De langzaam-aan-actie 1957

De langzaam-aan-actie 1957(Bron: Collectie IISG)

Op 1 en 2 april 1957 organiseerde de Nederlandse Katholieke Mijnwerkers Bond een succesvolle langzaam-aan-actie, die in het hele land veel commotie veroorzaakte en op wat langere termijn grote invloed heeft gehad op de arbeidsverhoudingen in de Limburgse mijnindustrie. Volgens de geschiedschrijver van de mijnsluitingen in Limburg, Frans Messing, kan het feit dat die sluitingen hebben plaatsgevonden zonder stakingen of andere vormen van protest mede worden verklaard door het gezag en het vertrouwen die de NKMB en haar voorzitter Frans Dohmen door de langzaam-aan-actie van 1957 hadden verworven. Dohmen en zijn bond waren warm voorstander van die sluiting en de mijnwerkers volgden hem daarin, althans ten tijde van de sluiting zelf. Pas daarna, toen het te laat was, kregen velen daar spijt van. 

IJzersterke positie van de katholieke mijnwerkers- en beambtenbonden

In de langzaam-aan-actie kwam de ijzersterke positie tot uiting die de Katholieke Mijnwerkersbond in de Limburgse mijnen had verworven. Niet voor niets werd voorzitter Dohmen ook wel ‘onderkoning van Limburg' genoemd. In deze bijdrage wil ik de achtergronden van de actie nader onderzoeken, niet alleen omdat zij iets zeggen over de machtsontplooiing van de bond, maar ook omdat zij illustratief zijn voor de bijzondere positie van de Limburg in Nederland. De actie heeft alles te maken met de grensligging van Limburg. Het feit dat er vlak over de grens in België en Duitsland ook mijnbouwgebieden lagen, had grote invloed had op de arbeidsmarkt voor mijnwerkers en indirect op de machtspositie van de vakbeweging in de mijnindustrie.

Groei van de RK mijnwerkersbond in de jaren 1950

Ter illustratie van de groeiende betekenis van de katholieke mijnwerkersorganisatie geef ik u eerste enkele cijfers. De katholieke bonden (mijnwerkers plus de apart georganiseerde beambten, die samen optrokken in de Katholieke Federatie) organiseerden verreweg de meeste mijnwerkers en mijnbeambten. Aan de vooravond van de langzaam-aan-actie hadden zij gezamenlijk bijna 34.000 leden, dat is 77 procent van alle georganiseerde personeelsleden in de mijnindustrie. De overige 23 procent waren verdeeld over de veel kleinere socialistische, protestants-christelijke en categorale algemene bonden. Vanaf 1950 was het aandeel van de katholieken bovendien gestaag gegroeid van 69 naar de genoemde 77 procent. Na de langzaam-aan-actie zou het aandeel van de katholieke organisaties verder toenemen tot 80 procent in 1960.

Onderstaande grafiek toont de jaarlijkse aanwas van nieuwe leden van de katholieke bond. Het is duidelijk dat die er in de jaren 1950 in slaagde steeds meer nieuwe leden in te schrijven, met een hoogtepunt in 1955. Ook in de jaren daarna bleef de aantrekkingskracht hoog. In de grafiek is tevens ingetekend hoeveel van die nieuwe leden bestond uit achttienjarige intreders in de mijnindustrie, en hoeveel jongeren er in de mijnen instroomden uit de Ondergrondse Vakscholen. De beweging is wel min of meer parallel, maar duidelijk is dat de bond ook vele oudere nieuwe leden aantrok die al langer in de mijnen werkten.

De langzaam-aan-actie 1957Intrede NKMB, geboortejaren +18, uitstroom OVS ondergronds

Bron: Op SHCL aanwezige database van leden van de NKMB op basis van kaartsysteem in archief NKMB

Geleide loonpolitiek

Voor een goed begrip van de langzaam-aan-actie moet men zich realiseren dat die tot stand kwam in een periode waarin de hoogte van de lonen in Nederland werd bepaald door de nationale overheid. Het is de tijd van de zogenaamde geleide loonpolitiek. Daarover overlegde de regering met de toppen van de verschillende landelijke vakcentrales, zoals het socialistische NVV en de katholieke KAB waarbij de mijnwerkersbond was aangesloten. In de afzonderlijke bedrijfstakken hadden de bonden over de lonen weinig te zeggen. In de loonpolitiek conformeerden de vakcentrales zich aan het restrictieve beleid van de rooms-rode regeringen, waarin de met het NVV en de KAB verbonden partijen PvdA en KVP samenwerkten.

