Een multicureel verhaal

Een multicureel verhaalFamiliefoto, de auteur vooraan (baby)

Dhr. Br. Drs. L. Speth werd in 1927 geboren te Heerlen en heeft het mijnwerkersleven in die omgeving van dichtbij meegemaakt. Zijn observaties heeft hij verwerkt in een, met momenten ontroerend, verslag onder de titel een multicultureel verhaal. Daarin toont hij dat de multiculturele samenleving geen recent verschijnsel is. In de Limburgse steenkolenmijnen waren namelijk de nodige nationaliteiten en culturen vertegenwoordigd.

Na zijn jeugd en tienerjaren in de Oostelijke Mijnstreek studeerde Leo Speth onder andere Psychologie en Orthopedagogiek aan de Universiteit in Nijmegen en was hij vijftig jaar werkzaam op een doveninstituut in St. Michielsgestel (Noord-Brabant). Daarnaast heeft hij veel gepubliceerd over doofheid en daaraan verwante zaken, vaak samen met zr. drs. Mariëlle van der Hoven. Broeder Leo Speth is tegenwoordig woonachtig in Maastricht.

Een multicultureel verhaal

Over multiculturele samenleving wordt vaak gesproken. Het is een hot item. Pers, radio, TV doen dapper mee. Deze vorm van samen leven is al heel oud: de Joden in Egypte, Zuid - Afrika, Amsterdam rond 1650, doven in een horende maatschappij.

Naast gezinsstructuur, godsdienst, kleding, speelt de taal een grote rol.

Ik had me weinig in dit onderwerp verdiept. Dat veranderde. Na een gesprek met een jonge gastarbeider uit Turkije. Opeens drong het tot mij door: je bent zelf geboren en getogen in een multiculturele samenleving

Ervaring dichtbij

Begin 19e eeuw verhuisde het gezin Plum vanuit de Elzas naar Aken. Dochter Christine, mijn toekomstige moeder, volgde er een opleiding.

Aan de andere kant van de grens, in Vaals, woonde de familie Speth. Acht zonen en een dochter. De jongens volgden voortgezet onderwijs. Christiaan, mijn toekomstige vader, studeerde aan de hogere technische school, de "Politechnik" in Aken.

Christiaan en Christine ontmoetten elkaar. Gingen van elkaar houden en trouwden in 1918.

Mijn moeder werd daardoor Nederlandse. Net als prinses Maxima. Zonder Christiaan en Willem Alexander zou alles anders gelopen zijn.

Prinses Maxima had al een cursus Nederlands achter de rug. Daarna een vervolgcursus. Haar charme had geen aanvullingen nodig.

Moeder sprak alleen Duits. En het dialect rond Aken en Vaals. Geen Nederlands. Wel lichaamstaal. Om u tegen te zeggen.

Vader sprak dialect en Duits. Had in Vaals op een Nederlandse school gezeten. Maar zonder onderwijs in het Nederlands. De voertaal was Duits!
Toch sprak hij perfect Nederlands. Las en schreef het foutloos. Had hij in 's Gravenhage geleerd. In de residentie. Vervulde daar zijn dienstplicht. De kapitein stond erop: "Nederlands leren, jongeman". Vader leerde vlug.

In 1919 werd mijn oudste broer geboren. Nog vier kinderen kwamen na hem. Ik was de derde.

Het turbulente einde van de eerste wereldoorlog belette vader zijn studie aan de "Politechnik"in Aken voort te zetten.

Familiefoto, de auteur vooraan (baby)
Er moest brood op de plank komen! Vaals had geen banen te vergeven. De mijnstreek wel. Vader solliciteerde op de Oranje Nassaumijn II in Schaesberg. Een van de vier particuliere mijnen. Zijn technische opleiding gaf de doorslag. Werk bovengronds. De ingenieurs werden zijn vrienden.

Verhuizen was de volgende stap. Naar de Molenberg. Een nieuwe woonkern bij Heerlen. Onze buren waren Friezen. Protestant. Aardige mensen. De broeder - en zusterscholen hadden een goede naam. De keuze voor de scholen was vlug gemaakt.

