Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker III

Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker IIILaurens Cordewener in de jaren 30. Fotocollectie Ger Cordewener

In het drieluik over Laurens Cordewener publiceren we nu het derde en laatste deel.
In het Jaarboek van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg 59 (2014) schreef Willibrord Rutten een artikel over Laurens Cordewener. In 1937 publiceerde deze Laurens Cordewener twee artikelen in de Limburger Koerier over zijn ervaringen als mijnwerker. In samenwerking met het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg publiceert DeMijnen.nl dit artikel. Bij het oorspronklijke artikel behoren voetnoten die de historische context enorm verduidelijken. Wie deze voetnoten wil raadplegen, kan het originele artikel downloaden als PDF.

II. Schacht-afdiepen op de Wilhelmina. — Hoe ik er tusschen uit raakte

Na mijn vertrek bij de Oranje Nassau heb ik een tijdje op de Domaniale Mijn gewerkt. In dien tijd had de firma Gebhard en Koenig aangenomen het boren van de schachten voor de toekomstige mijn Wilhelmina, die tot een diepte van 112 Meter zouden worden afgeboord. Ik solliciteerde bij de firma en toen aan ir. Joosten bleek, dat ik met ‘leemspoeling’  kon werken, werd ik aangenomen. Hoofdopzichter Moor van de Domaniale Mijn gaf mij een jaar verlof. Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker IIIDomaniale mijn. Fotocollectie Rijckheyt
Op de Wilhelmina waren ze al bezig met de eerste voorschacht toen ik er kwam.  Nu werd de boortoren opgezet en Jos Sijstermans van Spekholzerheide metselde de voorschacht. Volgens het contract tusschen de firma Gebhard en Koenig en de Staatsmijnen moest op 15 December [1903 – W.R.] met het boren worden begonnen. Dat ging niet, omdat de gereedschappen er nog niet waren. Daar ik wist, dat de firma een zware boete zou krijgen, als er niet op tijd begonnen werd, heb ik er iets op gevonden. Ik liet een dik touw over een groote katrol loopen en daarenboven een buis van 2 Meter lengte en 35 c.M. dikte in de grindlaag slaan. Toen het touw eraan en een ventiel erop en maar pompen. Op af, op af. Het was net echt en ir. Knol,  die namens de Staatsmijnen kwam controleeren, heeft niet beter geweten dan dat we flink aan het boren waren. Na dit begin kreeg ik van ir. Joosten de opdracht de ‘voorrichting’  te maken voor 54 boorgaten, 27 voor iedere schacht. Dat was voor mij een gevaarlijk karwei, want van den stand van de bevriespijpen hangt heel wat af.  Ik begon echter met frisschen moed. Als hulp nam ik d’r Klaos Wijnen van Onderspekholz. Ik heb geluk gehad. Zooals later is komen vast te staan is geen enkele pijp misgegaan, waarvoor ik later dan ook door ir. Joosten en de directie geprezen werd. Nadat alles was klaargemaakt en de schachten bevroren waren, begon het afdiepen. Alles ging goed en we waren al een heel eind opgeschoten, maar wat gebeurde op een goeden dag tijdens mijn dienst. Laurens Cordewener (1864-1941), een zelfbewuste mijnwerker IIILimburger Koerier. Foto Koninklijke Bibliotheek

Een angstig oogenblik

Daar bleek weer eens duidelijk, dat de mijnwerker wel heel terecht kan zeggen: Glück auf, Glück auf, ist unser Gruss, Der liebe Gott beschütze uns. We zouden voor den allereersten keer met tijdontstekers gaan werken. Er waren heel wat boorgaten met dynamiet geladen en we stonden klaar om de lonten aan te steken. Hübke Mertens van Hoensbroek kwam het laatst met de ton met gereedschap uit de schacht naar boven en juist toen hij aan de oppervlakte kwam sloeg de kabel van de trommel en viel Mertens met gereedschap, ton en al in de schacht. Gelukkig had hij geen letsel en waren de lonten nog niet ontstoken. Anders hadden we hem niet teruggevonden.