Spanning tussen nationale, regionale en grensoverschrijdende kaders

Omdat de kaders van de nationale loonpolitiek ook in de Limburgse mijnen uitgangspunt waren van het loonbeleid, ontstond er een verschil met de lonen in het omliggende buitenland, met name Duitsland. Daardoor kwam de arbeidsvoorziening onder druk te staan. Er ontstond een vrij omvangrijke trek naar de Duitse mijnen. De onrust die daardoor ontstond was voor de Katholieke Mijnwerkers Bond aanleiding om extra loon te eisen in de vorm van een aanwezigheidspremie. De Bond was bang dat zij de greep op haar achterban zou gaan verliezen en dat de homogeniteit van de katholieke mijnwerkersbevolking in de regio teloor zou kunnen gaan. Het katholieke motief was hier nauw verbonden met het regionale. De langzaam-aan-actie is daarom een interessante casus in een veel bredere thematiek in de Limburgse geschiedenis: het spanningsveld tussen nationale, regionale en grensoverschrijdende kaders. 

Trek naar Duitsland

In omliggende mijnbouwgebieden in België en Duitsland ontstonden in de jaren 1950 eveneens toenemende tekorten aan (ondergrondse) mijnwerkers, maar daar was geen sprake van centrale loonbeheersing. Daar konden de lonen zich dus gemakkelijker opwaarts aanpassen aan de marktverhoudingen. Om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen en een uittocht van mijnwerkers naar andere sectoren te voorkomen, besloot de Duitse regering in oktober 1956 een zogenaamde Bergmannsprämie in te stellen, een belasting- en premievrije toelage op het loon, die volledig ten laste kwam van de staat. Door deze bonus kwam het Duitse mijnwerkersloon flink boven het Nederlandse te liggen. 

Volgens een Duitse bron groeide het aantal Nederlandse pendelaars in de Akense mijnen na de invoering van de Bergmannsprämie met 800 personen. De meeste trokken naar de Emil Mayrisch in het Akense Siersdorf, die in 1948 in bedrijf was gekomen en in 1957 fors werd uitgebouwd. Aan de trek naar Duitsland kwam in november 1957 een eind, toen er als gevolg van de langzaam-aan-actie ook in Nederland een aanwezigheidspremie werd ingevoerd, maar waarschijnlijk vooral omdat de zogenaamde kolencrisis ook daar toesloeg.

Tot zover de achtergronden; ik wil nu overgaan op de aanleiding en de afloop van de actie.

De aanleiding van de actie

Het centrale overleg van de vakorganisaties en de regering had eind 1956 tot overeenstemming geleid over een zogenaamde bestedingsbeperking, dat wil zeggen dat de prijsstijgingen niet in de lonen gecompenseerd zouden worden. Ook de katholieke vakcentrale, de KAB, had hiermee ingestemd en instrueerde de aangesloten bonden daarin mee te gaan, ook de Katholieke mijnwerkersbond. Maar in dezelfde periode concludeerde de directie van Staatsmijnen dat de oplopende arbeidstekorten in de mijnindustrie alleen konden worden bestreden door in navolging van de Duitsers een extra loonsverhoging toe te kennen, bijvoorbeeld in de vorm van een met de Bergmannsprämie vergelijkbare aanwezigheidspremie. Deze opvattingen van de directie, die dus ingingen tegen het regeringsbeleid van bestedingsbeperking, werden breed uitgemeten in de Limburgse pers. De leden van de bond reageerden furieus, en daarop kon de leiding niet achterblijven. De bondsbestuurders voelden zich voor een dilemma geplaatst, omdat zij van de ene kant [...] in verband met de bestedingsbeperking ontzaglijk veel moeite hebben gedaan om de mijnwerkers te overtuigen hun wensen te matigen, ondanks het feit dat tegelijkertijd in Duitse en Belgische mijnbekkens wel verbeteringen werden ingevoerd, [maar] dat van de andere kant en te zelfder tijd de mijndirecties van de daken verkondigden dat er zowel aan de lonen als aan de arbeidsvoorwaarden van de mijnwerkers iets moest gebeuren.