Leerplichtig

In 1933 werd ik leerplichtig. Naar de lagere school; met moeder kordaat op weg. De eerste klas, bij Broeder Ernestinus. Ik kende geen woord Nederlands. Begreep wel heel wat. Antwoordde met: "Ja Mutter, nein Mutter".

De broeder lachte me nooit uit. Hij was constant vriendelijk en behulpzaam. De klasgenootjes deden gewoon. Waren wel wat gewend. Hadden genoeg aan zichzelf.

Buiten schooltijd werd Heerlens - Nederlands gesproken. Dat ging in een ruk door. Ik hoorde later, dat de broeder ook een buitenlandse moeder had.

Op het einde van het eerste schooljaar, kreeg ik een echt rapport. Had goede punten. Maar... een vier voor taal. Daar keek niemand van op. Ik ging gewoon over.

Onze ouders wilden ons verder laten leren. Al was bezuinigen de boodschap.

Mijnwerkers

In 1938 verhuisden we naar Leenhof. Een mijnwerkerskolonie. Doet denken aan de Nederlandse koloniën. Hoorde bij Schaesberg, nu Landgraaf. Een groot gebied was onderverdeeld in kolonieën. Het bestond uit eenheden. De mijnwerkers, kompels waren op zoek naar werk. Kwamen uit heel Europa. Ze werden naar land van herkomst geplaatst tussen andere gezinnen. Het waren onder anderen Tsjechen, Polen, Duitsers, Russen, Ieren, Slowaken...

Een multicureel verhaalDe Oranje-Nassau II steenkolenmijn in Schaesberg

Voor de mijnwerkers veranderde er tijdens de Duitse bezetting weinig. Hun werk moest doorgaan. Zij werden op een bepaalde manier afgescheiden. Onder dwang. Soms douceurtjes!

Ons nieuwe huis had een ruime tuin. De rest was wel even anders. Soberder? Geen water. Wij haalden dat aan een pomp. Vierhonderd meter van ons huis vandaan. Met emmers. Op wasdag, 's morgens, zes maal twee emmers. Daarna met de fiets naar school, op de Molenberg.

De pomp was een sociaal trefpunt. Veel nieuws. Raad vragen. Meestal vrouwen. Ook kinderen. Er werden naast het Nederlands veel andere talen gesproken. Het kon er ook verhit aan toegaan. Dan knetterden de talen door elkaar.

Ons huis had geen gas. Sanitair: verbeteringen!

Iedere bevolkingsgroep vierde op eigen wijze zijn feesten. Dans, zang, kleding, gebraad. Dan ging de hemel open.

Ons huis had geen gas. Sanitair: verbeteringen!

Een multicureel verhaalOns huis had geen gas. Sanitair: verbeteringen! Langs ons huis lag het miljoenenlijntje. Eigenlijk langs heel Leenhof. De spoordijk stak boven ons dak uit. Ongeveer 50 meter er vandaan. De kolentreinen denderden dag en nacht voorbij. De grond, ons huis, alles trilde telkens van jewelste. Niemand klaagde. We sliepen 's nachts gewoon door. Zelfs de schelle fluitsignalen deerden ons niet.

Diep onder de grond werden de kolen gedolven. Meer dan 400 meter diep. Het zwarte goud. Soms vond dat onder de huizen plaats. Mijnhuizen; gingen dan scheuren. Het kon je voordeur zijn, met inbegrip van een deurpost. Die zat dan scheefgeklemd. Soms ontstond ernaast een opening. Kon je toch je huis binnen. Dat hoorde erbij. Dieven? Wat moesten die zoeken? Er viel niets te halen. Niet eens een waterkraan.

In Leenhof zag ik de mijnwerkers. Voor het eerst. In groepjes. Ze werkten in ploegendienst. Dagschicht, nachtschicht. Ondergronds, in de kolenmijn, in de koel.

