De arbeidsmarkt voor mijnwerkers opnieuw verkend

De arbeidsmarkt voor mijnwerkers opnieuw verkendSerge Langeweg, Mijnbouw en arbeidsmarkt

De industriële ontwikkeling die de regio Zuid-Limburg doormaakte door de komst van de moderne mijnbouw vanaf ongeveer het begin van de 20ste eeuw voorzag in een enorme vraag naar arbeidskrachten. De mijnbouw gaf een enorme economische impuls die de oorspronkelijk vooral agrarische maatschappij in vooral oostelijk Zuid-Limburg danig op zijn kop zette. Goed dus dat er nu in het proefschrift, waarop Serge Langeweg op 15 december 2011 promoveerde, een grondige verkenning beschikbaar komt van het komen en gaan van arbeiders van de mijnindustrie.

Recensie door Roelof Braad


Probleemstelling
In zijn proefschrift zet Serge Langeweg na een (kort) voorwoord, de probleemstelling over het arbeidsmarktonderzoek en een inleidend hoofdstuk 2 over de opkomst en neergang van de mijnbouw en de vraag naar arbeiders uiteen hoe de mijndirecties in de periode 1900-1965 werving en selectie van mijnpersoneel aanpakten en welke pogingen zij hebben ondernomen om personeel aan de mijnen te binden. Vooral ook wordt inzicht gegeven in de arbeidsmarktontwikkeling, de mijnwerkerspopulatie en de nieuwe sociale structuren die ontstonden in de loop van zeven van de acht decennia, waarin de mijnen actief waren (de laatste mijn sloot op 31 december 1974). Het is logisch dat de studie stopt bij de datum van de aankondiging van de geleidelijke sluiting van de mijnen door minister van Economische Zaken, Joop den Uyl, op 17 december 1965 in de Heerlense schouwburg. Daarna volgt een periode van afbouw van de arbeidsmarkt, waarvoor, denk ook ik, een nieuw, daarop gericht arbeidsmarktonderzoek nodig is in verband met de aspecten van nieuwe werkgelegenheid, werkloosheid en de sociaaleconomische herstructurering en gevolgen daarvan.

De arbeidsmarkt voor mijnwerkers opnieuw verkendAankomst van een groep Italiaanse gastarbeiders voor de mijn Julia in Maastricht op 6 juli 1956. Foto: Collectie Continium, Kerk Cijfers en steekproeven
Op basis van cijfermateriaal uit archieven en gepubliceerde verslagen, steekproeven uit de archieven van het Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg (AMF) – weergegeven in vele tabellen en grafieken in het boek - wil de auteur een lange-termijnanalyse geven van vele aspecten van de arbeidsmarkt voor mijnwerkers in Limburg. Noodgedwongen -  door gebrek aan cijfers erover – betreft het onderzoek slechts marginaal het hogere kader van beambten. Bij de aankondiging van de sluiting van de mijnen was zo’n 15% van het personeelsbestand van de mijnen ‘beambte’, waarvan 26% ondergronds. In het hele boek interpreteert Serge Langeweg de cijfers op voortreffelijke wijze, uitgaande van een goede dosis ‘bronnenkritiek’. Bij de analyse van de cijfers houdt hij rekening met onnauwkeurigheden en ik heb hem niet direct op een conclusie kunnen betrappen die niet op betrouwbare cijfers gestoeld is. Daarbij blijft hij bij het thema van zijn studie: hij geeft geen tabellen die er niet toe doen, zoals percentage mijnwerkers op de totale bevolking in de mijngemeenten of het totaal aantal buitenlanders op de bevolking. Soms zou je zo’n grafiekje wel willen voor verdere beeldvorming, zoals een tabel als 4.5 (p. 91), waarin de bestemming naar de Duitse mijnen van de mijnwerkers uit Limburg aan de hand van de uitgegeven nationaliteitsbewijzen wordt opgegeven, voor de noordelijk provincies van ons land, in verband met de instroom van die Noord-Nederlandse mijnwerkers in onze omgeving. Ik begrijp echter uit bijlage 9 (p. 303) dat het een hele klus moet zijn om de gegevens te filteren en dat die gegevens nog niet voorhanden zijn.