Looneisen

Om te voorkomen dat er ‘steeds meer arbeiders de Nederlandse mijnbedrijven verlaten en in dienst treden bij buitenlandse mijnondernemingen' stelde de Katholieke Federatie (mijnwerkers en beambten) daarom in december 1956 voor om te komen tot een verbetering van de lonen en arbeidsvoorwaarden voor de werknemers in de mijnbedrijven. De Federatie pleitte er met andere woorden voor om voor de mijnwerkers een uitzondering te maken op de bestedingsbeperking. Op 17 januari 1957 volgden concrete voorstellen voor de invoering van een aanwezigheidspremie als tegenhanger van de Duitse Bergmannsprämie. De premie zou zowel aan de ondergronders als aan de bovengronders moeten worden toegekend.

Onrust onder de mijnwerkers

Het overleg met de mijnwerkgevers liep echter niet van een leien dakje, met name omdat die de premie niet wilden toekennen aan de bovengronders. Het uitstel, gevoegd bij de oplopende tekorten op de arbeidsmarkt, leidde tot grote onrust onder de mijnwerkers. Met name de bovengronders voelden zich tekort gedaan, omdat er in toenemende mate bovengronds personeel werd ingeschakeld via aannemers of koppelbazen, dat aanzienlijk meer verdiende dan via een regulier arbeidscontract.

‘Prestatie naar loon', pseudo-staking of ‘sabotage'?

Onder druk van de toenemende onrust besloot de Katholieke Federatie op te roepen tot actie in de vorm van ‘langzaam-aan' of, naar eigen zeggen: ‘prestatie-naar-loon'. Het Dagelijks Bestuur van de NKMB had het Hoofdbestuur eerst voorgesteld om de langzaam-aan-actie aan te kondigen voor 8 april, maar de leden van het hoofdbestuur waren ‘unaniem van mening dat onmiddellijk handelen geboden was, omdat de ten top gestegen spanning zich een andere uitweg zou zoeken, die wellicht onherstelbare schade met zich mee zou brengen'. In de notulen van bondsbestuursvergadering van de NKMB van 30 maart 1957 blijkt inderdaad dat de actie vervroegd werd onder druk van de onrust onder de mijnwerkers [ik citeer voorzitter Dohmen]:

In de bedrijven zitten elementen die wroeten aan de rust onder de mijnwerkers. Deze zullen onze wensen overnemen en wilde stakingen proclameren. Wij kunnen dergelijke uitspattingen niet tegenhouden omdat wij zelf overtuigd zijn van de billijkheid der eisen.

Uit deze en andere uitlatingen blijkt dat de langzaam-aan-actie door de NKMB was bedoeld om de achterban onder controle te houden. De actiebereidheid bleek echter groter dan het NKMB-bestuur had voorzien. ‘Het ging namelijk een tikje te snel langzaam-aan', vond Frans Dohmen achteraf. Op de eerste dag daalde de kolenproductie tot 40, op de tweede tot nauwelijks 20 procent. In de pers werd geconcludeerd dat de zaak ‘kennelijk uit de hand was gelopen' en dat ‘men gerust van een staking mag spreken'. Volgens PvdA-minister Suurhoff was de actie in feite ontaard in ‘sabotage'.