's Morgenvroeg kwam ik ze steeds tegen. Als ik uit de kerk kwam. Op hun rug een pungel, een bijeengeknoopte handdoek. Met vuile kleren van de afgelopen nacht. Sloften moe verder. Afgepeigerd. Hadden het erop zitten.

Toch groetten ze me stuk voor stuk. Met hun hoofd, een hand, een brom. Ze hadden ondanks alles oog voor een kind. Ik liep op de straat. Zij op de stoep. Die lag vol fluimen. Opgehoest slijm. Kolenstof.

Geloof

Over hun geloof wist ik niets. Toch was ons kerkje zondags vol. En stemmig, met veel kaarsen. Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit een preek verstaan heb! Die werd overstemd door de hoestende mijn werkers.

Er kwam wel eens een beroemde predikant. Na afloop zei Vader dan: "Nou, nou". Hij doelde op de brede hand - en armbewegingen, de felle ogen van de redenaar. Moeder glimlachte begrijpend.

Een multicureel verhaalVader en moeder, Christiaan en Christine Speth-Plum
Vader kon kritisch zijn. Op Koninginnedag was de jaarlijkse lintjesregen. Gold niet voor de mijnstreek. Dan zei Pap: "die zijn alleen voor Pieten". In dialect: "mensen die niet veel uitvoeren". Drie van zijn kinderen werden later Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Pieten! Onze ouders hebben dat niet meer meegemaakt. Wat zou Pap ons geplaagd hebben!

Elke avond was er lof, met rozenkrans. Echt rooms. Veel kerkgangers. Na de bevrijding ook Amerikaanse soldaten met geweer; helm af. Een nieuwe taal deed zijn intrede. Engels.

Bevrijding

Al was Zuid - Limburg als eerste in 1944 bevrijd, de oorlog was nog niet voorbij. Tijdens de schemering hoorden wij vaak laagvliegende Duitse nachtjagers. Vrij geruisloos. Op meer plaatsen hadden zij al splinterbommen gedropt.

Op een dag in oktober, 1944, gebeurde het. Zo'n 80 mensen verlieten het kerkje. Ook mijn jongste zusje en ik. Plotseling begonnen er bommen te vallen. Een compact pakket komt draaiend, cirkelend omlaag. Verspreidt zijn splinterbommen over een groot oppervlak.

In de beginnende duisternis een lucht vol ontploffingen. Geroep, geschreeuw. Gillen en kermen. In meer dan één taal.

Mijn zusje en ik lagen ongeveer in het midden van het kerkpleintje. Zij had een splinter in het bot van haar been. Ik wat schrammetjes rond mijn keel. Naast ons veel zwaargewonden, doden en stervenden. Een wereld vol geluiden. Contact zoeken. Roepen. Handen proberen vast te houden. Ook die van soldaten.

Rechts naast ons lagen vier jongens voorover. Kinderen van de bakker. Armen om elkaars schouders geslagen. Zo waren ze vrolijk uit de kerk komen lopen. Nu in een dodelijke omarming. Meer mensen begonnen hen te zien. Een vrouw riep: "We moeten de ouders waarschuwen. Hun winkel is wat verderop".

De vader was er vrij snel. Hij zag zijn zoontjes liggen. In het schemerdonker. Met de andere getroffenen. Er leek een zekere saamhorigheid te groeien tussen de gewonden en de vader. Een wederkerig soort troosten. Zonder woorden. Vergeet je nooit meer!

Werkeloos

Voor de mijnen waren er tijden, dat de werkeloosheid toesloeg. Dan vielen er veel ontslagen. Soms bruut. Vrijdags. Bij de ingang van de mijn werden schoolborden geplaatst. Vol namen. Met krijt geschreven. Stond je erop: kon je je biezen pakken. Heel wat mensen liepen erlangs. Veel vrouwen. In angst en beven. Ontdekten ze hun familienaam, brak de hel los. Schreeuwend van onmacht. Gillend van woede. De naam stond er! Wanhopige gezinnen bleven achter. Hadden alleen nog elkaar.

Ondergrondse instortingen, overstromingen, gasontploffingen deden zich minder vaak voor.

