De vaktaal van de mijnwerker in de beide Limburgen

De vaktaal van de mijnwerker in de beide LimburgenSchachthond

In 1974 werden de laatste 2 mijnen in Nederlands Limburg en in 1992 in Zolder de laatste mijnzetel in Belgisch Limburg gesloten. Met die sluiting kwam een einde aan een periode die ongeveer 100 jaar een duidelijk stempel heeft gedrukt op het economische, maatschappelijke en culturele leven in deze twee provincies. Voor de beide Limburgen geldt dat de grootschalige ontginning van koollagen pas dateert van het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste. De Nederlandstalige mijnbouwterminologie is dus, in tegenstelling tot veel andere vaktalen, overwegend van jonge datum. Maar ook op andere punten wijkt ze af van het traditionele patroon van vaktalen als die van de molenaar of de smid. Het begrip mijnbouwvaktaal is bijvoorbeeld de overkoepelende term voor verschillende beroepen die we binnen de mijn aantroffen: dat van de houwer, van de stutter, van de schietmeester, enzovoorts.

De mijnbouw in de beide Limburgen heeft zich - historisch gezien - niet op identieke wijze ontwikkeld. De provincie Nederlands Limburg kende in tegenstelling tot Belgisch Limburg een pre-industriële fase in het delven van kolen. In het gebied rond Aken en Kerkrade werd er al heel vroeg steenkool gewonnen en daar ligt dan ook het begin van de Limburgse mijnbouw. Deze pre-ïndustriële fase van de mijnbouw liep tot ongeveer 1900. Dan start de grootschalige mijnbouw, eerst in Nederlands Limburg en vervolgens ook in Belgisch Limburg.

De mijnbouwtaal in de beide Limburgen

2.1 De periode vóór 1700
Zoals gezegd kende Nederlands Limburg in tegenstelling tot Belgisch Limburg een pre-industriële fase in het delven van kolen. In het dal van het riviertje de Worm in de buurt van Kerkrade heeft men eeuwenlang kolen gedolven met beperkte technische middelen. De eerste schriftelijke bronnen uit dat gebied waarin over de mijnbouw bericht wordt, stammen uit de 16e eeuw. De technische middelen waarmee gewerkt werd, waren vrij primitief en daarom was de vakwoordenschat ook vrij klein. Uit onderzoek van bronnenmateriaal bleek dat het om ongeveer 40 vaktermen ging. Een aantal daarvan staat hieronder met hun betekenis bijeen; in cursief zijn een paar (etymologische) opmerkingen door de auteur van deze bijdrage toegevoegd:

Adit, aat, aeth: Ondergronds afvoerkanaal voor mijnwater Een ontlening aan het Latijnse aquaductus
(De coul) bevaren, bereyden: Het ondergrondse deel van de mijn controleren
Coul: dit dialectwoord, uitgesproken als koel, wordt ook nu nog in Nl. Limb. voor ‘mijn' gebruikt; het betekent letterlijk ‘kuil'
Bickel: Pikkel, hak
Brugge: Deel van een kolenlaag die uit veiligheidsoverwegingen niet mag worden afgebouwd
Coelwerck, coolcuyle, koule: Steenkoolmijn
Gesellen, meesters: Mensen die werkzaam zijn in een steenkoolmijn
Getuyg: Gereedschap
Hont: Een van wilgentenen gevlochten slede waarmee de steenkolen ondergronds naar de schacht werden vervoerd
Pompenschacht: Schacht waarlangs het mijnwater naar boven gepompt wordt
Vlos: Watertoevloed in de mijn; vgl. het Hgd. Fluss
Waarschacht: Schacht waarlangs men het ondergrondse deel van de mijn kan bereiken

In de 18e eeuw, als ook de abdij Rolduc met het ontginnen van steenkoolmijnen begint, worden regelmatig mijnbouwkundige vaklieden uit Luik naar het gebied gehaald. In deze periode ziet men ook Luikse en Franse mijnbouwtermen in de stukken opduiken. Maar ze hebben de woorden uit de lokale taal echter nooit helemaal kunnen verdrijven. In het Liber Computuum, een rekeningenboek uit de periode 1774 - 1783 met de uitgaven en inkomsten van de mijnbouw van de abdij Rolduc, vinden we die verschillende talen bijvoorbeeld door elkaar terug. Het eerste deel van het volgende overzicht bevat een aantal Franse woorden uit dit rekeningenboek, het tweede deel voorbeelden van woorden uit de lokale volkstaal:

Franse/Waalse vormen

Beurre, bure: Schacht
Houillerie: Steenkoolmijn
Houilles: Kolen
Porteuses: Vrouwen die bovengronds voor het transport van de kolen zorgden

Lokale woorden
Schachthondt: Vergoeding voor de eigenaar onder wiens grond kolen gewonnen werden
Weyerleuth: Personeel dat de ondergrondse afvoerkanalen moest onderhouden; letterlijk: wijerlui; wijer is het lokale dialectwoord voor ‘vijver', een ontlening aan het Lat. vivarium
Drinckgeld: Gratificatie voor het personeel

De negentiende eeuw

Na 1850 begon de invloed van het Frans en het Waals in de mijnbouwtaal geleidelijk af te nemen. De Duitse invloed nam daarentegen geweldig toe. Dat had vooral te maken met het feit dat de Duitse steenkoolmijnbouw zich in die periode sterk uitbreidde. Door de slechte wegverbindingen met het Nederlandse achterland oriënteerde de Domaniale mijn zich steeds meer op Duitsland, en in het bijzonder op het gebied rond Aken. Hier lag hetzelfde kolenbekken en ontwikkelde zich snel een nieuw afzetgebied.

In 1898 publiceerde mijningenieur Franz Büttgenbach een Duitstalig boekje waarin hij probeerde aan te tonen dat de mijnbouw in Kerkrade tot de oudste van Europa gerekend moest worden. In het boek gaf Büttgenbach ook een lijstje met ongeveer 40 woorden waarvan hij beweerde dat ze in het Kohlenländchen (zo werd het gebied rond Kerkrade toen genoemd TvdW) nog uitsluitend door de oudere generatie mijnwerkers werden gebruikt. Hij schreef over die termen: "die jüngere Generation kennt sie, gebraucht jedoch, in Folge des Einflusses anderer Elemente, besonders aber der Bergschulen, wo ausschließlich in der offiziellen deutschen Sprache gelehrt wird, allmählich diese; so werden diese uralten Ausdrücke mit der Zeit verschwinden und nach einigen Generationen auch kaum mehr bekannt sein".
Een aantal woorden uit de lijst van Büttgenbach zijn hieronder in zijn eigen spelling weergegeven.

Kull: Steenkoolmijn
Meesterkneët: Opzichter; letterlijke vertaling: meesterknecht
Gezüg: Gereedschap van de mijnwerker
Vuhshammer: Handhamer; letterlijke vertaling: vuisthamer
Berg: Bovenzijde steenkoollaag
Wank: Onderzijde steenkoollaag; letterlijke vertaling: wand
Magerang: Ongesorteerde schachtkolen
Stipp: Ondersteuning, stijl
Wenkbahn: Luchtgalerij; letterlijke vertaling: windbaan
Kulkutsch: Mijnhoed, -pet
Dat Schwartze: Steenkoolpijler, de kolen die afgebouwd gaan worden; letterlijke vertaling: dat zwarte
Vüër: Mijngas
Aftreck: Losvloer (bij de schacht)
Onduëgt: Storing in de steenkoollaag; letterlijke vertaling: ondeugd
Bläg: Drinkbus; letterlijk ‘blik'; de dialecten in dit gebied hebben de Hoogduitse klankverschuiving ondergaan; vgl. het Duitse Blech