Overleg met de werkgevers

In de formulering van de voorstellen en de oproep tot actie had de Katholieke Federatie zich niets aangetrokken van de standpunten van de overige mijnwerkersbonden. Samenwerking met de radicale Algemene Bond van Werkers in het Mijnbedrijf, die zich achter de eisen van de Federatie had gesteld en zelfs had voorgesteld om het ‘langzaam-aan' om te zetten in een staking, werd afgewezen. De socialistische mijnwerkersbond stelde zich vierkant achter het loonbeleid van PvdA-minister Suurhoff en keerde zich tegen het idee van een aanwezigheidspremie. Ook de protestantse vakorganisatie steunde de eisen en de actie niet. Het is daarom niet zo heel verwonderlijk dat de Katholieke Federatie buiten de andere bonden om met de mijndirecties ging overleggen over beëindiging van de actie. Dat gebeurde op een geheime bijeenkomst op 2 april. Tijdens die bijeenkomst erkenden de werkgevers dat er samenhang moest zijn in de beloning van onder- en bovengronders en werd overeenstemming bereikt over verder onderzoek naar de loonverhoudingen. Daarop riep de Federatie haar leden op de volgende dag (3 april) het werk weer op normale wijze te hervatten. Na het nodige onderzoek en overleg werd in mei overeenstemming met de mijnwerkgevers bereikt over de toekenning van een bijzondere premie aan zowel boven- als ondergronders, maar daarmee kwam men in conflict met de regering die de afspraken afkeurde. Het duurde tot oktober 1957 voor de regering instemde met een regeling die voorzag in een premie van ƒ 2,50 per dienst voor de ondergronders en loonsverhogingen voor bovengronders in de laagste functiegroepen.

Kerkelijke bemoeienis

Weinig mensen wisten dat het geheime overleg op 2 april 1957 de dag ervoor was voorbereid in een nog geheimer overleg met alleen de katholieke directeuren ten huize van de bisschop te Roermond. De uitnodiging voor deze bijeenkomst was uitgegaan van mgr. Feron, vicaris-generaal van het bisdom Roermond. In dit katholieke onderonsje was een basis gevonden voor een oplossing en besloten tot de hiervoor genoemde geheime bijeenkomst van alle werkgeversvertegenwoordigers en de leiding van de Katholieke Federatie op 2 april.

Het bisschoppelijk mandement van 1954

De bemoeienis van Feron is opmerkelijk. Hij had een belangrijke rol gespeeld bij de opstelling van het roemruchte bisschoppelijk mandement van 1954, waarin katholieken het lidmaatschap van niet-katholieke organisaties, met name socialistische, werd ontraden dan wel verboden. De inhoud van het mandement kwam voort uit de vrees voor desintegratie van de katholieke eenheid in Nederland, vooral in Limburg, mede gezien de stemmenwinst voor de PvdA in die provincie. Bij de voorbereiding van het mandement was ook de aalmoezenier van de mijnwerkersbond, mgr. Roncken betrokken geweest. Door de bondsleiding, geestelijken en andere katholieke opinieleiders rondom de Katholieke Federatie werd de actie voor loonsverbetering van het mijnpersoneel nadrukkelijk in dit kader geplaatst.

Om het behoud van het katholieke Limburg

Op een bijeenkomst in Kerkrade op zondag 31 maart 1957, waar 1.200 aanwezige afdelingsbestuurders van de katholieke organisaties werden voorbereid op de voor de volgende dag geplande langzaam-aan-actie, werd de katholieke zaak door voorzitter Frans Dohmen nog eens flink ‘opgewarmd':
Het gaat om de vraag of de Katholieke Mijnwerkersbond volgens sommige instanties niet te sterk wordt [...] Socialisten en liberalen zonder God of godsdienst, daarbij nog geholpen door liberalen van katholieken huize en andere kortzichtige personen, spannen samen om dit bolwerk van katholicisme in Limburg te ondermijnen. [...] Een ongemerkte, doch grote infiltratie van niet-katholieken op sleutelposities in de Nederlandse mijnbedrijven schijnt niet te stoppen. Naïeve katholieke directeuren en bedrijfsleiders worden omringd door medewerkers wier primaire doel het is het katholieke element blijvend te verzwakken.
Op de vergadering bracht ook bondsadviseur Roncken de noodzaak van de actie in verband met het behoud van het eigen karakter van de Limburgse mijnstreek:
Ofwel de prioriteit herstellen en daarmee de mijnarbeid aantrekkelijk maken ook voor onze Limburgse mensen en voor onze Nederlandse arbeiders, ofwel steeds meer de mijnarbeid laten verrichten door arbeidskrachten die uit een ander land worden geïmporteerd. [...] In alle gevallen zal daardoor [....] het karakter van onze mijnstreek [...], en daardoor langzaam aan maar zeker het karakter van heel Limburg, gaan veranderen. De Katholieke Mijnwerkersbond en de Katholieke Vereniging van Mijnbeambten zijn dus van mening dat wij niet verder die weg opmoeten ...

De redenering werd in verschillende bewoordingen herhaald in Limburgse katholieke pers en andere publicaties.