Een ongeluk  

Bij het maken van deze schacht is later toch nog een ongeluk gebeurd, een schietongeval, waarbij Willem Brasser uit Hoensbroek werd gedood en Joseph Somers van de Locht werd gewond.
Toen we de eerste kolenlaag bereikt hadden en mooi hadden blootgelegd, werd de directie van de Staatsmijnen gewaarschuwd. Tijdens mijn dienst arriveerden de directeuren. Ik had mijn makkers in het rond op de kolenlaag geplaatst met hun lamp en houweel. Een heel gezelschap kwam naar beneden; het laatste de directeuren dhrn. Wenckebach en Bunge. Ik heb de aanwezigen toegesproken en aan dhr. Wenckebach het eerste stuk steenkolen van de Staatsmijn Wilhelmina overhandigd.  Dhr. Wenckebach sprak een woord van dank. De directeuren stapten weer in de liftkooi, maar voor deze werd opgetrokken had ik toch nog gelegenheid te zeggen: Ik hoop dat dit niet zoo droog zal afloopen. Ir. Knol riep terug: Wij zullen eraan denken. En waarachtig: even later kwam de materiaal-’Verwalter’ naar beneden om te vertellen, dat we naar boven moesten komen. Daar werden we getracteerd op bier en sigaren en op verlof.
Na deze feestelijkheid werd verder gegaan met het afdiepen van de schacht en ook werden de ‘Tübings’ ingebouwd.  Daarmede waren we al een heel eind opgeschoten, toen ik van ir. Joosten telkens standjes begon te krijgen, omdat mijn ploeg niet zooveel presteerde als die van opzichter Roka.  Om daar meer van te weten ging ik op een Zaterdagavond naar de mijn en daalde stilletjes af in de schacht. Beneden gekomen zag ik, dat opzichter Roka rustig een sigaar stond te rooken. Ik ontdekte nu ook waarom zijn ploeg vlugger kon opschieten dan de mijne. Terwijl ik de houten van de tübingstukken door drie man met een groote stang liet aandraaien, deed hij het met een hamer en met behulp van slechts twee menschen. Dat mocht niet en dat zei ik hem ook, maar hij antwoordde: Ik heb die Staatsonkels al lang gekocht. Ik protesteerde bij ir. Joosten en vertelde het een en ander, wat ik nog meer van Roka wist. Dat was verkeerd, want Roka was een vriend van directeur Gebhard en ik kreeg de boodschap, dat ik de mijn kon verlaten, als ik de beschuldigingen tegen Roka niet terugnam. Dat deed ik natuurlijk niet en zoo verliet ik de Wilhelmina.  Elders verdien ik ook nog een boterham, dacht ik en ging een tijdlang op de Laura werken. Daar ging ik weer aan het afdiepen onder bedrijfsleider Koelmeir,  tot de mijn getroffen werd door de zware ramp en ik den rechterarm brak.  Toen deze weer beterde, was er voor mij nog geen licht werk op de Laura, zoodat ik maar weer naar de Domaniale terugging.  Daar heb ik gewerkt tot 1905 [1908-W.R.].  In dat jaar vroeg ik weer werk bij ir. Knol op de Wilhelmina, die echter eerst met de directie in Heerlen moest telefoneeren. Het resultaat van dat gesprek, dat ik zoo half en half kon volgen, was, dat ik wel werk kon krijgen, maar niet meer als meester.  Ik antwoordde, dat ik daarom ook niet had gevraagd, enkel maar om werk. Ik kon beginnen als houwer, later werd ik ploegbaas.  In dien tijd werd het muziekcorps opgericht onder voorzitterschap van hoofdopzichter Alfons Wetzels.  In dat corps werd ik de groote tamboer. Directeur was onderwijzer Smeets van Kerkrade, die bedankte, omdat hij moeilijkheden kreeg over het honorarium.  