De Nederlandse mijnondernemingen en het silicosevraagstuk

De Nederlandse mijnondernemingen en het silicosevraagstukVeel mijnwerkers leden aan de longziekte silicose

Ik wil het met u hebben over een onderwerp dat in het mijnwerkersleven altijd een belangrijke en ook droevige rol heeft gespeeld: silicose of stoflongen. In mijn verhaal wil ik een vaak geuite beschuldiging als uitgangspunt nemen, namelijk dat de mijnondernemingen de kwestie gebagatelliseerd en toegedekt hebben. De vraag of dit zo is, wil ik beantwoorden aan de hand van de opstelling van de mijndirecties in de jaren dertig van de vorige eeuw ten aanzien van de erkenning van silicose als beroepsziekte van mijnwerkers. Daarbij spelen niet alleen juridische en verzekeringstechnische aspecten een rol, maar ook medische, productietechnische en, bovenal, financiële.

Dat ik spreek van dé mijnindustrie houdt verband met het feit dat de mijnondernemingen in gezondheidskwesties gezamenlijk optrokken. In 1917 besloten Staatsmijnen en de Oranje-Nassaumijnen, de grootste particuliere mijnonderneming, een gemeenschappelijke geneeskundige dienst in het leven te roepen. Nadat in 1923 ook de andere particuliere mijnen zich hierbij hadden aangesloten ontstond de centrale Geneeskundige Dienst der Nederlandse Steenkolenmijnen. Deze heeft een belangrijke rol gespeeld in de meningsvorming rond silicose en het treffen van stofbestrijdingsmaatregelen.

Wat zijn stoflongen

Silicose wordt ook wel aangeduid met de term stoflongen, mijnwerkerslong of kortweg sjtöb. Eigenlijk valt de term silicose in de medisch wetenschappelijke betekenis niet geheel samen met de andere termen, zoals we zo meteen zullen zien.
Silicose behoort tot de pneumoconiosen, dat is een medische verzamelterm van longziekten die veroorzaakt worden door de inademing van microscopisch kleine stofdeeltjes. In het geval van silicose gaat het om de inademing van silicondioxide of kiezelzuur (SiO2) met een grootte van maximaal 5/1000ste mm. Grotere stofdeeltjes zullen worden uitgehoest, de kleinere blijven achter in de longen.

Het zijn met name arbeiders in de zandwinning en leisteenwinning, in de keramische industrie en in allerlei soorten mijnen die silicoserisico lopen. In de steenkolenmijnen zijn het de steenwerkers, degenen die betrokken zijn bij de aanleg van het ondergrondse gangenstelsel en het afdiepen van de schachten, die het grootste gevaar lopen.

Wie langere tijd silicondioxide inademt, krijgt last van bindweefselvorming in de longen, ofwel fibrose. Hierdoor vermindert de elasticiteit van het longweefsel, neemt de longfunctie af en ontstaat er grote benauwdheid omdat er te weinig zuurstof kan worden opgenomen. Vaak gaat silicose gepaard met andere longaandoeningen, zoals COPD of tuberculose. De benauwdheid van de silicoselijder zorgt ervoor dat zijn hart extra hard moet werken en niet zelden overlijdt hij aan een hartaandoening. De ziekte is bijzonder verraderlijk omdat silicose pas merkbaar wordt lang nadat men voor het eerst werd blootgesteld aan het steenstof, soms wel tien jaar daarna. Ook blijft de ziekte zich ontwikkelen, ook nadat men is gestopt met het werken in het stof.