De twintigste eeuw - Nederlands Limburg

In Nederlands Limburg treedt na 1900 in de mijnbouw de industriële fase in en ontstaat er een kolossale uitbreiding van de koolwinning. Afgezien van Kerkrade waar in het begin van de twintigste eeuw een gevestigde mijnwerkersstand bestond die als volkseigen werd geaccepteerd, was de animo bij de plaatselijke bevolking in Heerlen en omgeving niet groot om in de mijnen te gaan werken. Boeren, geestelijken en schrijvers ageerden om verschillende redenen tegen de grootschalige mijnbouw in Zuid-Limburg. Men vreesde de teloorgang van het goede, Limburgse volkskarakter en het katholieke geloofsleven. De plaatselijke bevolking, veelal agrarisch van aard, was tegen het onregelmatige leven van de mijnwerker met zijn nachtdiensten. Men vond het werken in de mijn vuil en gevaarlijk en met name de boeren waren bang geen arbeidskrachten meer te krijgen door de aantrekkingskracht van de mijnindustrie. De directies van de mijnen zagen zich genoodzaakt elders werknemers te gaan werven. Men probeerde vooral uit de omliggende Duitse plaatsen arbeidskrachten te halen, maar men moest ook vaak verder weg. Heerlen, dat in 1900 een plaats was met ruim 6000 inwoners, kende in 1950 een inwonertal van ruim 60.000 personen. Eenzelfde stormachtige groei maakte men in Hoensbroek, Brunssum, Kerkrade en Geleen door.