Dhr. Janssen uit Heerlen werd directeur en ook onder zijn leiding had het corps succes op een concours. Alles liep goed tot 1917,  toen kreeg de groote tamboer ‘Krach’ met den voorzitter over het geldelijk beheer. Ik ben uit het corps weggegaan, maar daarna kon de groote tamboer oppassen, want in de mijn werd hij gezocht. Dat lukte natuurlijk; wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. Ik werd overgeplaatst naar het ondergrondsche magazijn om daar aan de kool- en steenkappers de benoodigde schietmaterialen uit te reiken. Het schietmagazijn was door mijn voorganger zeer slordig beheerd. Ik stelde vast, dat er 16 draagriemen voor de kisten, en 36 sloten zoek waren, terwijl heel wat draagkisten stuk waren. Wat er zoek was wilde ik zoo langzamerhand aanvullen. Dat werd mijn ongeluk. Was ik maar direct naar den bedrijfsingenieur gegaan! Ik dacht, dat de boel zoo wel in orde zou komen, als Mörkens, die mijn chef was telkens wat meer van bovengronds liet komen dan noodig was. Die was echter op de hand van den hoofdopzichter en zoo liep ik tegen de lamp. Op een goeden dag kwamen er twee draagkisten binnen zonder slot, die dus door de arbeiders betaald moesten worden. Op de bon, die mijn chef uitschreef, maakte ik van de 2 sloten er 6, om zoodoende enkele andere kisten van een slot te kunnen voorzien. Mijn hulp wist niets beters te doen dan mij te verraden en toen waren de poppen natuurlijk aan het dansen. Een prachtkans om mij eruit te werken wat dan ook gebeurde. Ik moest bij ir. Veenenbos  komen en daar waren ook de hoofdopzichter en de meesteropzichter en anderen. Mörkens en mijn hulp moeten over de bon uitleg geven en mijn hulp verklaarde, dat dat de bon was, terwijl hij toch geen letter kon lezen, zoo groot als een schuurpoort. Ir. Veenenbos zegt mij m'n ontslag aan. Ik verdedigde mij, omdat ik het toch voor de mijn en niet voor mezelf had gedaan. Ik ging tegen het ontslag in beroep bij de arbeiderscommissie en met den voorzitter van die commissie, Vinder van Kaalheide, moesten wij bij directeur Bunge  komen. Op een gegeven oogenblik, tijdens dat gesprek, zeide directeur Bunge tegen Vinder: Denk je dat de Staatsmijnen een oud-mannenhuis is? Toen zei ik: Zoo’n uitdrukking van een directeur van de Staatsmijnen moest in alle Nederlandsche kranten komen. Als men zijn heele leven voor het bedrijf heeft gegeven, krijgt men een stoot tegen zijn achterste en de poort uit. Dhr. Bunge nam mijn ontslag terug. Ik kon als tweede stutter blijven. Daarvoor heb ik, met mijn 43-jarige ervaring, bedankt. Dus kon ik gaan.  Nu zit ik als oude invalide mijnwerker, haast 73 jaar oud, met een maandelijksch pensioen van 15,56 gulden en één cent per dag ouderdomsrente!  Glück Auf, Glück Auf, ist des Bergmanns Gruss.

Dr. Willibrord Rutten (1955) is hoofd onderzoek en adjunct-directeur van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg. Hij is -samen met Jan Peet- mede-auteur van het boek Oranje-Nassau mijnen, een pionier in de Nederlandse steenkolenmijnbouw. Willibrord Rutten publiceert regelmatig in www.demijnen.nl

Dit artikel verscheen in Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg/ Jaarboek Sociaal Historisch Centrum voor Limburg 59 (2014) 139-152.

Dit artikel compleet met voetnoten in PDF

  • Artikel
  • 25 maart 2015
  • door Willibrord Rutten

2 reactie(s)


Reacties

een hele wijze en leerzame

een hele wijze en leerzame tekst.hier heb ik wat aan, mijn leerlingen zullen het perfect vinden bedankt groetjes, Dido

blijf schrijven!!!!!

blijf schrijven!!!!!

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...