Een ‘organische mijnwerkersstand'

Het argument werd ideologisch onderbouwd door prof. G.H.L. Zeegers, directeur van het Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut te Den Haag. Volgens Zeegers kon er in Limburg gesproken worden van een ‘organische mijnwerkersstand', gekenmerkt door ‘een hoge mate van godsdienstige kohesie', ‘een hoge mate van beroepskontinuïteit en een [...] lage graad van verloop', alsmede door ‘een traditionele vasthoudendheid aan de geestelijke, kulturele en etnische waarden van het gewest'. De solidariteit tussen boven- en ondergronders, zoals die was gebleken in het mijnconflict, had haar ‘psychologische basis in het feit van gemeenschappelijke regionale en lokale etnische herkomst', maar ‘haar diepere ideële basis' in ‘een gemeenschappelijk godsdienstig waardenbezit', aldus Zeegers. De kritiek van de katholieke mijnwerkersleiders op het toenemend aandeel van niet-katholieken op leidinggevende posities moest volgens hem in dit licht worden bezien.

Tegen de komst van arbeidsmigranten

Die werd door hem gekoppeld aan de komst van arbeidsmigranten. Uiteindelijk zou dit leiden tot het uiteenvallen van de ‘organische mijnwerkerstand' zelf:
Ik geloof te mogen stellen, dat het afnemen van de katholieke komponent in het hoger kader gepaard zal gaan met een groeiend verloop van de lagere arbeidskrachten en hun vervanging door immigranten, die geen mijnwerker zijn en het ook niet zullen worden.

Om de arbeidsvoorziening uit eigen kring op peil te houden was prioriteit voor de mijnarbeid door betere beloning niet alleen economisch wenselijk, maar ook moreel noodzakelijk, aldus Zeegers:
de prioriteit moet een feit zijn wil men Limburg in staat stellen zichzelf te blijven en de onvergankelijke schatten van geloof en kultuur [...] te waarborgen [...] in het hart van het volk zelf. Het behoud, sociaal en kultureel, van de Limburgse mijnbevolking is een internationaal katholiek goed en dit behoud vormde de grondtoon van de stemming die de katholieke mijnwerkers tot hun aktie dreef. 

Socialistisch commentaar: een verkiezingsstunt?

Zoals te verwachten, hadden de PvdA en de sociaal-democratische pers weinig waardering voor het pleidooi voor het behoud van een ‘organische mijnwerkersstand'. Zij interpreteerden het optreden van de katholieke mijnwerkersbond vooral in electorale termen. De langzaam-aan-actie was in hun ogen een politieke manoeuvre om de doorbraak van katholieke kiezers naar de PvdA te voorkomen. Door mee te doen met de actie van de NKMB zouden de mijnwerkers zich in feite voor het politieke karretje van de KVP laten spannen.

PvdA met lege handen

Deze politieke en electorale interpretatie van de langzaam-aan-actie in de PvdA-propaganda kon niet verhullen dat de partij in feite met lege handen stond tegenover de onvrede van de mijnwerkers en de articulatie daarvan door de NKMB. Weliswaar erkende de PvdA dat [ik citeer] ‘voor heel veel leden van de Katholieke Mijnwerkersbond de looneisen de inzet van deze actie vormden', maar de realisering daarvan werd afhankelijk gemaakt van het nationale kader en de bestedingsbeperking.

PvdA-prioriteit bij nationale loonmatiging

In september 1957 verklaarde de KVP-leiding in een steunbetuiging aan de NKMB dat ‘de prioriteit van de mijnarbeid' en de ‘verbondenheid tussen ondergrondse en bovengrondse arbeid' moest worden aanvaard. PvdA-Limburg reageerde met een verdediging van het loonbeleid van de regering. De Limburgse PvdA-voorman Sjeng Tans zag wel het probleem van de zuigkracht van de buitenlandse mijnen, maar vond toch dat voorkomen moest worden dat de mijnwerkerslonen zouden gaan fungeren als magneet voor de lonen in andere bedrijfstakken. Om ‘de operatie van de bestedingsbeperking te doen gelukken', moesten ‘de eisen van het algemene belang zwaarder wegen dan die van het bijzondere', aldus Tans. De PvdA-er voelde zich met andere woorden gebonden aan de loonmatigingspolitiek van de regering.

