr. Sophie Bouwens beschrijft in haar proefschrift Over de streep. Grensarbeid vanuit Zuid-Limburg naar Duitsland, 1958-2001. Maaslandse Monografieën 71 (Hilversum 2008) hoe de pendel naar Duitsland zich heeft ontwikkeld vanaf het begin van de EEG in 1958 tot de komst van de euro in 2002.
[2] De regelingen worden gedetailleerd beschreven door Albert Martens, 25 jaar wegwerparbeiders. Het Belgisch immigratiebeleid na 1945 (Leuven 1974).
[3]H. Duursma en H.D. Hondius, Inventaris van de archieven van de Algemeene Bond van Christelijke Mijnwerkers in Nederland te Heerlen (1908-1940) en de Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB) en voorganger te Heerlen (1907-1975) (Maastricht 2004).
[4]SHCL, EAN 65, Archief NKMB, inv.nr. 857-858: Stukken betreffende leden, die werkzaam zijn in Belgische mijnen, 1949-1968.
[5] Het archief wordt bewaard door het Institut d'Histoire Ouvrière, Economique et Sociale (IHOES) in Jemeppe-sur-Meuse, gem. Seraing.
[6] Jacques Gillen, ‘L'histoire de l'immigration vue a traver les archives du Fonds National de Retraite des Ouvriers Mineurs', in: Brood & Rozen. Tijdschrift voor de geschiedenis van sociale bewegingen, 3 (1998), 38-45.
[7] Vóór 1950 wordt sporadisch vermeld of de mijnwerker een pendelaar uit Nederland is, met opmerkingen als : vient de Hollande, 1e poste dans les mines, 1e emploi.
[8] Le patrimoine industriel et sa reconversion. Wallonie - Bruxelles (z.p. 1987), 49.
[9] E.C.M. Fleré en L.M.A. Lucas, Onderzoeknaar de arbeidssituatie van mannenuitprobleemgezinnen te Maastricht : Beschr?vend-exploratiefonderzoeknaar de inschakeling in het arbeidsproces (in de periode1950 - 1960) van 80werknemers,hoofden van probleemgezinnen, die z?nopgenomen in een woonschool te Maastricht (Maastricht 1966). In januari 1956 bedroeg de totale uitgaande pendel vanuit Limburg naar België 2679 mannen (en 269 vrouwen). Zij kwamen vooral uit Maastricht en het Heuvelland. Tegenover de uitgaande pendel stond een inkomende pendel van 1791 mannen en 520 vrouwen.
[10] Interview auteur in maart 2004 met dhr. Sjeng Frijns, van ca. 1945-1960 grenspendelaar tussen Maastricht en Luik.
[11] Serge Langeweg, SHCL, Doc 7: Demografische gegevens van de provincie Limburg.
[12] Culot, Paul, ‘La question sociale dans les exploitations minières', in: Centenaire de l'Association des Ingénieurs sortis de l'Ecole de Liège. Congrès 1947. Section mines (Liège 1947), 49-59, aldaar 55.
[13] SHCL, Collectie arbeidsmarktbeschrijvingen.
[14] Limburgsch Dagblad, 22 januari 1952
[15] Interview auteur maart 2005 met Chr. Deswijzen (Bocholtz).

Logo

  • Artikel
  • 9 februari 2011
  • door Willibrord Rutten

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Open monumentendag

Open monumentendag

  • agenda
  • 10 september 2017
Wandeling langs Mijnspoorpad

Wandeling langs Mijnspoorpad

  • agenda
  • 29 juni 2016
Weltense mijnsporen

Weltense mijnsporen

  • artikel
  • 11 augustus 2017
Hoogspanning SBB Priltorens

Hoogspanning SBB Priltorens