De overgang van een bijna zuiver agrarische structuur naar een praktisch geheel industriële maatschappij bracht uiteraard de nodige problemen met zich mee. In 1908 al werd er gewaarschuwd tegen de vreemdelingen "die de pest van zedeloosheid en bandeloosheid ook onder de landskinderen brengen". In 1906 vestigden zich alleen in Heerlen tijdelijk bijna 500 mannen en 400 vrouwen uit het buitenland. Dat was ruim 10 procent van de gehele bevolking.
Zoals gezegd waren het vooral Duitsers die in groten getale in de Limburgse mijnen kwamen werken. In 1930 was bijvoorbeeld 32 procent van de mijnwerkers in de Nederlands Limburgse mijnen buitenlander, waarvan 20 procent Duitsers. Ook in de bedrijfsleiding van met name de particuliere mijnen was het Duitse aandeel sterk vertegenwoordigd. Daarom was in de eerste decennia van de exploitatie de voertaal op veel particuliere mijnen dan ook het Duits. Dat was bijvoorbeeld het geval op de Oranje Nassaumijnen en op de mijn Laura van Laura en Vereeniging in Eygelshoven.
Dat het leidinggevend personeel van de bedrijven Duits georiënteerd was, had onder meer te maken met het feit dat er in Nederland tot 1913 geen mijnschool bestond waar opzichters konden worden opgeleid. Wel was er in het naburige Duitsland, in Bardenberg en later in Aken een mijnschool. Veel opzichters in de Limburgse mijnen met hun technische kennis en hun Duitse terminologie kwamen van deze school. Pas in 1913 kwam er ook in Heerlen een mijnschool. Maar de Duitse invloed bleef sterk aanwezig want ook op deze school werd nog lang van Duitstalige vakliteratuur gebruik gemaakt. Een voorbeeld van een dergelijk Duits leerboek was Kurzer Leitfaden der Bergbaukunde van F. Heise en F. Herbst uit 1914. Veel generaties opzichters, zelfs nog na de Tweede Wereldoorlog, zijn in Nederland met behulp van dit handboek vertrouwd gemaakt met de mijnbouwkunde.
Al vrij vroeg in de twintigste eeuw werden er in Nederlands Limburg reeds pogingen ondernomen om de mijnbouwvaktaal te standaardiseren. Dat was ook wel begrijpelijk want de spraakverwarring ondergronds zorgde vaak voor onveilige situaties omdat men zich onderling niet begreep. De vraag naar een Nederlandstalige terminologie kwam met name ook van de Staatsmijnen, want in dit bedrijf werd ernaar gestreefd zo weinig mogelijk buitenlanders te werk te stellen en wilde men ‘buitenlandse invloeden' tot het minimum beperken.
De eerste aanzet om te komen tot een genormeerde mijnbouwterminologie werd in 1917 genomen door de Mijnbouwkundige sectie van het Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap voor Nederland en Koloniën. Tijdens een vergadering van dit genootschap in Heerlen werd besloten tot het samenstellen van een lijst met mijnbouwkundige termen. In het archief van dit genootschap bevond zich een publicatie Proeve eener Nederlandsche Terminologie op het gebied van den Mijnbouw, de Aardrijkskunde, de Metaalbereidkunde en aanverwante vakken, die was uitgegeven door de Nederlandse Mijnbouwkundige Vereeniging. Deze thematisch geordende lijst bevatte de Nederlandse mijntermen, en hun vertaling in Frans, Duits en Engels. Sommige woorden waren bovendien van een toelichting voorzien. Het boekje werd aan alle leden van de mijnbouwkundige sectie van het genootschap toegezonden met de vraag eventuele fouten te verbeteren en de lijst aan te vullen. Doel was de uitgave van een vijftalig mijnbouwkundig woordenboek, want behalve de bovengenoemde talen zouden ook Spaanse vaktermen worden opgenomen. Dit initiatief heeft echter niet geleid tot een dergelijk woordenboek.
Het materiaal werd wel gebruikt voor de Mijnbouwkundige Nomenclator die in 1949 werd uitgebracht door hetzelfde Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap voor Nederland en Koloniën. Deze Nomenclator was niet alfabetisch, maar thematisch geordend. Alle termen rond bijvoorbeeld het ondersteunen van de mijngangen of de winning van steenkool waren dus in één hoofdstuk bijeengezet. De Nomenclator gaf bij de Nederlandse vorm ook de vergelijkbare Engelse, Franse, Duitse en Spaanse termen. In het alfabetische register werd bij gebruikelijke germanismen naar ‘verbeterde' woorden verwezen.
In 1952 stelde de Centrale Taalcommissie voor de Techniek een woordenlijst samen over de mijnbouwkunde waarin ernaar werd gestreefd de mijntaal van Duitse leenwoorden te zuiveren: dak in plaats van het hangende (vgl.Duits das Hangende), winning in plaats van afbouw (Duits Abbau), helling in plaats van invallen (Duits das Einfallen) enz.
Deze woordenlijsten werden in de loop van de volgende decennia wegens hun praktische opzet veel gebruikt op de Limburgse mijnen. Een verspreiding van de Nederlandse vormen werd verder ook in de hand gewerkt door het feit dat vanaf de jaren ‘50 het lesmateriaal voor de gezamenlijke Limburgse mijnen centraal werd ontwikkeld. De Staatsmijnen speelden daar een belangrijke rol bij. Voorbeelden van dergelijke, voor alle Limburgse mijnen ontwikkelde handboeken waren onder meer het Handboek houwer en de reeks Mijnbouwkunde, een zestal instructieboeken voor de opleiding van ondergronds personeel uit begin jaren ‘60, die op de mijnschool werden gebruikt.
Wanneer we de mijnbouwtaal uit de handboeken en publicaties aan het eind van de jaren ‘60 van de vorige eeuw in Nederlands Limburg vergelijken, kunnen we stellen dat de Hoogduitse invloed plaats had gemaakt voor een eigen, Nederlandstalige mijnbouwterminologie. Die gestandaardiseerde vaktaal werd ook door het hogere personeel gebruikt. Daarnaast was er de vaktaal van de mijnwerkers zelf, op de werkvloer en in de pijlers ondergronds. Daar kwamen sporadisch nog Duitse ontleningen in voor en - vooral in Kerkrade - dialectwoorden.