Anders dan silicose maar er wel sterk op lijkend is anthracose. Deze ziekte wordt veroorzaakt door de inademing van fijn steenkoolstof. De plaats des onheils is hier de plaats waar de steenkool wordt gewonnen, aan het kolenfront. Het enige verschil met silicose is dat de ziekte iets minder agressief is. Toch kan een houwer die lange tijd aan het kolenfront in een hoge concentratie steenkoolstof heeft gewerkt er uiteindelijk veel slechter aan toe zijn dan een steenwerker die minder lang of in minder stof voor de steen heeft gewerkt. Mengvormen komen ook voor: we spreken dan van silico-anthracose. In het dagelijks gebruik wordt de term silicose gehanteerd om ook anthracose of silico-anthracose mee aan te duiden.

Lijders aan stoflongen kunnen niet genezen worden. Wie het heeft, moet er mee leven zo goed en zo kwaad als dat gaat. Ernstige lijders zijn volledig afhankelijk van zuurstofapparaten die hen van de zuurstof moet voorzien die hun longen niet meer normaal uit de lucht kunnen binnenhalen.

Kennis over silicose

Het is van belang te beseffen dat wat we nu over silicose en anthracose weten relatief recente kennis is. Toen de steenkolenmijnbouw in de negentiende eeuw een grote vlucht nam, zoals in Engeland, en mijnwerkers longproblemen kregen, werd al snel het verband gelegd met de stofontwikkeling in de toen nog slecht geventileerde ondergrondse ruimten. Maar nadat in 1882 door Robert Koch de tuberkelbacil werd ontdekt, de veroorzaker van tuberculose, dachten wetenschappers dat deze bacil ook de oorzaak van de longziekten onder mijnwerkers moest zijn. De aandacht voor stof verslapte. Pas decennia later werd het onderzoek naar het verband tussen stofinademing en longziekten weer opgepakt, met name in Zuid-Afrika waar in de goudmijnen ook grote gezondheidsproblemen bestonden. Dit onderzoek leidde tot de conclusie dat niet alle stof even gevaarlijk was. Vooral in industrieën waar veel vrij silicondioxide werd ingeademd, kwamen veel longafwijkingen voor. Aan deze stof werd de naam silicose ontleend.
Deze onderzoeksresultaten hadden voor wat de Nederlandse steenkolenmijnen betreft tot gevolg dat men volledig op de silicondioxide gefixeerd raakte en geen aandacht had voor steenkoolstof als mogelijke veroorzaker van longziekten. De houwersarbeid aan het kolenfront zag men als ongevaarlijk. Pas na 1945 ging medisch onderzoek zich uitstrekken tot het totale ondergrondse personeel en kwam men erachter dat stoflongklachten bij de houwers net zo vaak voorkwamen als bij de steenwerkers.

Stofbestrijdingsmaatregelen

De Nederlandse steenkolenmijnen zijn vanaf circa 1930 begonnen maatregelen te nemen ter bestrijding van stof om gezondheidsredenen. Daarvoor had stofbestrijding ook al de aandacht, maar dan met name om veiligheidsredenen in verband met explosiegevaar. Dit gevaar ging men te lijf door het verdunnen van de stofconcentraties door middel van goede ventilatie. Na 1930 kreeg stofbestrijding dus ook een gezondheidsdoelstelling, al hebben we het dan dus vooral over de bestrijding van steenstof. Een belangrijke reden daarvoor waren de Zuid-Afrikaanse onderzoeken naar silicose, die rond 1930 sterk de aandacht trokken. Een hiermee verband houdende reden was de dreiging dat silicose als beroepsziekte van mijnwerkers in de wetgeving zou worden opgenomen. Hoewel de Geneeskundige Dienst en de mijndirecties in de jaren dertig voortdurend lieten weten dat er uitgerekend in hun mijnen niet het minste gevaar voor silicose bestond, kon je zien dat ze dat zelf niet geloofden. Zij namen dus het zekere voor het onzekere.
Het werk van de steenwerkers in de mijnen veroorzaakte een enorme hoeveelheid steenstof, gevolg van het boren van diepe gaten in de rots voor de dynamietpatronen, het tot ontploffing brengen daarvan en het verladen en afvoeren van de steenbrokken. Bij het gatenboren was het zaak om het boorstof volledig uit het boorgat te verwijderen. Hiertoe werden de gaten aanvankelijk uitgeblazen. Rond 1930 introduceerde men zg. slangenboren, boren met een spiraalvormige verhoging die al draaiende het boorstof naar de mond van het boorgat bracht waarna het op de grond viel. Ook deed men proeven met boren onder toevoeging van water waarmee het boorstof gebonden werd en uit het boorgat spoelde.