Na mijn lagere - schooltijd ging ik aan de studie, in 1939. De Duitse inval ontregelde alles. Wij werden naar huis gestuurd. Toen werd ik onderduiker en boodschapper.

In 1944: bevrijding. Tolk bij de Amerikanen. Ruw leven. Daarna naar Maastricht. Studie oppakken.

De mijnen in

Ik had nog één wens. Jarenlang gekoesterd: naar het kolenfront. Ondergronds. De werkelijkheid meemaken. Met de mijnwerkers: Nederlanders, buitenlanders. Ik sprak er met mijn ouders over. Via een hoofdingenieur kwam de goedkeuring. Ook die van Maastricht.

Enkele weken later mocht ik komen. Meldde me bij de ingang van de Oranje Nassau II. Tekende een formulier: eigen risico. Sloot me aan bij een groep mijnwerkers. Die stonden al klaar. Taxeerden me.

Eerst naar een hoge hal. Kleren verwisselen. Mijnkleding. Eigen spullen aan een haak. Via een lang touw omhoog trekken. Tot het plafond. Vanwege beveiliging.

Helmen met koplampen worden uitgereikt. Dan naar de liftschacht. Daar stijgen en dalen de liftkooien. Tientallen. In elke kooi passen vier kolenwagons. Wij gaan ertussen staan. Weinig liften voor personenvervoer. De liftkooien zijn open. Ook in de winter. Je ziet grote kabelwielen.

Het is een inladen, stoppen, uitladen. Zonder ophouden. Op verschillende verdiepingen. Beneden inbegrepen. Daar is het een kruising van wegen, rails, treinen. Een spitsuur dat steeds doorgaat. Middelmatige verlichting, stof, hitte. Vroeger waren er ponnies. Karren.

De mannen die me zouden begeleiden, wenkten. In een treintje reden we door wat ruimere gangen. Naar een volgend kruispunt. Dan een gang waar je gebukt verder moest. Tot aan een rupsband. Beladen met kolen, voor verder vervoer. Ook voor mijnwerkers. We gingen er bovenop liggen. In buikligging. Helm op, lamp aan, rijden maar. De kompels in ons groepje waren oplettend. Ik voelde hun bezorgdheid. Na een lange rit bereikten we een tweede kruispunt. De rupsband stopte. Ik draaide er onhandig vanaf. We moesten weer gebukt verder. Naar een andere gang. Ongeveer 130 cm hoog. Daar staat een metalen vervoermiddel klaar. Voor straks: over elkaar schuivende schudgoten. Electrisch aangedreven.

Elke goot beweegt langzaam vooruit. Dan snel terug. Wat erop ligt, verplaatst zich naar voren, wordt vervoerd. Steenkolen. Mensen. Met veel kabaal. De mijnwerkers demonstreren het liggen. Buik op de kolen. Hoofd dito. Iemand zegt nog: "Nooit je hoofd optillen onderweg. De schudgoten moeten eerst stilstaan".

Een zwaar zoemend geluid kondigt het vertrek aan. Daarna vergaat de wereld van de herrie. Krassende ijzeren goten. Gaan over elkaar heen. Voor en achteruit. Onder je lijf. Daartussen kolen. Mamma mia.

Op een gegeven ogenblik kijk ik om. Onbewust. Hoor nog een schreeuw. Beng. Mijn "kop"tegen een stutbalk boven me. Helm knalt naar achteren. "kop laag" brullen enkele stemmen. Handen wenken. De man voor me heeft alles gezien. Schuift achteruit. Legt zijn zware mijnschoenen op mijn hoofd. Tot het einde van de rit. Grijnst.

Ons groepje komt van de schudgoot af. Loopt weer gebogen verder. Richting oorverdovend lawaai. Overstemt zelfs de stationair draaiende schudgoten.

Toen zag ik een groep mijnwerkers. Met elektrische afbouwhamers. Ze beukten in op de ruwe kolenwanden. Het zwarte goud.

