Limburg en de mijn: een bekering

Limburg en de mijn: een bekeringVakbondsvoorzitter Frans Dohmen voert overleg Bron: Het geheugen van Nederland

Het gebeurde in 1909, precies honderd jaar geleden. Op een kwade dag viel een mijnwerker, op weg naar zijn werk in de mijn in Alsdorf, van het overvolle trambalkon. De man bleef zijn leven lang invalide. Hij kon zijn beroep niet meer uitoefenen. Hij deugde alleen nog maar voor slecht betaalde karweitjes: zoals toezicht houden op huizen die in aanbouw waren, vanuit een bouwkeet. En dat met veertien kinderen. Zijn kinderen groeiden op. Er moest geld worden verdiend. Op hun beurt gingen zes van zijn zoons de mijn in.

Download de lezing als PDF

De man die van het trambalkon viel heette Dohmen. Een van die zes mijnwerkerszoons heette Frans: Frans Dohmen. Later werd hij vakbondsleider. En kreeg de bijnaam 'de keizer van Limburg'.

Frans Dohmen wilde niet naar de mijn. Op zijn veertiende jaar probeerde hij stucadoor te worden. Dat mislukte: zijn huid verdroeg de ongebluste kalk niet. Alleen de mijn bleef over. Ellendig genoeg. 'Ik was eigenlijk bang. Ik had angst om in dat aardse hol te kruipen', zegt hij letterlijk. Hij ging de mijn in omdat hij geen andere keus had. Er was geen alternatief. Dat alternatief kwam er voor hem pas vijftien jaar later: toen hij een betaalde functie bij de vakbond kon krijgen
Een belangrijk deel van Frans Dohmens levenswerk zou erin bestaan dat hij als vakbondsleider de mijnsluitingen bevorderde. Wonderlijke paradox: dezelfde man die jarenlang de belichaming was van het mijnwerkersbelang, werd voorvechter van de liquidatie van het mijnbedrijf en daarmee van het mijnwerkersberoep.
Een kwestie van sociaal-economische calculatie? Dat ook; maar dat niet alleen. Zijn afkeer van de mijn en het mijnwerkersberoep is hij eigenlijk nooit echt kwijtgeraakt. Zijn kijk erop is gestempeld door de jaren dat hij zijn entree in het bedrijf maakte en er zijn eerste ervaringen opdeed: de tijd vóór 1930.
Het is boeiend je te verdiepen in levensverhalen en ervaringen van mannen van Dohmens generatie die in dezelfde tijd als hij korter of langer ondergronds werkten. Wat opvalt is, dat het vaak geen blijvers waren. Op jonge leeftijd keerden ze het mijnbedrijf de rug toe. De jaren 1900-1930 stonden in het teken van ongedurigheid en traditieloosheid. De mijn was een indringer, opgebouwd met het zweet en bloed van indringers, nieuwkomers: gelegenheidsarbeiders, seizoensarbeiders, pendelaars en migranten. De waardering voor het mijnwerkersberoep was volgens priester-socioloog Dieteren ongeveer even gering als die voor de Oostganger of koloniaal.
Zeker de autochtone Limburgers stonden gereserveerd tegenover de mijnarbeid, vooral de arbeid ondergronds. Zij gingen pas de mijn in als er geen alternatief was. Bovendien werd vaak van baan gewisseld. De mijnen kampten met een enorm personeelsverloop. Het hoge percentage ongehuwden, vooral ondergronds, bevestigt een beeld dat oprijst uit romans en egodocumenten, uit kranten en sociologische studies: van een traditie viel in de jaren tussen 1900 en 1930 nog weinig te bespeuren.