De twintigste eeuw - Belgisch Limburg

Toen in 1901 in As de eerste aanzet wordt gegeven tot de grootschalige exploitatie van steenkoollagen, betekende dit ook voor Belgisch Limburg grote veranderingen. De agrarische, en ook armoedige Kempen maakte in een korte tijd een enorme ontwikkeling door.
Genk, het latere middelpunt van de Kempense mijnindustrie, was in 1900 een dorp met 2500 inwoners. In 1950 waren er dat 44.000. Zonhoven had in 1900 een kleine 3000 inwoners en in 1952 ruim 9000. De bevolking was in Genk en Eisden in 1935 vertienvoudigd vergeleken met die van 1900.
De bevolkingsgroei in deze plaatsen werd veroorzaakt door de grote vraag naar arbeiders op de mijnen. De bedrijven haalden hun personeel noodgedwongen dan ook uit allerlei streken. Zo had de André Dumont-mijn in Waterschei in 1930 bijvoorbeeld ruim 3.500 Limburgers in dienst, 669 arbeiders uit andere Belgische provincies en 1.585 arbeiders uit andere landen. Op de mijn in Winterslag was in 1936 de verhouding zelfs: één vreemde arbeider op twee Belgische arbeiders.
Dat men zoveel buitenlandse arbeiders moest aantrekken, lag onder andere aan het feit dat de Limburgse arbeider en boerenzoon een afkeer had van het mijnbedrijf. Zeker in het begin van de mijnbouw was er bij de autochtone boerenbevolking een sterke weerstand tegen het werken in de mijn. Hierdoor kwam het ook dat er weinig of geen plaatselijke dialectwoorden uit bijvoorbeeld de landbouwerstaal ingang konden vinden in de terminologie rondom de mijnbouw. En evenzeer dat er weinig klankkenmerken van de lokale dialecten in de mijnbouwtaal werden opgenomen.
Lange tijd was in de Belgisch Limburgse mijnen het Frans de voertaal. Daar ging een sterke Waalse invloed aan vooraf. De allereerste mijnwerkers waren Walen en kwamen voor het merendeel uit Henegouwen. Daarbij voegden zich al vrij spoedig Limburgers die in de Luikse mijnen hadden gewerkt. Zij brachten eveneens Waalse mijnbouwtermen mee uit het Luikse mijngebied. Het gebruik van Waalse en Franse woorden werd verder nog gecultiveerd door het feit dat de bedrijfsleiders en de ingenieurs van Waalse of Franse komaf waren.
In de jaren dertig groeide het besef dat het geen ideale toestand was, wanneer de arbeiders op eigen bodem door vreemden in een vreemde taal aangesproken en geïnstrueerd werden. Het leidde ondergronds bovendien regelmatig tot gevaarlijke toestanden en beïnvloedde daardoor op negatieve wijze het productieproces. Rond de jaren 1935-1936 kreeg het Nederlands dan ook een grotere plaats in de mijnbouwindustrie. De Vlaamse Ingenieursvereniging begon met het samenstellen van een Nederlands-Franse bedrijfsterminologie. Die verscheen in 1942. De lijst bevatte een opsomming van de Nederlandse vakterm, het Franse equivalent en gaf verder bij veel termen een korte toelichting of omschrijving van het begrip. In de inleiding van deze publicatie merkten de samenstellers op: "Met de ontwikkeling van het Limburgsche Kolenbekken en de daarmee gepaard gaanden voortschrijdende aanpassing van de toestanden op taalgebied, werd een mijnbouwkundig woordenboek steeds meer noodzakelijk, wilde men een einde stellen aan het weelderig tieren van allerlei bastaardtermen en tevens eenvormigheid brengen in de terminologie. De beslissing van de voornaamste bedrijven tot algeheele vernederlandsching van hunne diensten maakte het tenslotte noodig in korten tijd te kunnen beschikken over een betrouwbare technische woordenlijst voor het mijnbedrijf."
Na de Tweede Wereldoorlog zien we dat de vernederlandsing van de vaktaal zich verder doorzet. Daar draagt de Handleiding tot de mijnbouwkunde van J. Dalemans en L. Suetens uit 1947 wezenlijk toe bij. Dit boek werd gebruikt op de mijnbouwschool van Beringen bij de opleiding van opzichters. Gallicismen in de terminologie waren in dit boek vervangen door Nederlandse termen. In de inleiding omschreven de auteurs wat het doel van deze publicatie was: "Bij de aanvang der steenkolenwinning in onze Kempen, bestond het toezichthoudend personeel in de kolenmijnen hoofdzakelijk en bijna vanzelfsprekend uit vreemde en vooral Waalse elementen. Het is echter spoedig gebleken, dat onze Limburgse mijnwerkers behoefte hadden aan Vlaamse meesters en zo drong zich de noodzakelijkheid op, deze leemte aan te vullen door het opleiden van degelijk geschoolde en gezaghebbende opzichters".
In 1952 werd er een akkoord gesloten tussen afgevaardigden-beheerders van alle Limburgse mijnen en de leden van de Limburgse Economische Raad (L.E.R.). In dit akkoord werd vastgelegd dat het bedrijfsleven in de betrekkingen naar buiten en in de interne diensten moest worden vervlaamst, dat arbeiders en bedienden steeds in het Nederlands moesten worden aangesproken en dat Franstalige ingenieurs en bedienden in de kortst mogelijke tijd Nederlands moesten leren.
Mede als gevolg van deze overeenkomst verschenen er in de jaren vijftig verschillende publicaties waarin de nadruk lag op de vervanging van het Frans/Waalse begrip door het Nederlandse.
Een goed voorbeeld van zo'n uitgave is het boekje dat de mijningenieur J. Defoin ter gelegenheid van de Limburgse dag in 1958 publiceerde. Het bevat een alfabetische lijst van 555 mijntermen. De woorden zijn gerangschikt op de Nederlandse vakterm en zijn van een korte toelichting voorzien. Soms wordt ook verwezen naar het Franse equivalent of wordt de overeenkomstige term gegeven uit wat de auteur het ‘Dialect Belgisch Limburg' (DBL) noemt. Zo vinden we onder de Nederlandse term betimmering bijvoorbeeld het Franse boisage vermeld en het dialectwoord bohetsj dat in dit geval duidelijk een Waalse achtergrond heeft.
Toch lijken de pogingen die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw worden ondernomen door de Kempense steenkoolmijnen om de vaktaal te vernederlandsen niet al te succesvol te zijn geweest. Dat blijkt uit de verschillende omspellijsten die er in de volgende decennia centraal en op de verschillende mijnen blijven verschijnen.