Demografische ontwikkeling
In het derde hoofdstuk analyseert de auteur het arbeidsaanbod aan de hand van de demografische ontwikkeling en ruimtelijke aspecten. In de bevolkingsgroei wordt gedifferentieerd naar natuurlijke groei en groei door migratie, een vingeroefening die al eerder is gedaan, zoals de auteur ook aangeeft. Waardevol is dat deze hier samenvattend op inzichtelijke wijze is weergegeven. De auteur verklaart verschillen tussen Limburg, oostelijke en westelijk mijnstreek en geeft aan uit welk potentieel van de mannelijke bevolking mijnwerkers geworven kunnen worden, hoe er gependeld werd naar de betreffende mijnen (te voet, trein, bus, tram, fiets) en dus ook waarom het nodig was voor de mijnbedrijven duizenden mijnwerkers van buiten de regio te rekruteren en te voorzien in noodzakelijke voorzieningen als woningen en infrastructuur. Hij constateert dat de pendel vanuit meer plaatsen verspreid over de provincie, vooral uit Midden-Limburg en Maastricht, naar de mijnen eerst na de forse toename na 1950 van eigen gemotoriseerd vervoer (bromfiets, scooter, auto) van de mijnwerker zelf is gestegen. De kern van de mijnwerkersgezinnen woonde echter in de mijnzetelgemeenten, omdat daar voor 1930 de meeste woningbouw had plaatsgevonden. Wel maakt de auteur een formeel storende fout (voor het eerst in de aanname erover op p. 60) die ook in de bijlagen 7 en de tabellen 3.7 t/m 3.12 in dit hoofdstuk voor de interpretatie een verkeerd beeld scheppen. Hij plaatst de Staatsmijn Emma in de gemeente Hoensbroek, terwijl deze toch echt geheel binnen de gemeentegrenzen van Heerlen was gesitueerd (zie bijvoorbeeld: Plattegrond der Gemeente Heerlen door H.H.A. Tummers, 1919, overdruk hiervan als bijlage bij Het Land van Herle, 35[1985]4). Hoensbroek was echter wel een echte mijngemeente, maar dat kun je waarschijnlijk ook van andere plaatsen zeggen waar mijnen en woningbouwverenigingen grote mijnwerkerskolonieën lieten verrijzen. Voor de algemene conclusies van deze dissertatie heeft deze constatering echter geen gevolgen.

De arbeidsmarkt voor mijnwerkers opnieuw verkendWervingsaffiche van de Nederlandse mijnen. Omstreeks 1950. Collectie Continium Kerkrade Werving
Vervolgens komt in het vierde hoofdstuk aan de orde hoe de mijnen hun arbeiders wierven, met altijd wel een eerste voorkeur voor mijnwerkers uit de regio, net daarbuiten of Nederland. Hoewel er in Limburg aardig wat werkloosheid was ten gevolge van de landbouwcrisis aan het eind van de 19de eeuw, zochten vele arbeiders hun heil over de grens in Duitsland als brikkenbakker, bouwvakker of in de landbouw als meid of knecht en ook als mijnwerker in het Roergebied. Ze waren aanvankelijk, voor de eerste Wereldoorlog, maar moeilijk over te halen om in de Nederlandse mijn te werken.  Uitgebreid wordt stilgestaan bij de het aantal Nederlanders (in 1913 ca. 107.000)  dat vooral vanaf 1890 in de Duitse mijnen werkte en hoeveel er voor het dagelijkse werk vanuit onze regio naar toe pendelden.  Interessant is de tabel 4.2 waarin na analyse van de Limburgse huwelijksakten over de periode voor 1890 en in tienjaren blokken tot 1919 is aangegeven hoeveel bruidegoms opgegeven hebben mijnwerker te zijn. Het lijstje van de gemeenten had wat mij betreft wat uitgebreider mogen zijn, onder ‘overig’  staan voor de laatste tienjarenblokken veel mijnwerkers en plaatsen als Eygelshoven, Voerendaal, Simpelveld, Brunssum vind ik niet terug. Minimaal hadden toch de latere mijn(zetel)gemeenten genoemd mogen worden.
Boeiend is te lezen dat de mijnbazen wat de selectie betreft in de eerste jaren weinig te kiezen hadden, en hoe dat later meer vorm kreeg. Maar ook dat het rekruteringsbeleid van de door Poels opgerichte arbeidersbeurs en de rooms-katholieke geestelijkheid zeker in de begintijd pover was of hoe Nederlanders uit de Duitse mijnen voor de mijnarbeid naar onze regio trokken. Verder hoe en waarom in de crisisjaren massaontslagen vielen en getornd werd aan de arbeidsvoorwaarden en in de Tweede Wereldoorlog de mijnbouw onder Duits toezicht de gevraagde productieverhoging en de verplichte arbeidstijdverlenging (zondagsdienst) de productiviteit zelfs afnam. De afname ligt niet aan de tewerkstelling door arbeiders die daarmee vrijstelling kregen voor de verplichte arbeid in de Duitse industrie, omdat het selectiebeleid van de mijnen volgens de auteur in zijn afsluitende conclusie even streng bleef als voor de oorlog.

Problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt
Na de oorlog blijkt het moeilijk op de Nederlandse arbeidsmarkt te rekruteren. Onder andere Poolse ex-militairen en politieke delinquenten worden in de mijnen tewerkgesteld. Met wervingsaffiches werd gewezen op de goede arbeidsomstandigheden en voorzieningen als extra distributiebonnen en tegenwicht gegeven aan de emigratiegolf van na de oorlog. In het midden van de jaren vijftig kwam er door voorzieningen als de Ondergrondse Vak School een goede instroom uit de jonge Limburgse bevolking. Rond 1960 was dat alweer anders, omdat er (terecht) nog maar weinig vertrouwen was in toekomst van de Nederlandse mijnbedrijven.
De mijnen waren dus tijdens de gehele periode van exploitatie ook aangewezen op werving buitenlandse arbeiders om tot maximale productie te komen. Uitvoerig gaat Serge Langeweg in het vijfde hoofdstuk in op het fenomeen. In de perioden in de ontwikkeling van de mijnindustrie varieert dat nogal. Vanaf 1905 tot 1925 is ongeveer één op de vijf mijnwerkers buitenlander (totaal boven- en ondergronds), tussen 1925 en 1935 één op de drie à vier, tussen 1935 en 1940 één op de zeven à acht, tussen 1940 en 1964 één op de tien tot twaalf. In 1965 bij de aankondiging van de mijnsluiting wordt gemeld dat 85% van de totale mijnwerknemers Nederlander is [foutje op p. 121? de tabel op p. 315 geeft 13% niet-Nederlander, volgens mij en de conclusie op p. 264 het correcte percentage], en dat blijft ongeveer zo (gemiddeld 12,3%) tot de sluiting van de laatste mijn in 1974. Opmerkelijk is dat de cijfers voor buitenlandse mijnwerkers nauwelijks beïnvloed zullen zijn door naturalisatie. Naturalisatie van buitenlandse werknemers kwam weinig voor, omdat het duur was en is op het totaal in de statistieken te verwaarlozen (Brassé en Van Schelven geven in Assimilatie van vooroorlogse immigranten [1980] voor Heerlen 141 naturalisaties in de periode 1910-1978).

De arbeidsmarkt voor mijnwerkers opnieuw verkendItaliaanse wervingsbrochure voor werk in de Nederlandse mijnen. 1949. Collectie Continium Kerkrade Periodisering
Bijzonder zijn de verschillen in de verschillende periodes. Tot de Eerste Wereldoorlog blijkt dat 90% van de ondergrondse (Nederlandse en buitenlandse) mijnwerkers al eerder ervaring opgedaan had in een Duitse mijn. De buitenlandse mijnwerkers zijn dan vooral Duitsers (waaronder ook van oorspronkelijk Poolse herkomst), Belgen en Oostenrijkers (waaronder ook van oorspronkelijk Sloveense herkomst) met tussen 1915 en 1917 een grote groep Belgische vluchtelingen en militairen. Na de Eerste Wereldoorlog komen als eerste vooral ook Hongaren, Joegoslaven, Tsjechen, Italianen en Russen naar het Limburgse steenkolenbekken, mede door een meer en meer georganiseerde werving ook van meer ongeschoolde buitenlanders, omdat er steeds meer vakkennis bij de Nederlandse mijnwerkers was die kon worden overgedragen. Langeweg vertelt welke aspecten daarbij aan de orde waren, zoals taalbarrières, ontwikkeling van de bedrijfsopleiding, gedrag en religie. Daarbij komen de ontslaggolven van de crisisjaren aan bod, waarbij opmerkelijk genoeg de ontslagen als eerste bij de buitenlandse werknemers vielen. Anders dan in de naastgelegen mijngebieden in België en Duitsland wisten de directies nipt te voorkomen dat door de Duitsers groepen buitenlandse dwangarbeiders in de Nederlandse mijnen tewerkgesteld werden. Na de oorlog vertrekken wervingsteams naar het buitenland, in 1947 eerst naar Duitsland om met toestemming van de Amerikanen te werven onder ‘displaced persons’. Daarna werden in het spanningsveld van de internationale arbeidsmarktregulering vooral in Italië en Oostenrijk en in de jaren 1960-1965, naast Italië ook in Spanje, Joegoslavië en Marokko.