Vochtnevels en sproeien moesten de stofontwikkeling bij de explosie en het verwijderen van de steen tegengaan. Daarnaast startte men met proeven met machinaal verladen. Werken met machines vergde een minder grote fysieke inspanning waardoor de steenwerkers makkelijker stofmaskers konden dragen, iets dat bij het handwerk nauwelijks mogelijk bleek.

Veel energie heeft men gestoken in het ontwikkelen van goede stofmaskers. Het probleem bleek te zijn dat de maskers waardoor je goed kon adem halen onvoldoende het stof tegenhielden en dat met maskers die dat wel deden je weer geen zware lichamelijke arbeid kon verrichten omdat je te weinig lucht binnenkreeg. De jaren dertig was een periode waarin het arbeidstempo flink werd opgevoerd en er werd alom geklaagd over het ‘jaagsysteem' zoals men dit noemde. Onder deze condities werd het gebruik van de hinderlijke stofmaskers natuurlijk niet bevorderd en de maskers die men had werden dus merendeels niet gebruikt.
Pas in de jaren vijftig kon men beschikken over maskers die deze bezwaren niet hadden.
Een ander technisch hulpmiddel in de stofbestrijding waren de stofmeters. Die waren nodig om de effecten van de stofbestrijdingsmaatregelen te kunnen meten en normen voor stofconcentraties te kunnen ontwikkelen.

In de jaren dertig werd dus wel het nodige werk verzet op het gebied van stofbestrijding, maar het had vaak het karakter van uitproberen. Ook werden de stofbestrijdingsmaatregelen niet door alle mijnondernemingen even systematisch ingevoerd zodat er grote verschillen tussen de mijnen bestonden. Goede voorlichting over gezondheidsrisico's aan de mijnwerkers ontbrak, vooral omdat de Geneeskundige Dienst en de mijndirecties wilden benadrukken dat er eigenlijk geen gevaar bestond. Deze halfslachtige houding en het geheel buiten beschouwing blijven van de gezondheidsrisico's die de houwers aan het kolenfront liepen, maken dat van een wezenlijk terugdringen van de gezondheidsrisico's ondergronds in deze periode geen sprake is.

Medische keuringen

Toen de dreiging van erkenning van silicose als beroepsziekte van mijnwerkers groter werd zijn de Limburgse steenkolenmijnen overgegaan tot medische keuringen en periodieke gezondheidsonderzoeken. Iedereen die ondergronds kwam te werken werd röntgenologisch onderzocht op eventueel al aanwezige aandoeningen van de luchtwegen. De steenwerkers werden vervolgens elke drie jaar onderzocht. Dit laatste kan nauwelijks enige preventieve werking hebben gehad omdat silicoseverschijnselen pas na jaren stofinademing zichtbaar werden en de ziekte zich daarna bleef ontwikkelen ook al werd men verplaatst naar een andere werkplek. Kortom als de verschijnselen zichtbaar werden was het kwaad al geschied.

