Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker II

Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker IILaurens Cordewener in de jaren 30. Fotocollectie Ger Cordewener

Een drieluik over Laurens Cordewener. Vandaag deel II. In het Jaarboek van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg 59 (2014) schreef Willibrord Rutten een artikel over Laurens Cordewener. In 1937 publiceerde deze Laurens Cordewener twee artikelen in de Limburger Koerier over zijn ervaringen als mijnwerker. In samenwerking met het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg publiceert DeMijnen.nl dit artikel. Bij het oorspronklijke artikel behoren voetnoten die de historische context enorm verduidelijken. Wie deze voetnoten wil raadplegen, kan het originele artikel downloaden als PDF.

‘Herinneringen van een ouden mijnwerker’


I. Het afdiepen van de schachten op de mijn Oranje Nassau I te Heerlen
In de negentiger jaren van de vorige eeuw kwam ik naar Heerlen, omdat ik in Duitschland, waar ik toen werk had, gehoord had, dat daar een nieuwe mijn zou worden gebouwd. Toen hielden ze me niet meer in Duitschland, want U moet weten, dat ik geboren ben te Vrusschemig bij Heerlen.  Ik kreeg direct werk bij de firma Keijzer uit Stolberg.  Men zette mij aan het ‘nieten’ der schachtringen, wat geen plezierig baantje was.  Toen de schachtringen klaar waren ging ik aan het boren op de Oranje Nassau I, van d’r Honigmann.  Ik werd aangenomen als voorman.  D’r Paulusse Joep  stond aan de kabel en moest ieder kwartier de boor weer omhoogtrekken, omdat dan de messen  stomp waren geworden, wij hadden weliswaar twee smeden op de mijn, een uit Heerlen Anton Jongen  en een van Ten Esschen Joep Menes  maar deze goede jongens konden beter êt paard van ‘Vresche Klöse van Mögemischerbach’ beslaan dan boormessen scherp maken. Alles moet nu een keer geleerd worden. Er is nog nooit een ‘Meister vom Himmel gefallen’. Op een zekeren dag vroeg de directeur me of er in Heerlen geen goede smeden waren. Ik zei: Jawohl, Herr Direktor, de gebroeders Schmitz zijn ‘tüchtige’ vaklui. Daarop de directeur: Nu, laat hen dan maar eens een paar messen scherpen. Wij naar Schmitz met een paar messen. Zij maakten de messen zoo scherp, dat het een lieve lust was. Ook met andere messen floepte het bij d’r Jacob wat een heel geluk was, want tot dan toe hadden we alles van de mijn Nordstern  moeten betrekken en daaraan waren heel wat bezwaren verbonden. Het werk van Schmitz  viel zeer in den smaak en de directeur wilde hem nog voor ander werk gebruiken. Ik moest hem gaan halen en toen heb ik hem tegelijk van een en ander op de hoogte gebracht. Je moet de geboden kansen weten te benutten.Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker IILimburger Koerier. Foto Koninklijke Bibliotheek