De arbeidsmarkt voor mijnwerkers opnieuw verkendInformatiefolder voor de Ondergrondse Vakscholen. Omstreeks 1955. Collectie Continium Kerkrade 'Vaste stampolitiek'
Om het veelvuldig komen en gaan van vakkrachten uit binnen- en buitenland, zoals dat in de beginjaren intensief het geval was, tegen te gaan, hebben de mijnen een ‘vaste-stampolitiek’ gevoerd. Langeweg zet de processen van het arbeidsverloop en ‘overlevingspercentages’ uiteen in een aantal grafieken en tabellen en beschrijft de ‘Wandervögel’ uit de eerste tijd en wat de mijnen hebben ondernomen aan sociale voorzieningen, de ondersteuning van verenigingen en initiatieven van vooral het katholieke verzorgingsstelsel en dergelijke om mijnwerkers te binden. Later gaat ook de leesjongensopleiding en de OVS daarin een rol spelen en de cultivering van de ‘mijnwerkerstraditie’, gepropageerd onder andere in het magazine ‘Steenkool’ dat alle mijnwerkers gratis konden meenemen. Afnemend loonniveau ten opzichte van andere industriële sectoren zorgde soms voor een groter verloop, met name na 1950 ook naar mijnen over de grens omdat daar meer te verdienen viel.
Na vergelijking van het verloop met andere industrieën in Nederland, waarvan alleen voor de laatste jaren een tabel (6.17) wordt gepresenteerd, voor eerder moeten we de literatuurverwijzingen volgen, concludeert de onderzoeker dat dit tot 1960 bij de mijnen niet buitensporig hoog is en eerder in het hoofdstuk ook dat de Limburgse mijnwerkers het trouwst waren aan de mijnbouwsector (p. 209). Onder druk van het hogere loonaanbod bij de mijnen over de grens, maar ook door de onvrede die bij de ‘vaste stam’ ontstond over het komen en gaan van tijdelijke groepen mijnwerkers uit het buitenland, werd de neiging tot vertrek uit de sector in de tweede helft van de jaren vijftig versterkt.

