Geen Mijnmonument voor Kerkrade: Terugblik op een roerige periode

Geen Mijnmonument voor Kerkrade: Terugblik op een roerige periodeKrantenknipsel Spronken

Eind jaren zeventig kwam een groep Limburgers met grootse plannen voor een nationaal mijnmonument in Kerkrade. Maar de tijd was er nog niet rijp voor. Het gros van de Limburgse kompels reageerde afwijzend, de regionale kranten stonden bol van de ingezonden stukken. Het monument is er nooit gekomen. Een gemiste kans?

Nederlands oudste steenkolenmijn, de Domaniale Mijn in Kerkrade, sloot in 1969 voorgoed haar poorten. De afbraak van de bovengrondse gebouwen verliep voorspoedig. Twee jaar na de sluiting was het 17 hectare grote terrein aan de Nieuwstraat veranderd in een grote kale vlakte met hier en daar wat brokken beton en uit de grond stekende stukken ijzer.

Het mijnterrein was eigendom van de Rijksoverheid, die het in juni 1976 voor veel geld wist te verkopen aan de Gemeente Kerkrade. De gemeente stond bij de onderhandelingen met de rug tegen de muur, want volgens het bestemmingsplan zou op het terrein een nieuwbouwwijk met zo'n 450 woningen moeten verrijzen. Het gelag werd duur betaald: Kerkrade moest ƒ 2,50 per m2 op tafel leggen plus een toeslag van ƒ 10 per m2 voor de sloopkosten.

Kerkrade en met name de grootste politieke groepering in de gemeenteraad, het CDA, eiste dat het Rijk een ‘beau geste' zou doen aan de streek, die de Nederlandse economie zo sterk had gesteund in bange dagen. Kerkrade wilde met een mijnmonument haar historie als oudste mijnstad van Europa voor de eeuwigheid vastgelegd zien. En dat monument zou moeten worden betaald door de Staat der Nederlanden!

Het mooie gebaar door de Staat is er nooit gekomen maar de plannen voor een mijnmonument bleven smeulen. Medio 1979 richtten enkele enthousiaste Limburgers de Stichting Nationaal Mijnmonument op. Voorzitter was de Kerkraadse wethouder Cap Schröder, zelf mijnwerkerszoon. In het comité van aanbeveling zaten klinkende namen, zoals oud-mijndirecteur Ir C. Raedts en vakbondsman Frans Dohmen. Op 7 november 1979 presenteerde de Stichting haar plannen. De bedoeling was om via een landelijke actie de benodigde half miljoen gulden bij elkaar te krijgen. Mapjes met prentbriefkaarten, een serie prenten van Harrie Koolen en een bronzen legpenning werden voor dat doel verkocht.

Geen Mijnmonument voor Kerkrade: Terugblik op een roerige periodeAdvertentie Limburgs Dagblad, 6 december 1979 Een mooi gebaar De kompels protesteren

Daags na de presentatie van de plannen barstte een storm van kritiek los. Niet alleen de Katholieke Werkende Jongeren KWJ, maar ook D66 in de Oostelijke Mijnstreek, de Industriebond FNV, de CPN, de Vriendenkring Ex-mijnwerkers-WAO'ers en diverse gemeenten in de Mijnstreek toonden zich tegenstander van het monument. De algemene teneur van de protesten was dat de gelden beter besteed konden worden aan sociale voorzieningen voor mijnwerkers, dan aan een kunstwerk.