Het afdiepen

Na verloop van tijd waren we zoo ver, dat we met het afdiepen van de schacht konden beginnen, maar waar moesten de schachthouwers vandaan gehaald worden in Limburg? Ik zelf had al jaren in de schachten gehangen en uit mijn papieren had de directeur gezien, dat ik routine had in het afdiepen, maar waar kregen we anderen? Met één man gaat het niet. Op dat oogenblik waren verschillende jongelui uit Limburg in de Duitsche mijnen als sleeper werkzaam. Deze engageerde ik voor de Oranje Nassau. Die jongens hadden geen ervaring, maar zij konden het vak leeren. Dat viel wel niet mee, want steenhouwen is geen houtzagen en het is zwaar werk voor jonge mijnwerkers. De jongens deden hun best en ik kon zelfs Frans Einerhand van Vrusschemig voorman maken.  Deze laatste heeft taai doorgezet en het later gebracht tot meester-opzichter op de Oranje Nassau II. Zeker een mooi resultaat. Toen we zoo diep waren, moesten pompen worden ingebouwd en moesten er ook machinisten komen. De keuze viel op Hari Meis  van Heerlerbaan, Hub. Erkens  van Palemig en Joep Kuster  van Heerlen. Zij kenden de pomp en waren voor hun taak berekend. Alles ging goed tot op een gegeven oogenblik de groote pomp het opgaf. De ‘Betriebsführer’ Zimmermann  liet mij halen. Ik ging naar beneden en vroeg aan d’r Frans wat er met de pomp aan de hand was. Ja, de pomp ging niet meer en ze hadden de buizen al losgeschroefd om de pomp naar boven te kunnen halen. Nog 2 voet water erbij en de pomp zou ‘verzopen’ zijn. De pijpen werden weer vastgemaakt en ik klopte naar den machinist om stoom. Zet er langzaam damp op, dat ik hooren kan wat er met de pomp aan de hand is. De pomp was er een van Weis en Mensky en had vier schuiven. Ik hoorde dat maar twee cylinders water kregen en dat waren de twee bovenste. De andere zaten 70 c.M. lager en daarom moest ik twee keeren onder water duiken. Na dertig seconden marcheerde de pomp weer op volle kracht. We kwamen steeds dieper en er moest nu gemetseld worden. In dien tijd hadden we ook twee nieuwe opzichters gekregen. Kaf en Heisterkamp, allebei Duitschers. Kaf was een verstandig man, maar Heisterkamp  was een Maulheld  en had niet veel verstand van schacht-afdiepen. Toen aan het metselen begonnen zou worden had ik voor een fundeering gezorgd en de maat van den metselring genomen en die laten maken door den schrijnwerker Mertens  ‘van gen Lange’, die toen voor ons werkte. Opzichter Heisterkamp zou dien metselring wel leggen, had hij gezegd. Dit moest 's Zaterdagsavonds gebeuren, want 's Zondagsnachts om twaalf uren zouden de metselaars van den aannemer Übachs met hun werk beginnen.  Zondagmorgen nadat ik in het kloostertje  aan de Gasthuisstraat naar de kerk was geweest ging ik eens op de mijn kijken. Toen ik op de schacht kwam, was de opzichter Heisterkamp nog altijd met zijn ploeg in de schacht. Joep Vromen  van Caumer stond aan de ophaalmachine en ik vroeg hem wat ze beneden aan het doen waren. Ik weet het niet, antwoordde hij. Ik liet Vromen de ton naar boven halen en trok mijn rubberpak aan. Toen ik tot de halve diepte van de schacht was afgedaald hoorde ik Heisterkamp al vloeken op de dumme Holländer. Het bleek, dat die arme kerels daar beneden al zes uren in het koude water hadden gestaan. De arme Limpens Wilhelm was half bevroren. Zij vaarden met Heisterkamp uit en ik hield Hub. Meulenberg  en Wil Wetzels  van Schaesberg bij me. Na een goed kwartier lag de ring precies, 's Zondagsavonds kwam Übachs met zijn colonne metselen. 's Maandags had ik ochtenddienst. Toen ik bij de schacht kwam stond op het bord geschreven: ‘17 Ton cement gebruikt en 2 Meter hoog gemetseld.’ Ik zeg tegen Einerhand: Potverdorie, die hebben flink gewerkt. Ik met Frans naar beneden en wat zien we. Er is geen spoor cement te bekennen. Alles was in de ‘Sumpf’ gespoeld. Ik zeg: Dadelijk de ‘bedrijfs’  halen. Die zei weer: Wat nu, Cordewener. Als het aan mij ligt moet alles weer afgebroken worden. Ik laat daar geen steen meer bovenop zetten. Wij naar boven, waar juist dhr. Honigmann arriveerde, die op de hoogte werd gebracht. Alles werd nu afgebroken en ik heb de jongens geleerd hoe er in een schacht gemetseld moet worden. Toen het metselwerk klaar was gingen we weer dieper tot op de eerste kolenlaag.
Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker IIKwitantie kolenboer Vrancken. Lambert Vrancken bracht in 1898 de eerste kolen van de ON I boven. Collectie SHCL

De eerste kolen  

D’r Lambert Vranck bracht de eerste kolen naar boven.  Bij die kolenlaag hebben we vervolgens de eerste pompenkamer gemaakt. Op een Zondagmorgen moest ik de zware onderdeelen voor de pomp naar beneden brengen. De jonge ‘Herr Direktor’  en de ‘bedrijfs’ waren ook al op de mijn. Ik maakte de onderdeelen aan kettingen vast en ging er toen zelf opstaan. Toen de pompen klaar waren moest er verder worden afgediept. Daarbij werd het accoord gemaakt, dat de ploeg, die in een bepaalde week de beste prestatie zou maken een premie zou verdienen. Op een Zondagmorgen ging ik met den jongen heer Honigmann in de schacht naar beneden. Het was beneden zoo rustig, dat er een muis zou hebben hooren loopen. Toen zei dhr. Honigmann tegen mij: Cordewener, jij staat genoteerd als ‘Steiger’, dus je hoeft voortaan niet meer te werken.  Dat wij zoo goed werkten zat de Westfalers in de andere ploegen erg dwars en daarover heb ik toen meeningsverschil met den ‘bedrijfs’ gekregen. Hij maakte ons uit voor luilakken, terwijl wij zeven achtereenvolgende weken de premie hadden verdiend. Hij kwam bij Cordewener aan het verkeerde adres. Ik gooide hem tegen den grond en inviteerde hem toen mee naar boven te komen. Ik voer uit, maar hij durfde blijkbaar niet en bleef nog drie uur beneden. Ik had hem echter afgewacht en toen hij om half twaalf bovenkwam, had ik hem direct te pakken. Het was zijn geluk, dat de jonge heer Honigmann juist aankwam, anders waren er ongelukken gebeurd. Ik ging naar huis en was niet van plan nog terug te gaan naar de mijn. Dat heb ik ook niet gedaan. Twee dagen later kwam de jonge Hermann Billmann  naar me toe met de mededeeling van directeur Honigmann, dat ik dadelijk weer op de mijn moest beginnen. Hij kwam nog twee malen terug, maar ik heb telkens geantwoord, dat ik, zoolang Zimmermann bedrijfsingenieur op de Oranje Nassau I was niet meer terug zou komen. Dat heb ik ook niet gedaan. Zoo eindigden mijn werkzaamheden bij de Oranje Nassaumijnen.  

Dr. Willibrord Rutten (1955) is hoofd onderzoek en adjunct-directeur van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg. Hij is -samen met Jan Peet- mede-auteur van het boek Oranje-Nassau mijnen, een pionier in de Nederlandse steenkolenmijnbouw. Willibrord Rutten publiceert regelmatig in www.demijnen.nl

Dit artikel verscheen in Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg/ Jaarboek Sociaal Historisch Centrum voor Limburg 59 (2014) 139-152.

Dit artikel compleet met voetnoten in PDF

  • Artikel
  • 23 maart 2015
  • door Willibrord Rutten

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...