Conclusie
Het zevende hoofdstuk sluit af met een samenvatting en conclusie. Een aantal daarvan zijn hierboven al min of meer verwoord. Ik beperk me tot de meest opmerkelijke. De rest is uiteraard in het zeer leesbare zevende hoofdstuk te vinden (met een vertaling in het Engels achter in het boek). De studie bewijst dat in ieder geval in de eerste periode (1900-1930) de vraag naar mijnwerkers behoorlijk groter was dan de enorme aanwas van mijnwerkers van 660 in 1898 tot 38.000 in 1930 doet vermoeden. Daarbij werden de mijnen geconfronteerd met een groot verloop van 40% per jaar met uitschieters tot bijna 90% voor de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de crisisjaren gaan 9000 banen verloren en kan vooral geworven worden uit jonge in de Limburgse samenleving gewortelde arbeidskrachten. Meteen na de Tweede Wereldoorlog verdwijnen bij alle Duitse mijnwerkers.
Rond 1955 pendel zo’n 7,5% van de mijnwerkers naar mijnen in België en Duitsland, in de periode 1960-1965 is dat nog rond 3,5%. Logisch dus dat de mijnen in het midden van de jaren vijftig een tegenoffensief inzetten. Zelf zou ik getwijfeld hebben om de alinea erover in de conclusie op te nemen. De invloed ervan lijkt marginaal op de arbeidsmarkt in Limburg en is de eerste hoofstukken als wegingselement afdoende aan de orde geweest.
Opmerkelijk vind ik de conclusie: ‘De structurele personeelsproblemen waren een belangrijke overweging van de Nederlandse regering om in december 1965 de gefaseerde sluiting van de mijnen aan te kondigen’. Ik had tot nu toe zelf sterk de indruk dat de Limburgse mijnen te duur produceerden ten opzichte van buitenlandse steenkolenbedrijven en het goedkopere te winnen aardgas en in beperkte mate ook aardolie en de kolencrisis van 1958-1960 de boosdoeners waren. Was het gebrek aan personeel niet meer een excuus ten opzichte van de actieve ploeg mijnwerkers? Maar uiteraard: Serge Langeweg bewijst met zijn studie zeker dat mijnwerkers door betere vervolgopleiding van de mijnwerkerszonen en het verlies aan vertrouwen in de mijnindustrie door de kolencrisis van 1958-1960 en een tekort aan Nederlandse mijnwerkers ontstaat. De mijnen gaan dan rekruteren naar ervaren mijnwerkers uit Joegoslavië en Marokko. ‘Zij hadden een belangrijke rol bij de gefaseerde sluiting van de mijnen, waardoor het voor veel oudere Nederlandse mijnwerkers mogelijk was hun overbruggings- of pensioengerechtigde leeftijd als mijnwerker te halen’, vindt Langeweg. [RB]

Mijnbouw en arbeidsmarkt in Limburg
Herkomst, werving, mobiliteit en binding van mijnwerkers tussen 1900 en 1965. Door Serge Langeweg. Proefschrift Universiteit Maastricht, Maaslandse Monografieën 75 [Hilversum, Verloren, 2011] 360 blz., geïll. (deels kleur), ISBN 9789087042547. Prijs € 32,-. Te koop via de webwinkel van het Sociaal Historisch Centrum Limburg.

Roelof Braad is stadshistoricus in Heerlen bij Historisch Goud en hoofdredacteur van ‘Het Land van Herle’, historisch tijdschrift voor oostelijk Zuid-Limburg. Hij deed de studie Archivistiek aan de Archiefschool (1980) en volgende enkele aanvullende cursussen, onder meer aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is actief in (regionale) historische verenigingen en de Koninklijke Vereniging van Archivarissen in Nederland, nu als penningmeester en met de bestuurs-portefeuille buitenlandse aangelegenheden, van 2001-2008 was hij voor deze vereniging hoofdredacteur van het Archievenblad.

  • Artikel
  • 16 februari 2012
  • door Roelof Braad

2 reactie(s)


Reacties

zijn er misschien namen

zijn er misschien namen bekend van de italiaanse gastarbeiders van de jaren 1966 t/m 1979? Een vriendin van me zoekt haar vader en we weten alleen dat hij Mario heette.... helaas een veel voorkomende naam. Hij heeft 2 kinderen verwekt bij mevr. Mary Vermeer. Die helaas toen haar dochter 3 was om het leven is gekomen. De dochter is nu 42 en probeert haar vader te vinden, maar we weten niet goed waar te beginnen. Misschien dat u een idee heeft hoe we het kunnen aanpakken?? De broer van mijn vriendin (ook van deze vader) is 44 of 45 en heet ook Mario. Mijn vriendin heette toendertijd Sylvia. Bedankt voor het lezen. Met vriendelijke groet, Meriam haar vriendin.

Dit is natuurlijk geen

Dit is natuurlijk geen makkelijke vraag, zeker ook omdat het om een vrij lange periode van meer dan 10 jaar gaat. In het RHCL zijn waarschijnlijk wel werknemerslijsten van de staatsmijnen in te zien. Daar zouden eventuele nieuwe (Italiaanse) werknemers uit te halen zijn met voor en achternaam. Echter staan daar natuurlijk alleen de namen in van de medewerkers van de staatsmijnen, en de particuliere mijnen vallen dan daarbuiten. 

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Lavoro per voi

Lavoro per voi

  • artikel
  • 1 november 2016
Een nieuwe toekomst, een goed bestaan

Een nieuwe toekomst, een goed bestaan

  • artikel
  • 21 augustus 2015