Een ingezonden stuk uit het Limburgs Dagblad van 3 januari 1980 wil ik u niet onthouden, het is afkomstig van een mijnwerkersvrouw uit Heerlen:

"Ik heb de laatste tijd een hoop gelezen over het mijnmonument. Nu wil ik hier, als mijnwerkersvrouw, eens op reageren. Want mijnwerkersvrouw ben ik nog steeds. Ik word dagelijks nog met de "mijn" geconfronteerd. Mijn man is al veertien jaar thuis, met stoflongen. Een ‘mijnmonument' hoeft voor ons niet. En als de hoge heren zo graag een mijnmonument willen, gaan ze maar eens naar het De Weverziekenhuis, afd. 5 Oost, bij dr. Maessen. Daar stáán wel geen mijnmonumenten, daar liggen ze. En een bezoekje daar kost geen half miljoen, maar een handdruk en een beetje medeleven. En als men dat geld dan toch kwijt wil, dan kan men dat ook geven aan dr. Maessen voor apparatuur ten bate van de mijnwerker. De mijn en z'n hoge heren mist mijn man niet. Alleen zijn "koempels" want die waren oké."

Treffender kunnen verdriet en machteloosheid niet worden verwoord. De Limburgse kompels waren boos. En terecht! Over de niet nagekomen beloftes van de politiek, over het stelselmatig ontkennen van de beroepsziekte ‘silicose' door de mijndirecties en over het uitblijven van goede pensioenen. Eerst een goed mijnwerkerspensioen, dan pas een nationaal monument, zo luidde het credo van de tegenstanders.

Kop van Jut?

Natuurlijk was een half miljoen gulden onvoldoende om de noden van de mijnwerkers te lenigen. Maar daar ging het niet om. De vakbonden en de lokale politiek gebruikten het mijnmonument als aanleiding om de misstanden rond silicoselijders en mijnwerkerspensioenen aan de orde te stellen. Bij de kompels kwam lang opgekropte woede en frustratie naar boven en de Stichting Nationaal Mijnmonument fungeerde als ‘Kop van Jut'. Niet geheel terecht misschien, want de intenties van de Stichting waren goed.

Op het terrein van de Domaniale Mijn zou een trots monument verrijzen als eerbetoon aan de Limburgse mijnwerker. Een landschappelijke oplossing, ingebed in de omgeving, met twee bronzen beelden en een twaalftal hoge monolieten, gemaakt van graniet uit Finland. Een schepping van de befaamde Limburgse beeldhouwer Arthur Spronken. "Een schim van de mijn" zo noemde hij het.

Toen enkele leden van het stichtingsbestuur zelfs persoonlijk werden bedreigd, was voor hen de maat vol. Eind januari 1980 staakte de Stichting haar activiteiten. Het was de finale van een korte, maar emotionele episode uit de geschiedenis van de Mijnstreek. Een episode, die uiteindelijk alleen maar verliezers kende. De mijnwerkers waren er niet beter van geworden en voor kunstenaar Arthur Spronken betekende het vijf jaar werk voor niets. In een interview zei hij: "Het zijn cultuurbarbaren. We zitten nog steeds in de mijn, beneden in een schacht, in het donker. Zo staan de zaken hier in Limburg".

Vijfentwintig jaar later

De mijnwerkers van toen worstelen nog steeds met gevoelens van miskenning. De mijnsluitingen en de nasleep ervan zitten hen erg hoog. Het doet hen ook pijn dat er in de Mijnstreek nauwelijks tastbare herinneringen zijn aan het mijnbouwverleden. Toen de Stichting CarboON in 2005 haar plannen ontvouwde voor de oprichting van een Nationaal Mijncentrum annex Mijnmonument waren de reacties dan ook alom positief. Eindelijk landelijke erkenning voor onze kompels!

"Ze komen nog wel een keertje tot bezinning", zei een teleurgestelde Arthur Spronken in 1980. Het zou nog vijfentwintig jaar duren voor hij gelijk kreeg.

 

Geraadpleegde bronnen: diverse artikelen in het Limburgs Dagblad, periode 1979 - 1980

Paul Geilenkirchen is webmaster van de websites Laura & Vereeniging in beeld en Domaniale Mijn. Op basis van eigen onderzoek van o.a. krantenknipsels heeft Paul Geilenkirchen zijn visie over de komst van een mijnmonument in Kerkrade in het bovenstaande artikel verwoord.

 

  • Artikel
  • 16 januari 2007
  • door Paul Geilenkirchen

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Privéfoto's gezocht

Privéfoto's gezocht