Aanloop naar de erkenning van silicose als mijnwerkersziekte

Ik heb al meerdere keren verwezen naar de erkenning van silicose als beroepsziekte van mijnwerkers in de Nederlandse wetgeving en de debatten over de wenselijkheid en noodzakelijkheid daarvan. Hoe kwam dit thema eigenlijk op de politieke agenda? Daarvoor komen we direct terecht in de internationale politieke arena. Toen na de Eerste Wereldoorlog in 1918 de Volkenbond werd opgericht, werd als onderdeel daarvan ook de International Labour Organisation (ILO) in het leven geroepen. Deze was gevestigd in Geneve.
In 1925 had deze internationale arbeidsorganisatie, waarin vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en regeringsvertegenwoordigers van de aangesloten landen zitting hadden, een verdrag aangenomen waarin werd overeengekomen beroepsziekten gelijk te stellen aan bedrijfsongevallen. Zoals dat ook tegenwoordig nog steeds gaat, is de vervolgstap dat de bepalingen van zo'n internationale overeenkomst worden omgezet en opgenomen in de nationale wetgeving. In 1928 aanvaarde het Nederlandse parlement een aanpassing van de Ongevallenwet 1921, zodat onder deze wet nu ook geregeld was welke verplichtingen werkgevers hadden ten opzichte van werknemers die door een beroepsziekte invalide werden. De Nederlandse werkgevers en ook de Nederlandse mijndirecties hadden sterk tegen deze wetswijziging geageerd.

In 1930 organiseerde de ILO een medische conferentie in Johannesburg, Zuid-Afrika, waar de zeer verontrustende resultaten van het Zuid-Afrikaanse silicose-onderzoek werden gepresenteerd. Dit leidde tot de concrete vraag of silicose niet ook geplaatst moest worden op de lijst van beroepsziekten die onderdeel was van het in 1925 gesloten verdrag. Zo kon dan bevorderd worden dat silicose ook in de nationale ongevallenwetgevingen van de ondertekenende landen als beroepsziekte werd opgenomen. Enige jaren later, in 1934, werd dit thema inderdaad geagendeerd voor een Algemene Vergadering van deze internationale arbeidsorganisatie.

Verzet van de Nederlandse mijnondernemingen

Gealarmeerd door deze ontwikkelingen ondernamen de Nederlandse steenkolenmijnen ogenblikkelijk actie om een krachtig tegengeluid te kunnen laten horen. Dat de Nederlandse mijnen het erkennen van silicose als beroepsziekte van mijnwerkers niet zagen zitten, had alles te maken met het feit dat dit hen veel geld zou gaan kosten. Uitkeringen op basis van de Ongevallenwetgeving moesten worden beschouwd als schadeloosstelling voor inkomensderving. Deze relatering aan het loonniveau leidde tot relatief hoge uitkeringen, waarvan de financiële lasten geheel voor rekening kwamen van de bedrijven. Deze bedrijven konden zich bij de Rijksverzekeringsbank tegen het risico van schadeloosstelling verzekeren. De premies voor de verzekering waren hoger naargelang bedrijven in een hogere gevarenklasse werden ingedeeld. De mijnindustrie zat als gevaarlijke bedrijfstak uiteraard in een dure gevarenklasse.
Eerder, toen in 1928 over de aanpassing van de Nederlandse Ongevallenwet (de gelijkstelling van beroepsziekten aan bedrijfsongevallen) werd gedebatteerd, beargumenteerden de mijnondernemingen hun verzet daartegen met de stelling dat er in hun bedrijfstak een uitstekende ziekte- en invaliditeitsverzekering bestond en dat het dus allemaal niet nodig was. Maar was dat ook zo? Een belangrijk verschil met de Ongevallenwetgeving was dat de premies van de invaliditeitsverzekering van de mijnen gelijkelijk door de werkgevers en de werknemers werden betaald, en dat de uitkeringen op een absoluut bestaansminimum lagen en dus veel lager waren dan de uitkeringen krachtens de Ongevallenwet. De bestaande regeling was dus helemaal niet zo geweldig als werd beweerd. Nogmaals: de opneming van silicose in de Ongevallenwet zou de mijnondernemingen veel geld gaan kosten en zij maakten zich op om zich tot het uiterste te verzetten.

