Bedrijfsmaatschappelijk werk bij Laura & Vereeniging

Bedrijfsmaatschappelijk werk bij Laura & VereenigingMevr. M.J.S. Schijns ten tijde van het interview, 2015. (particulier collectie)

In de loop van de twintigste eeuw kwam het bedrijfsmaatschappelijke werk sterk op. Vooral grote bedrijven richtten een speciale afdeling op, die tot taak had de sociale belangen van hun werknemers en hun gezinsleden te behartigen. Ook de Limburgse steenkolenmijnen hadden aandacht voor bedrijfsmaatschappelijk werk. In dit artikel staan de herinneringen van mevrouw M.J.S. Schijns centraal. Zij was van 1956 tot 1972 bedrijfsmaatschappelijk werkster bij Laura & Vereeniging in Eygelshoven. De tekst is voornamelijk gebaseerd op gesprekken die de auteur Marcel Krutzen in november 2015 met mevrouw Schijns voerde.

 

Bedrijfsmaatschappelijk werk

Een zekere Marie Kruseman (1862-1950) trad in 1883 in dienst van de Nederlandsche Gist- & Spiritusfabriek te Delft, een bedrijf dat thans is opgegaan in DSM. In zes jaar tijd ontwikkelde Kruseman zich tot Nederlands eerste bedrijfsmaatschappelijk werkster.
Omstreeks 1900 waren er slechts enkele bedrijven met een maatschappelijk werkster, in 1940 circa dertig, tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim honderd, in 1950 ongeveer 340, thans legio bedrijven: door invoering van de Arbowet in 1980 kreeg de aandacht voor veiligheid, gezondheid en welzijn van werknemers immers een wettelijke basis.

Bedrijfsmaatschappelijke hulp voor mijnwerkers en hun gezinnen

Ook vrijwel elke Nederlands-Limburgse mijnonderneming creëerde een afdeling maatschappelijk werk. Vaak ressorteerde deze onder de afdeling personeelszaken. De bedrijfsmaatschappelijk werkers waren vooral (jonge) vrouwen die aan de R.K. School voor Maatschappelijk Werk te Sittard hun opleiding genoten hadden. Zij bekommerden zich om het welzijn van (ex-)mijnwerkers én hun gezinnen. Zij verleenden praktische hulp en morele steun, bijvoorbeeld wanneer een mijnwerkersgezin door omstandigheden in financiële problemen was geraakt. Een zogenaamd Hulpfonds kon dan uitkomst bieden. Regelmatig werd een beroep gedaan op dit fonds, dat in stand werd gehouden met onder meer de boetes die mijnwerkers moesten betalen voor ‘boemelschichten’ (willekeurig werkverzuim).
Aan belangrijke, ingrijpende persoonlijke gebeurtenissen in het leven van mijnwerkers – bijvoorbeeld gezinsuitbreiding, ziekte, ongeval, jubileum en overlijden – werd veel aandacht geschonken. Mijnwerkers werden van de wieg tot het graf verzorgd, werd gezegd. Uiteraard hadden de maatschappelijk werksters niet alleen oog voor de belangen van afzonderlijke mijnwerkers, maar ook voor hun gezinnen, woonomgeving en sociale relaties.
Bedrijfsmaatschappelijk werk bij Laura & VereenigingMevr. Schijns op kantoor van de mijn Laura, omstreeks 1960 (particuliere collectie)