Een voorbeeld van een centrale publicatie is de Aangepaste technische woordenlijst - We zeggen het zo! Deze lijst werd eind jaren ‘60 uitgegeven door de Kempense steenkoolmijnen. De lijst bevat op iedere bladzijde twee kolommen met als opschriften "Wij zeggen voortaan" en "Wij zeggen niet meer" waarbij in de eerste kolom de Nederlandse vaktermen en in de tweede de daarmee corresponderende Frans/Waalse leenwoorden zijn opgenomen. Een woord als ouvrie was volgens deze lijst niet meer toegestaan, in plaats daarvan moest men houwer gaan gebruiken en het Franse pilier diende te worden vervangen door kopgalerij.

Een voorbeeld van een lijst die op de mijnzetels zelf werd ontwikkeld is de uitgave Gebruikte technische mijnvaktermen van de organisatiedienst van de mijnzetel Waterschei. Het boekje geeft in twee kolommen de op deze mijn gebruikelijke en de aanbevolen vaktermen. Deze lijst maakt ook goed duidelijk dat het probleem van de Franse en Waalse leenwoorden tot aan het eind van de exploitatieperiode van de Belgische mijnen heeft bestaan: de lijst is uit 1986, en is dus nog 1 jaar voor de sluiting van deze mijn gemaakt.

Samenvattend kunnen we stellen dat in Belgisch Limburg aan het eind van de jaren ‘80 vooral in de handboeken een van Franse en Waalse leenwoorden gezuiverde mijnbouwvaktaal werd gebruikt. Op de werkvloer, in de pijler, werd op dat moment nog steeds een vaktaal gesproken die gekenmerkt werd door veel Franse en Waalse vaktermen. Dat beeld werd ook bevestigd door de antwoorden in de vragenlijsten van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten uit de eerste helft van de jaren tachtig. Uit dit materiaal bleek bovendien dat de invloed van de lokale dialecten op de vaktaal minimaal is geweest.