Vossenaar als spil van het verzet

In die strijd plaatsten zij de hoofdmijnarts, hoofd van de Geneeskundige Dienst, op een vooruitgeschoven post. Deze man, de arts A.H. Vossenaar, had onder de mijnarbeiders een slechte naam. Klachten van zieke mijnwerkers die veel te snel gezond werden verklaard en weer aan het werk moesten, waren niet van de lucht en in de crisisjaren werden duizenden arbeiders met lichamelijke klachten met medewerking van de Geneeskundige Dienst zonder mededogen ontslagen. Naast het vele nuttige werk dat op het conto van de Geneeskundige Dienst kon worden geschreven, bijvoorbeeld op het gebied van de letselbehandeling, zat er dus ook een bedenkelijke kant aan deze dienst en de hoofdmijnarts.
In de silicosekwestie voerde Vossenaar de strijd langs twee lijnen. De ene lijn was die van de grote onduidelijkheid over de aard en oorzaken van silicose. Die onduidelijk was er inderdaad: voortschrijdend onderzoek bracht weliswaar voortdurend nieuwe gegevens op tafel, maar omdat deze vaak niet met elkaar te rijmen waren, bleef aanvankelijk ook het aantal vragen groeien. Ook de onzekerheden bij het stellen van de diagnose droegen bij aan die onduidelijkheid. Röntgenonderzoek, volgens Vossenaar de enige objectieve maatstaf zolang geen sectie na overlijden kon worden verricht, kon geen zekere diagnose opleveren, omdat op röntgenfoto's het verschil tussen silicose en tuberculose vaak nauwelijks zichtbaar was. Dus wat er uitzag als silicose kon ook net zo goed tuberculose zijn.

Koos zijn eerste argumentatielijn dus als vertrekpunt de onduidelijkheid, de andere lijn die hij volgde, ging juist uit van een zekerheid, en wel dat silicose in de Nederlandse mijnen simpelweg geen gevaar vormde. Van de alarmerende Zuid-Afrikaanse onderzoeken was hij allerminst onder de indruk; ze zeiden volgens Vossenaar eigenlijk helemaal niets over de risico's in de Nederlandse mijnen.

In 1934 voerde hij een röntgenonderzoek uit bij 500 steenwerkers. Dit onderzoek leidde enerzijds tot de te verwachten constatering dat het vraagstuk gecompliceerd werd door onverklaarbare feiten en dat het uitzonderlijk moeilijk was de diagnose te stellen bij levenden. Aan de andere kant kwam Vossenaar tot de ongerijmde conclusie dat silicose in de Nederlandse mijnindustrie geen enkele rol van betekenis speelde en dat de onderzochte steenwerkers ‘in een volmaakten gezondheidstoestand' verkeerden. En wat hij aan vlekjes op de foto's had kunnen waarnemen, was vast veroorzaakt door andere invloeden. Als er dan al een mijnwerker met silicose gevonden kon worden, dan moest hij dat hebben opgelopen in een Duitse mijn.

Vossenaar nam op een bizarre wijze een loopje met de werkelijkheid en deed uitspraken die hij als medisch onderzoeker nooit had mogen trekken. Duidelijk is dat hij niet van mijnwerkers hield en al helemaal niet van zieke mijnwerkers. Hij veronderstelde dat velen misbruik zouden maken en ten onrechte de hoge uitkering opeisen. Hij stelde: ‘Vandaar dat een natuurlijk streven te verwachten zal zijn, bij ziekte of dood door longziekten van allerlei aard daarvoor een beroepsziekte verantwoordelijk te stellen.'