Mevrouw M. Schijns, maatschappelijk werkster

Eén van de maatschappelijk werksters van de steenkolenmijnen Laura en Julia – twee particuliere mijnbedrijven te Eygelshoven – was mevrouw M.J.S. Schijns, geboren en getogen in het Kerkraadse mijnwerkersdorp Terwinselen, vlak bij de ‘Wilhelmina’; de oudste en kleinste Limburgse staatsmijn. Na de middelbare school volgde mevrouw Schijns onderwijs aan de R.K. School voor Maatschappelijk Werk te Sittard. Hiervan was onder andere mevrouw W. Hillen directrice, een zelfbewuste pionier. De eindscriptie van mevrouw Schijns, getiteld Mijndorp Terwinselen, betrof een sociaal-demografische studie. Eind 1954 behaalde zij het diploma maatschappelijk werk. In een later stadium voltooide zij de driejarige voortgezette opleiding sociaal welzijnswerk in Diepenbeek te België. In 1956 trad mevrouw Schijns als maatschappelijk werkster in loondienst bij Laura & Vereeniging. Zij kwam in een ‘echte mannenwereld’ terecht, werd echter heel goed opgevangen en met veel respect bejegend. Tot 1972 probeerde zij – samen met haar leidinggevenden en collega’s – zo goed mogelijk te zorgen voor het welbevinden van noodlijdende, hulpbehoevende  mijnwerkersgezinnen. Later vond zij een baan in de verpleeghuissector, de gezondheids- en thuiszorg. Thans is zij sinds vele jaren gepensioneerd. Maar haar herinneringen aan haar werk als bedrijfsmaatschappelijk werkster zijn nog springlevend.
Bedrijfsmaatschappelijk werk bij Laura & VereenigingMevr. Schijns bij de Laura. personeelschef R. Rijkers, omstreeks 1960 (particuliere collectie)
Bedrijfsmaatschappelijk werk bij Laura & VereenigingMevr. Schijns (links) met middelbare scholieren op bezoek bij de Technische Vakschool, omstreeks 1960 (particuliere collectie)

Herinneringen 

‘Bij de afsluiting van het Jaar van de Mijnen (M2015) wil ik graag aandacht vragen voor de sociale zorg welke de Limburgse mijnbedrijven hun personeelsleden boden. Binnen de Limburgse steden en dorpen oefenden de mijnbedrijven grote invloed uit op de bevolking. De door de mijnen geboden werkgelegenheid was van enorme betekenis. Tijdens de beginfase van de Limburgse mijnbouwgeschiedenis werd personeel aangetrokken uit de omringende regio’s van de mijnzetels. Veel arbeiders gingen ondergronds werken, meestal uit noodzaak.  Het verstoken zijn van daglicht en buitenlucht viel menig arbeider zwaar. Door het op elkaar aangewezen zijn in gevarenzones is de bekende onderlinge kameraadschap ontstaan. Door werving en selectie van buitenlandse werknemers werd in het tekort aan arbeidskrachten voorzien. Polen, Tsjechen, Joegoslaven, Italianen, Spanjaarden en Marokkanen deden hun intrede in het mijnbedrijf. De Limburgse samenleving werd langzamerhand multicultureel. In de loop der jaren vond zekere integratie plaats, onder meer door het sluiten van gemengde huwelijken en het actief deelnemen aan allerlei plaatselijke muziek-, sport- en dansverenigingen. Ook door het uitbreken van oorlogen en opstanden kwamen groepen buitenlandse arbeiders in het Limburgse mijnbedrijf terecht. Jawel, toentertijd was er ook al sprake van vluchtelingenproblematiek. Zo herinner ik mij nog de hulp die ik als maatschappelijk werkster bood aan een vluchteling van de Hongaarse volksopstand (1956), een opstand gericht tegen het stalinistische Hongaarse bewind. Tijdens zijn vlucht uit Hongarije was hij zijn echtgenote kwijtgeraakt. Omdat hij vreesde haar nooit meer te zullen ontmoeten, ondernam hij ten einde raad een poging tot zelfdoding. Uiteraard werd het Rode Kruis ingeschakeld haar te vinden. Zij bleek in Canada te verblijven. Via mijn Canadese familieleden lukte het uiteindelijk zijn vrouw op te sporen. Inmiddels was zij een geheel nieuw leven begonnen: haar man was haar partner niet meer. Gelukkig werd haar nieuwe status door haar ex-man geaccepteerd. Als bedrijfsmaatschappelijk werkster in dienst van de Laura en Julia heb ik altijd gepoogd hulpvragers zo goed mogelijk te ondersteunen. Om ondergrondse en bovengrondse mijnwerkers te helpen was het noodzakelijk velerlei contacten te leggen en te onderhouden met instellingen en beroepskrachten: gemeentelijke sociale diensten, centra voor parochieel-maatschappelijk werk, organisaties voor gezinszorg, instellingen voor lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg, volkskredietbanken, consultatiebureaus voor alcohol en andere drugs, huisartsen, geestelijken, en zo voort. Door hulpverleningsnetwerken te creëren kon snel en doeltreffend hulp geboden worden. Uit deze samenwerking is toen bij Laura en Vereeniging een van de eerste home- of wijkteams ontstaan. Zowel de Laura als de Julia waren betrekkelijk kleinschalige mijnbedrijven. Bij mijn aanstelling waren er in totaal ongeveer 5000 mensen werkzaam. Veel directie- en stafleden waren sterk betrokken bij het persoonlijk welzijn van de mijnwerkers. Beide mijnbedrijven hadden een duidelijk ‘sociaal gezicht’. Bij de Laura en Julia werden er regelmatig spreekuren gehouden, vaak gevolgd door huisbezoeken of bezoeken aan gezellenhuizen. Tijdens huisbezoeken aan oud-mijnwerkers ben ik herhaaldelijk geconfronteerd met de gevolgen van de beroepsziekte silicose (stoflongen). Ook voor silicosepatiënten en hun gezinnen heb ik getracht mijn uiterste best te doen om hun leed enigszins te verzachten. In de gezellenhuizen, onder meer in Eygelshoven, waren alleenstaande mijnwerkers gehuisvest. Ter wille van de noodzakelijke uitbreiding van verblijfsplaatsen voor alleenstaande arbeiders werd er op een gegeven moment tijdelijk gebruik gemaakt van de woonruimte die kasteel Borgharen bood, een kasteel vlakbij Maastricht.
Bedrijfsmaatschappelijk werk bij Laura & VereenigingMevr. Schijns (tweede van links) ondergronds. Mijn Julia. omstreeks 1960 (particulier collectie)
De sluiting van de Limburgse mijnen begon met een toespraak van Joop den Uyl, minister van Economische Zaken, in de Stadsschouwburg van Heerlen op 17 december 1965. De Laura sloot in 1968, de Julia in 1974. Eind 1974 werd de laatste vracht steenkool uit de laatste nog open zijnde steenkoolmijn, de Oranje-Nassau I te Heerlen, naar boven gehaald. De mijnsluiting had grote gevolgen voor de bevolking van de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek. Deze sluiting ging met tal van zorgen en problemen gepaard: werkloosheid, echtscheiding, alcoholisme, huiselijk geweld. Door het aanvaarden van betaalde werkzaamheden elders ontstond vaak scheiding tussen gezinsleden. Dit met alle gevolgen van dien. Maatschappelijk werkers van de mijnondernemingen hebben gepoogd hulp te bieden daar waar mogelijk. Ook zij hebben de ellende van de mijnsluitingen van dichtbij meegemaakt.’