Lexicale verschillen tussen de Nederlands en Belgisch Limburgse mijnbouwtaal

Zoals we hebben gezien, is er dus een duidelijk verschil in de woordenschat van de Nederlandse en de Belgische mijnvaktaal. Om dat ook geografisch te illustreren zijn van een drietal mijnbouwbegrippen hieronder de gebruikte Nederlandse en Vlaamse varianten in kaart gebracht. Het materiaal is afkomstig uit de aflevering over de mijnwerkersterminologie van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, WLD II.5.
De verticale verbinding tussen het ondergrondse en het bovengrondse gedeelte van een mijn wordt de schacht genoemd. De schacht wordt niet alleen gebruikt voor het transport van personeel, kolen en materiaal, maar ook voor de luchtverversing ondergronds. Op de kaart schacht zijn de belangrijkste termen die hiervoor gebruikt werden in de beide mijngebieden, opgenomen. Uit het kaartbeeld blijkt dat schacht het enige woord was dat in de Nederlands Limburgse mijnen werd gebruikt. Voor alle Belgische mijnen werd beur opgetekend (het opstaande rechthoekje). Opvallend is dat schacht ook heeft weten door te dringen in de mijnen van Eisden en Zwartberg (de twee meest linkse zwarte bolletjes op de kaart).
De term beur is afkomstig uit het Luikerwaals. Jean Haust vermeldt het in zijn La Houillerie Liègeoise, een woordenboek van de Luikse mijnbouwtaal, onder het lemma beûr. Hij leidt het woord af uit een Germaans woord bûr en verwijst verder naar het Oudhoogduits bûr ‘huis'. Oorspronkelijk duidde het woord dus de hut aan die boven de put was gebouwd, later door uitbreiding de schacht zelf.

Wat werd er gezegd: schacht, beur, put of kuilWat werd er gezegd: schacht, beur, put of kuil

Een van de meest kenmerkende zaken op het terrein van de steenkoolmijn zijn de metalen of betonnen constructies waarin de schachtwielen zijn gemonteerd, de zogenaamde ‘schachtbokken' of ‘schachttorens', termen die in de beide provincies ingang hebben gevonden. Op de kaart schachtbok, -toren is de verspreiding van beide woorden opgenomen. Daarnaast kent men in Belgisch Limburg voor deze bouwwerken het woord bellefleur. De verspreiding van dit laatste woord is in de kaart met 2 verticale streepjes weergegeven. Ook Haust vermeldt in zijn La houillerie liégeoise dat de schachtbok in het Luikerwaals bèlfleûr of bèle-fleûr wordt genoemd. Hij verklaart het woord als een volksetymologische vervorming (bèle-fleûr = belle fleur, ‘mooie bloem') uit het Oudwaals belle-froit, Oudfrans berfroi (= Frans beffroi, Nederlands belfort), dat ontleend werd uit het Oudgermaans bergfrid, ‘(toren) die de veiligheid beschermt'.

schachbok, schachttoren, schacht of bellefleurschachbok, schachttoren, schacht of bellefleur

De kaart opzichter geeft de verspreiding van de benaming voor de laagste rang bij het toezichthoudend personeel in het ondergronds bedrijf in de beide Limburgen weer. Opmerkelijk hier is dat de door de officiële nomenclatuur geadviseerde term, namelijk opzichter, alleen in Belgisch Limburg in alle mijnen heeft weten door te dringen. In Nederlands Limburg werd de term vooral opgegeven door invullers die op de Staatsmijnen hadden gewerkt en dat is niet verwonderlijk wanneer men bedenkt dat op deze mijnen consequent de stelregel werd gehanteerd dat er zoveel mogelijk gewerkt moest worden met een Nederlandstalige terminologie. Op de particuliere mijnen daarentegen is zo goed als overal sprake van het uit het Duits ontleende Steiger ‘opzichter', een afleiding van het werkwoord steigen dat in de mijnbouwterminologie de specifieke betekenis ‘uit het ondergrondse gedeelte van de mijn naar boven gaan' heeft gekregen. Opmerkelijk is dat het woord al een aan het dialect aangepaste klinker -ie- vertoont: stieger, sjtieger, en in Kerkrade waar de g als j wordt uitgesproken: sjtiejer. Opvallend is ook de positie van de mijn van Eisden, waar naast het in Belgisch Limburg gebruikelijke, uit het Frans ontleende porion, ook steejger werd vermeld. Dat de mijn van Eisden een in Nederlands Limburg gangbaar woord overnam kwam waarschijnlijk doordat er op deze mijn door de ligging aan de grens verhoudingsgewijs veel Nederlandse mijnwerkers werkten.