Dilemma's van de loonpolitiek

Zo kwam in het conflict een fundamenteel dilemma aan het licht: uiteindelijk ging het om de vraag of de loonpolitiek uitsluitend in een nationaal kader tot stand kon komen. Voor Frans Dohmen was het regionale kader en de grensligging van Limburg doorslaggevend. Omdat ‘Zuid-Limburg door twee grote kolen producerende nabuurlanden wordt begrensd', was het volgens hem ‘te enen male onmogelijk om onze industrie over één kam te scheren met de overige industrieën in ons land'. Ook de toen nog katholieke Volkskrant stelde vast dat men moeilijk voorbij kon gaan aan de ligging van Limburg ‘dat ingeklemd is tussen de Duitse en Belgische bekkens en dat scherp reageert op ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden bij naburige soortgelijke bedrijfstakken'. De krant kwam zelfs met de opmerkelijke suggestie om te komen tot regionale afstemming van arbeidsvoorwaarden in wat nu de Euregio Maas-Rijn heet.

KVP voor versoepeling loonbeleid

Het mijnconflict werd nu steeds meer gepolitiseerd rondom het vraagstuk van de loonpolitiek. KVP-leider C.P.M. Romme verklaarde zich weliswaar tegen de toekenning van een premie aan de bovengronders, maar vond tegelijk dat de nadruk op ‘nationale verbondenheid' door de regering, ‘welke tot uitdrukking komt in het huidige loonbeleid [...] praktisch overtrokken wordt'. In overeenstemming met het streven van de KVP naar een vrijere loonvorming bepleitte hij een aanpassing van de geleide loonpolitiek aan de Europese ontwikkelingen.
In oktober ging de regering, die zich lange tijd tegen een premieregeling had verzet, ook om. Het na lang soebatten genomen besluit om alleen voor de ondergronders een premie toe te staan, sloot goed aan bij het door Romme ingenomen standpunt.

Geleide loonpolitiek als sociaaldemocratisch principe

Zoals gezegd weigerde de PvdA aan de mijnwerkerseisen tegemoet te komen. Voor de naoorlogse (Nederlandse) sociaal-democratie was de centrale loonbeheersing veel meer dan een maatregel in het kader van de economische wederopbouw. Net als de ‘organische mijnwerkersstand' voor de Limburgse katholieke regionalisten, was de geleide loonpolitiek voor de socialisten een principiële aangelegenheid, een zaak van ‘rechtvaardige inkomensverhoudingen'. In deze opvatting moesten de afzonderlijke vakorganisaties zich schikken in het centraal vastgestelde loonbeleid. Ook de socialistische vakcentrale NVV had zich hierbij aangesloten. In dit kader wordt begrijpelijk waarom het socialistische blad Het Vrije Volk naar aanleiding van de langzaam-aan-actie stelde dat het - in feite contra de vakbondslogica - ‘onjuist [zou zijn] om eisen tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden te stellen, omdat er schaarste aan arbeidkrachten is, zoals nu het geval is'; contra de economische logica achtte de krant ‘een loonsverhoging op grond van arbeidsschaarste principieel verwerpelijk'.

PvdA in de problemen

Door haar voorkeur voor een gedifferentieerde loonpolitiek kon de KVP zich flexibel opstellen en met de druk van (de achterban van) de NKMB ‘meebewegen'. Door strak vast te houden aan de uniforme centrale loonbeheersing kwam de PvdA daarentegen tegenover de mijnwerkers te staan. Als gevolg van deze opstelling in het mijnconflict kwam de PvdA in Limburg in grote problemen. Haar opmars in de vorige verkiezingen werd niet voortgezet. Toen de regering alsnog bereid bleek de premieregeling goed te keuren en dus [in PvdA-ogen] ‘voor de katholieke acties door de knieën ging', ervoer men dit als een klap in het gezicht. De propagandistische kracht van de PvdA verzwakte. De PvdA verloor in Limburg in een jaar tijd ongeveer tweehonderd leden en het enthousiasme om de PvdA-standpunten uit te dragen verminderde sterk. Bij de Provinciale Statenverkiezingen op 26 maart 1958 bleek hoezeer de KVP erin was geslaagd om de PvdA in het defensief te drukken. De verkiezingswinst van 1956 ging bij deze statenverkiezingen meer dan verloren.