De algemene vergadering van de ILO in 1934

Vossenaar mocht op de Algemene Vergadering van de ILO in 1934, waar de silicosekwestie behandeld werd, zijn onderzoeksrapport presenteren. Met nauw verholen minachting oordeelde hij dat ‘iedere wetenschappelijke uiteenzetting en een zorgvuldig bewerkt feitenmateriaal tegenover de coalitie van Vakvereenigingsvertegenwoordigers, politici en ambtenaren een heel slechte kans' kreeg. Van vakbonden kreeg hij echt het schuim om de mond. De Algemene Nederlandse Mijnwerkersbond, op de vergadering aanwezig namens het NVV, en voorstander van de erkenning van silicose, kreeg als commentaar: ‘Na voortdurend de arbeiders door onophoudelijke propaganda alle arbeidsvreugde te hebben ontnomen, wordt de bodem voorbereid voor aankweken van verlangens naar minder arbeid, meer loon en mogelijkheden door middel van de sociale verzekering allerlei ‘schadeloosstellingen' binnen te halen met weinig scrupules ten aanzien van de middelen en wegen daartoe te geraken'.
Vossenaars aanwezigheid op de internationale bijeenkomst had effect. Met zijn stellige bewering dat in Nederland geen noemenswaardige kans op silicose bestond, had hij zoveel twijfel gezaaid dat, naast de erkenning van silicose als beroepsziekte, ook werd overeengekomen dat de landen zelf mochten uitmaken welke bedrijfstakken zij met betrekking tot silicose in de nationale wetgeving zouden noemen. Het strijdterrein verplaatste zich nu dus naar Nederland en de inzet werd te voorkomen dat de silicosebepaling op de mijnindustrie van toepassing werd verklaard.

Adviezen, wetsontwerp en kamerbesluit

In 1935 bracht de Rijksverzekeringsbank het advies uit silicose in de Ongevallenwet 1921 op te nemen, maar daar de steenkolenmijnen niet in te betrekken. Het advies ging dus mee met het standpunt van de mijndirecties en leunde daarbij zwaar op de argumentatie van Vossenaar. Het hoofd van het Staatstoezicht op de Mijnen ondersteunde dit advies en stelde, onder verwijzing naar het rapport, dat voor de erkenning van silicose als mijnwerkersziekte ‘niet de minste reden' was. Zo dook telkens weer de zelfde bron op.
In 1936 diende het ministerie van Sociale Zaken een voorontwerp tot wijziging van de Ongevallenwet in bij de Hoge Raad van Arbeid voor advies. De minister vroeg dus om advies over een concept voordat hij het als wetsontwerp naar de Tweede Kamer zou sturen. In deze Hoge Raad van Arbeid hadden vertegenwoordigers van de Nederlandse vakcentrales en werkgeversorganisaties zitting en een aantal deskundigen namens de regering. De minister bleek het advies van de Rijksverzekeringsbank nagenoeg letterlijk te hebben overgenomen. De mijnindustrie werd niet genoemd. Zo klonk de visie van Vossenaar, en die van de mijndirecties met hem, bijna letterlijk door in een voorstel dat tot wet moest worden verheven.

Maar nu, in de Hoge Raad van Arbeid werd een krachtig tegengeluid gehoord. In de subcommissie van de Raad die een standpunt over het voorontwerp van de minister moest voorbereiden, had Vossenaar namens het Verbond van Nederlandse Werkgevers zitting. Namens het Nederlands Verbond van Vakverenigingen had Chris van der Bilt, voorzitter van de Algemene Nederlandse Mijnwerkers Bond zitting in de commissie. Van der Bilt beantwoordde een rapport van Vossenaar, een uitgewerktere versie van zijn rapport uit 1934, met een tegenrapport. Zijn advies de mijnindustrie wel op te nemen in het wetsontwerp kreeg een meerderheid van 9 tegen 3 stemmen.