opzichter, steiger of porionopzichter, steiger of porion

Tot slot

We kunnen vaststellen dat de invloed van de mijnwerkerstaal en -terminologie op het dialect in de beide Limburgen gering is geweest. Dat heeft verschillende oorzaken. Mijnarbeid werd verricht in een gemengde taalsituatie; mijnarbeid was alleen mannenarbeid en mijnarbeid genoot gering aanzien zeker bij de oorspronkelijk agrarische bevolking van de mijnstreek. Bovendien is de mijnterminologie nog zeer jong. Ze heeft pas in de twintigste eeuw door de grote technologische ontwikkelingen flinke uitbreiding gekregen. En omgekeerd vinden we weinig lexicale sporen van het dialect terug in de mijnbouwvaktaal. Als er een taalkundige ontwikkeling te bespeuren valt, dan geldt voor Belgisch Limburg vooral de ontwikkeling van een sterk Frans-Waals gerichte terminologie naar een uiteindelijk meer aan het Nederlands aangepaste vaktaal: porion werd opzichter, beur werd schacht, piqueur werd afbouwhamer. Voor Nederlands Limburg zien we een overgang van het gebruik van een Duitstalige terminologie naar een meer Nederlandse waarbij woorden als querslag, streb en stempel werden vervangen door steengang, pijler en stijl. In deze twee ontwikkelingen heeft de taal van de Oosteuropese mijnwerkers in de beide Limburgen geen rol van betekenis kunnen spelen. Evenmin hebben andere buitenlandse mijnwerkers, bijvoorbeeld Italianen, sporen in de mijntaal achtergelaten. Opvallend is ook dat de mijnbedrijven uit de beide gebieden nauwelijks pogingen hebben ondernomen, om gemeenschappelijk een gestandaardiseerde Nederlandse vaktaal te ontwikkelen.

 

Deze tekst werd als lezing uitgesproken op het symposium De geschiedenis van de Limburgse mijnwerkers dat op 15 mei 2009 in Heerlen werd gehouden. Het is een bewerking van: Wijngaard, T. van de en H. Crompvoets, Mijnwerkersterminologie in de beide Limburgen: meer verscheidenheid dan eenheid (Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, Nr. 51). Hasselt 1989.

  • Artikel
  • 3 oktober 2009
  • door Ton van de Wijngaard

5 reactie(s)


Reacties

mevrouw ,mijnheer, in

mevrouw ,mijnheer,

in Wallonië bestond destijds een uitdrukking 'pain de coucou' (in Frankrijk was dat 'pain d' alouette') voor
het overschot dat de mijnwerker van zijn rantsoen meebracht uit de ondergrond om aan zijn kinderen te eten te geven. Was dat in Limburg ook gebruikelijk en had dat een naam?

met vriendelijke, groeten en dank bij voorbaat voor een antwoord;

hugo brouckaert

Geachte heer Brouckaert, Ik

Geachte heer Brouckaert,

Ik heb uw vraag op onze Facebookpagina geplaatst. kijken of we een antwoord krijgen!

Met vriendelijke groet,
Nico Zijlstra DeMijnen.nl

Hallo meneer Bouckaert, Weet

Hallo meneer Bouckaert,

Weet u misschien of in 1932 ook Engelse mijnwerkers in de Limburgse mijnen werkten? Ik zou hier graag wat informatie over vinden.

Één grootvader in onze familie is onbekend maar heeft waarschijnlijk wel een Engelse achtergrond.

Hartelijke groeten,
Sanne Breeschoten

Ik zoek de vertaling voor het

Ik zoek de vertaling voor het woord Gayette dat door de mijnwerkers van Charleroi werd gebruikt. Een gayette zou een portie kolen betekenen die de mijnwerker gratis kreeg om zijn huis te verwarmen.

Hallo, Ben op Zoek nagar de

Hallo, Ben op Zoek nagar de functie van Steiger in de mijnbouw. Heb vroeger de term faker gehoord mar Ben kwijt wat de functie was.
Met vr.groet

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...