Het einde van de geleide loonpolitiek

De restrictieve geleide loonpolitiek werd pas echt doorbroken toen de hoogconjunctuur in de jaren 1960 tot zulke grote tekorten op de arbeidsmarkt leidde dat werkgevers vanzelf meer gingen betalen, of onder vakbondsdruk snel bereid waren om loonsverhogingen toe te staan. De vakbeweging moest zich daarvoor in de afzonderlijke bedrijfstakken wel strijdbaarder gaan opstellen. Deze ontwikkeling maakte duidelijk dat het PvdA-leerstuk van de centraal geleide loonpolitiek op zijn grenzen was gestuit. Door de toenemende spanningen op de arbeidsmarkt was die niet meer houdbaar. In de Limburgse mijnindustrie was dat al in 1957 letterlijk het geval.

Een grensoverschrijdende arbeidsmarkt?

Het interessante van de ontwikkelingen rondom de langzaam-aan-actie is, dat de doorbreking van de door de landelijke overlegpartijen gestelde nationale kaders door de grensligging van Limburg ook een internationale dimensie kreeg. De geleide loonpolitiek kwam hier in conflict met internationaliseringstendensen op de arbeidsmarkt, die later in het kader van de Europese eenwording nadrukkelijk nagestreefd zouden gaan worden. Tegelijk moet worden vastgesteld dat de NKMB en de katholieke ideologen van de ‘organische mijnwerkersstand' evenmin uit waren op internationalisering van de mijnarbeidsmarkt; integendeel, door aanpassing van het loonpeil aan dat in de omliggende mijngebieden dacht men die juist te kunnen tegengaan om zo de (katholieke) Limburgse mijnwerkers aan de eigen streek te binden. In 1957 was het blijkbaar nog mogelijk te denken dat Limburg katholiek en ‘van vreemde smetten vrij' zou kunnen blijven. Of deze xenofobische, tegen niet-Limburgers en immigranten gerichte motivering voor de langzaam-aan-actie breed door de actievoerende mijnwerkers werd gedeeld, is overigens de vraag.

Teloorgang van de ‘organische mijnwerkersstand'

De ontwikkeling van de Limburgse arbeidsmarkt in de jaren 1960 en 1970 zou ook de onhoudbaarheid van het katholieke regionalisme aantonen. In feite gebeurde er precies waarover men zich tijdens de langzaam-aan-actie zo druk had gemaakt: door de grote loonverschillen met Duitsland nam de grensoverschrijdende pendel in die jaren enorm toe, met name uit de mijnstreek. Weliswaar trok die vooral naar de bouw en de metaalindustrie en niet naar de Duitse mijnen, maar daardoor nam het arbeidsaanbod voor de Limburgse mijnindustrie verder af. Om daar in te voorzien moest men steeds meer een beroep doen op buitenlandse arbeiders, vooral Marokkanen. In dezelfde periode verloren ook Kerk en KVP in Limburg veel aanhang. Maar of dit verklaard kan worden door het teloor gaan van de ‘organische mijnwerkersstand', zoals de katholieke sociologen in de jaren 1950 hadden verondersteld, valt te betwijfelen. Daarvoor waren deze processen, in samenhang met secularisatie en ontzuiling, te algemeen.

Voordracht gehouden op het symposium ‘De geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers', 15 mei 2009, gebaseerd op: Ad Knotter, ‘Grenzen aan de loonpolitiek. De langzaam-aan-actie van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkers Bond (1957) tussen nationale integratie, grensligging en katholiek regionalisme'. Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg/Jaarboek van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg LIII (2008) 117-157.

Bekijk de powerpointpresentatie van deze lezing 

  • Artikel
  • 18 december 2010
  • door Ad Knotter

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Vaandelwijding in Schinnen

Vaandelwijding in Schinnen

  • artikel
  • 1 maart 2017
"Aan de edele Hoof-direksie"

"Aan de edele Hoof-direksie"

  • artikel
  • 22 mei 2012
"En had u last van oogsidderen?"

"En had u last van oogsidderen?"

  • artikel
  • 19 juni 2010