In deze verrassende uitkomst had de medisch adviseur van de arbeidsinspectie, P.A.Luyt, die ook in de commissie zat, een belangrijk aandeel. Luyt stelde dat de arbeiders niet het slachtoffer mochten worden van wetenschappelijke strijdvragen. Niet alleen de zeer moeilijke vaststelling van silicose aan de hand van röntgenfoto's zou als maatstaf kunnen dienen, maar ook de klinisch-medische vaststelling van de invaliditeit van de betrokkenen, bijvoorbeeld door het meten van de nog overgebleven longfunctie. Dit was trouwens het gebruikelijke uitgangspunt bij de beroepsziektenlijst. Door het erkenningsvraagstuk als maatschappelijk probleem te benaderen en feitelijke invaliditeit als uitgangspunt voor schadeloosstelling te nemen, deden de medische onduidelijkheden en onzekerheden waar Vossenaar zijn afwijzing op baseerde, simpelweg in het geheel niet meer ter zake. Het lot van de invalide mijnwerkers werd belangrijker gevonden.

Het vervolg van de procedure bracht het vermelden van de mijnindustrie als bedrijfstak waar silicose als beroepsziekte kon voorkomen, niet meer in gevaar. In het voorjaar van 1937 nam een meerderheid in de Hoge Raad van Arbeid het standpunt van de commissie over, zodat het advies aan de minister luidde de mijnindustrie wel in het wetsontwerp op te nemen. Mr. A. Haex, directeur van de Oranje Nassaumijnen en lid van de Hoge Raad van Arbeid, had nog getracht uitstel te creëren door op verder onderzoek aan te dringen, maar daarvoor had hij geen steun gekregen. In een allerlaatste poging om de zaak tegen te houden trachtten de Gezamenlijke Steenkolenmijnen de minister van Waterstaat, onder wiens ministerie zij als bedrijfstak vielen, te bewegen bij zijn collega van Sociale Zaken te interveniëren, maar de eerste gaf niet thuis. In 1938 werd het wetsontwerp zonder hoofdelijke stemming door de Tweede Kamer aangenomen.

De rol van het Staatstoezicht op de Mijnen

De lobby van de mijndirecties, zich bedienend van Vossenaar en zijn tendentieuze rapport uit 1934, was aanvankelijk succesvol geweest. Dat blijkt ook uit de opvallend meegaande houding van het Staatstoezicht op de Mijnen. Deze in andere zaken toch onafhankelijk te noemen instelling had zich ertoe laten verleiden het silicoseprobleem zwaar te onderschatten. Omdat hij als niet-medicus Vossenaars niets-aan-de-hand-verhaal geloofde, heeft het hoofd van het Staatstoezicht nagelaten zich actief met stofbestrijding bezig te houden, bijvoorbeeld door het stellen van maximale stofnormen, waartoe hij wel de bevoegdheid had.

De wettelijke erkenning als draaipunt

De erkenning van silicose als beroepsziekte van mijnwerkers in 1938 heeft veel in beweging gebracht. In de jaren veertig werden er tal van beroepszaken uitgevochten tussen geweigerde invalide houwers en de mijnondernemingen. In 1943 besliste de Hoge Raad van Beroep in Utrecht, waar deze zaken in laatste instantie voorkwamen, dat ook kolenhouwers silicose konden krijgen. De redenering was dat tussen de kolenlagen ook kwartshoudende nevengesteenten voorkwamen zodat ook houwers werden blootgesteld aan steenstof.

In de tweede helft van de jaren veertig brak in toenemende mate het inzicht door dat ook kolenstof tot ernstige longaandoeningen kon leiden. Dit leidde tot de conclusie dat in het hele ondergrondse bedrijf het stof te lijf moest worden gegaan. Het belangrijkste stofbestrijdingsmiddel was water. Daarom werd er in alle ondergrondse werken een waterleidingnet met een totale lengte van 500 kilometer aangelegd dat in 1954 voltooid werd.

De erkenning dat niet alleen de steenwerkers maar ook de houwers het risico liepen stoflongen te krijgen, leidde in 1949 tot de oprichting van het Instituut voor Longonderzoek van de Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg. Dit instituut ging periodieke keuringen verzorgen van het gehele ondergrondse personeel. In 1954 werd het Stofinstituut van de mijnen opgericht. Dit instituut was bedoeld als initiator en coördinator van alle technische stofbestrijdingsmaatregelen in alle mijnen. Beide instituten zijn er de uitdrukking van dat de Limburgse steenkolenmijnen eindelijk het silicosevraagstuk serieus namen en de stofbestrijding op een hoger plan wilden brengen.