Witte ogen in zwarte gezichten begroetten ons. Hun schicht zat erop. Wisselen van de wacht. Op de schudgoten. Naar huis.

Ons groepje ging aan de slag. Weer afbouwhamers. Kolenlagen. Weinig bewegingsruimte. In hitte en stof. Uitputtend werk.

Na een uur klonk een zwaar zoemgeluid. De harde geluiden vielen uit. Schaften. Een thermosfles koffie en boterhammen komen tevoorschijn. Zittend op kolengruis. Stilte. Af en toe valt een brok kolen van de wand. Met een hevige klap.

Tijdens het eten werden we vertrouwelijker. Keken naar elkaar. Ik sprak hun taal. Een soort gemeenschappelijk dialect.

Stoflongen

Ze vonden het werk zwaar. Voor een loon doe je wat. Je hebt vrouw en kinderen. Ik zei, dat het niet zo gezond was in de koel. Dat wisten ze goed. Ook dat ze de vijftig niet haalden. Stoflongen. In hun land van herkomst hadden velen helemaal geen kans. Hier wel. Eigelijk hadden ze geen hekel aan de mijn. Gingen samen de kolen te lijf. Waren vrienden. Ondersteunden elkaar. Bespraken hun problemen. Lachten om een nieuwe mop. Accepteerden en respecteerden elkaar. Ze vroegen naar mijn leven. Mijn toekomst. Waren verbaasd, dat ik op school mijn eerste Nederlandse woorden had geleerd. Dat we thuis alleen dialect spraken. Over mijn broers en zussen. Welke plannen ik had.

Tot mijn verbazing vertelden ze, dat ook hun opgeschoten zonen in de mijn wilden werken. Nee toch!

Toen ik werd opgehaald voor een volgende afdeling, namen we afscheid. Ik bedankte de kompels voor hun openhartigheid. Het had me wat gedaan. Bij deze mensen stond scoren niet voorop. Er werd geleefd. Diep onder de grond.

In de namiddag. Einde van de dagschicht. Plaats maken voor de nachtschicht. Via de bekende vervoerskanalen naar de lift. Eenmaal bovengronds wordt de wasruimte het eindpunt van een slopende dag.

Je staat er in rijen. Wie achter je aansluit, boent je rug met zeep. Jij, op jouw beurt, doet hetzelfde bij de man die voor je staat. De rest doe je zelf. Echt schoon word je niet. Onbegonnen werk. Je blijft getekend. Je ogen en oren. Mondhoeken, neus en nagels. Zwarte randen. Dagenlang.
Na de wasbeurt, weer in je eigen kleren. Voelt goed. Dan handen schudden, bedanken, naar de uitgang. Je wilt weg. Bent doodmoe. Naar huis. Naar je ouders. Vertellen. Ze waren toch nog ongerust geweest. De goeierds.

In vrede leven.

De steenkolenmijnen zijn opgedoekt. De eerste in 1968. En de kompels? Hun vrouwen? Kinderen? Zijn ze in de Nederlandse samenleving opgenomen? Vreemdelingen gebleven?

Laatst droomde ik van een schudgoot. Helemaal vol buitenlanders. Waar werden ze naar toe geschud?

In Nederland verblijven heel wat vreemdelingen. Zij spreken en verstaan onze taal (nog) niet. Moeten het vaak van lichaamstaal hebben. Maar willen er bij horen!

Vaak begint contact al eerder. Bij onszelf. Met mensen om je heen. In alle eenvoud.
Lach met je ogen naar een man achter zijn rollator. Zeg wat tegen een bejaard vrouwtje in de supermarkt. Knipoog naar een jochie in de kinderwagen.
Zeg dag tegen een voorbijganger, een vreemde, een heel jonge, een rolstoeler, een blinde. Accepteer een zeurpiet.

Het is allemaal met Pinksteren begonnen.

  • Artikel
  • 16 maart 2006
  • door Br. L. Speth

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Opstandige mijnwerkers

Opstandige mijnwerkers

  • agenda
  • 23 oktober 2018
Met man en macht

Met man en macht