Tot slot

De Limburgse steenkolenmijnen bestaan niet meer. Wel bestaat DSM, een mondiaal opererend chemisch bedrijf, voorgekomen uit de voormalige Nederlandse Staatsmijnen. Bij DSM werken duizenden mensen. Evenals de voormalige Limburgse mijnbedrijven kent DSM een afdeling Bedrijfsmaatschappelijk Werk, ressorterend onder Arbodienst DSM Nederland.  
Bedrijfsmaatschappelijk werk bij Laura & VereenigingMevr. M.J.S. Schijns ten tijde van het interview, 2015. (particulier collectie)

Bronnen:
G. Brouns, Uit de geschiedenis van Laura & Vereeniging (Eijgelshoven 1975)
www.canonsociaalwerk.eu/nl
Marcel Krutzen & Gilbert Peeters, ‘Mevrouw M.J.S. Schijns: maatschappelijk werkster in het mijnbedrijf’, in: Welten en de Mijnen, Jaarboek Os Heem 5 (2015), Heemkundevereniging Welten-Benzenrade (Heerlen 2016) 7-12
Interviews van de auteur met mevrouw M.J.S. Schijns, november 2015

Marcel Krutzen (Heerlen, 1959) is afgestudeerd pastoraal werker, leraar VO levensbeschouwing en maatschappelijk werker. Sinds 1986 is hij als reclasseringswerker werkzaam in het arrondissement Maastricht. Krutzen heeft vooral grote belangstelling voor de geschiedenis van het reclasseringswezen in Nederland, Heerlen en de Tweede Wereldoorlog, en de Limburgse mijnbouw. Hij is bestuurslid van Heemkundevereniging Welten-Benzenrade. Hij publiceert onder meer in Het Land van Herle en DeMijnen.nl.

  • Artikel
  • 15 april 2016
  • door Marcel Krutzen

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Mijnwerkerskolonie Welten

Mijnwerkerskolonie Welten