Een belangrijke reden daarvoor was dat de mijndirecties het probleem niet meer konden wegwuiven. Sinds 1939 waren er in tien jaar 110 mijnwerkers aan stoflongen overleden en werden er meer dan 1100 uitkeringen verstrekt aan invalide mijnwerkers. De eerste onderzoeksresultaten van het Instituut voor Longonderzoek wezen uit dat zo'n 8000 mijnwerkers silicose- of anthracoseverschijnselen vertoonden en dus potentiële invaliden waren. Een ander onderzoek wees uit dat zo'n 1000 ondergrondse mijnwerkers er zo slecht aan toe waren dat ze onmiddellijk van hun werk zouden moeten worden gehaald. Daar komt bij dat de hoofdmijnarts Creyghton, opvolger van Vossenaar die in 1939 met pensioen was gegaan, en het hoofd van het Stofinstituut, de chemicus Matla, niet ophielden de directies op hun verantwoordelijkheden te wijzen.

Conclusie

Ik keer terug naar het begin van mijn verhaal en stel nog eens de vraag: hebben de mijnen het silicoseprobleem gebagatelliseerd? Voor de periode voor de Tweede Wereldoorlog kan die vraag met een duidelijk ja worden beantwoord: met Vossenaar in de fronttroepen hebben de mijndirecties zich louter bekommerd om het geld dat een serieuze en rechtvaardige benadering zou gaan kosten en wendden zij het hoofd af van de ellende in de gezinnen van de invalide mijnwerkers. Met de jaren veertig als overgangsperiode, is pas in de jaren ‘50 en volgende de zaak goed opgepakt. Toch heb ik ook over deze jaren een dubbel gevoel. Over de manier waarop de arbeidsongeschiktheidsregels in de praktijk zijn toegepast, zijn veel akelige verhalen te vertellen. Het feit dat in de jaren ‘90 na acties van het comité Ereschuld Mijnwerkers door de overheid aan 2000 invalide mijnwerkers elk 20.000 gulden werd uitgekeerd als extra silicose-uitkering zegt mij dat er inderdaad sprake is van een ereschuld.

 

Dit artikel is een licht bewerkte weergave van een lezing gehouden tijdens het door het SHCL op 15 mei 2009 in Heerlen georganiseerde Mijnwerkerssymposium. De lezing is grotendeels gebaseerd op: E.J.G. van Royen, De Nederlandse mijnondernemingen en het silicosevraagstuk in de jaren dertig, in: Jaarboek voor de geschiedenis van bedrijf en techniek (1987) pag. 210-227.

  • Artikel
  • 24 september 2009
  • door Eric van Royen

1 reactie(s)


Reacties

Geachte, Mijn vader heeft 20

Geachte, Mijn vader heeft 20 jaar in de steenkoolmijnen gewerkt.(1947-1966) In 1964 definitief gestopt met roken. Van 1966 tot 1988 herkent de fonds van beroepziekte 82% silicose . In 1988 sterft mijn vader en de beroep ziekte wordt niet meer herkent omdat hij niet door mijnziekte zou overleden zijn.Door nieuwe bewijzen is de betwisting in 2011 heropend . Nu vraagt de rechter voor de eindvonnis bewijsmateriaal te bezorgen dat staaft dat er een verhoogd risico is voor longkanker bij steenkoolmijnwerkers aangetast door silicose? Wie kan mij hierbij helpen? Vriendelijke groeten Stefan Sartori

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Koempelmis Staatsmijn Emma

Koempelmis Staatsmijn Emma

  • agenda
  • 25 augustus 2019