Bouwen aan een traditie

De mijnen hebben echter wel degelijk hun best gedaan een traditie te scheppen. Ze hadden daar alle belang bij. Een machtig middel waren de arbeidsvoorwaarden. Het loon van een mijnwerker was, zeker als je het omrekent per uur, beter dan dat van een boerenknecht. Waar het om ging was een honkvaste mijnwerkersbevolking te scheppen. Daartoe was nog een ander instrument essentieel: de huisvesting. Hoezeer de mijnbedrijven daarvan doordrongen waren, blijkt uit de aantallen arbeiderswoningen die zij lieten bouwen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beschikten de Staatsmijnen al over ruim 200 arbeiderswoningen, de Oranje-Nassaumijnen zelfs over een kleine 700.
Wie een huis had, kon trouwen en een gezin stichten. Huisvesting was een cruciale voorwaarde voor het verkrijgen van een stabiele mijnwerkersbevolking, opgebouwd uit vaders en zonen, verzorgd door moeders en dochters. Behalve de mijndirecties waren ook medici en zielzorgers in de streek zich dat terdege bewust. Maar wat men ook ondernam om een honkvaste, loyale en vakbekwame stam van personeel op te bouwen, tot 1930 bleef het een komen en gaan.
Pas de crisis van de jaren dertig versterkte de positie van de mijndirecties op de arbeidsmarkt. Voor het eerst waren zij in de gelegenheid om te selecteren. Het aanbod was groter dan de vraag. Zij maakten hiervan gebruik door zoveel mogelijk alle arbeiders te weren die oud waren of ziek, 'simulant', ongeschikt, brutaal, communist, enzovoort. De keuringsnormen werden strenger. Buitenlanders konden alleen blijven als ze over onmisbare vakbekwaamheid beschikten. Doel was het vormen van een stabiele, autochtone mijnwerkersstand, waarin men als vanzelfsprekend van vader op zoon in de mijn bleef werken.
Niet alleen het personeelsbeleid werd hierop afgestemd, ook de manier waarop het mijnbedrijf zich presenteerde aan het Limburgse en Nederlandse publiek. De beeldvorming werd steeds meer een zaak van doelbewuste beïnvloeding. In die beeldvorming speelden noties als 'geschiedenis' en 'traditie' een belangrijke rol. Wat we in de Nederlandse mijnstreek zien gebeuren - in de jaren dertig incidenteel, na 1945 systematischer - lijkt op wat eerder in Duitsland gebeurd was. Hoger opgeleide personen, meer of minder rechtstreeks betrokken bij het mijnbedrijf, gingen het bedrijf als het ware decoreren. Ze hingen er guirlandes omheen van cultuur, folklore en traditie. 'Black is beautiful'!
Denk aan een boek als Mijnwerkersfolklore in Limburg. Daarin werd voor het eerst uitgebreid aandacht besteed aan de eigen cultuur van arbeiders in de mijnindustrie. Auteur was Gerard Lemmens, beambte aan de Oranje Nassau mijnen. Was de aandacht voor regionale volkscultuur, sagen, dialecten en folklore tot dan toe steeds op boeren gericht, Lemmens keek nu voor het eerst met dezelfde blik naar de mijnwerkers.
Dat deed ook Bernard Bekman, schrijver van De boom en zijn vruchten en Uit het land van het zwarte goud. Net als Lemmens wilde Bekman de mijn, dat angstaanjagende Fremdkörper, temmen en integreren in het oude, gemoedelijke, vrome Limburg.
En dan was er de priester-dichter Jacques Schreurs. Anders dan Lemmens en Bekman was hij niet bij de mijnen in dienst. Toch past hij in dit rijtje. Zijn boek Mijn moeder Elisabeth - roman uit de mijnwerkerswereld draait om een zoon uit 'een overoud mijnwerkersgeslacht'. Schreurs benadrukt de traditie, spreekt van een mijnwerkersras, van de hoge status die het mijnwerkersberoep vroeger had, noemt het de natuurlijkste zaak dat de mannen van vader op zoon in de mijn werken en voert de lezer terug naar het begin van de twaalfde eeuw.
Nog dieper in het verleden dook Bèr Hollewijn, cultureel medewerker van het mijnbedrijf. In 1952 publiceerde hij Brandende aarde: al weer een roman die in het teken staat van traditie en verknochtheid aan het beroep. Hetzelfde geldt voor boeken als Knokenflip van G. Nolting; en Glück auf, Kompeltje! van Willem Capel.
Invloedrijke publicisten die met hun werk tientallen jaren lang hun stempel drukten op het beeld van het bedrijf waren Paul Frische, sinds 1953 chef voorlichtingsdienst van de Staatsmijnen, en mijndirecteur C.E.P.M. Raedts. En niet te vergeten Bertus Aafjes, die in Het Troje van het Carboon de kolenwinning omsmeedde tot een heldendicht.

Glück auf!

Traditie moest worden gemáákt, want zo heel veel bestaande traditie waarop men kon teruggrijpen, was er niet. Een moeilijkheid speciaal in de jaren na 1945 was, dat het beetje traditie dat in de Limburgse mijnbouw aangetroffen werd, grotendeels Duits van origine was. Zoals de mijnwerkersgroet 'Glück auf!'
Het gebruik van deze groet werd na de oorlog problematisch. Volgens sommigen waren wij Nederlanders het aan de eer van de gevallen vrijheidsstrijders verplicht, 'onze taal niet te bezoedelen met Duitsche uitdrukkingen'! De aloude mijnwerkersgroet werd nu plotsklaps beschouwd als 'moffrikaansch'. Serieuze pogingen werden gedaan hem af te schaffen en te vervangen door iets passenders; iets dat niet zo Duits klonk.
Er werden allerlei alternatieven voorgesteld, niet alleen in het Limburgs dialect (Good op, Good heem) en in het Nederlands (Goeden dag, Hallo vriend, Veel geluk), maar ook in het Engels, de taal der bevrijders: 'Hallo boy!', of 'Good luck!' Iemand suggereerde Glück auf te vervangen door een vertaling die zo dicht mogelijk bij het origineel bleef: 'Geluk op'. Argumentatie: 'Dit is zuiver Nederlands, klinkt niet slecht in ons dialect, de Belgen verstaan het ook...' Weer iemand anders kwam op de proppen met het alternatief 'Hey Baberiba'. Maar dit ging menigeen te ver. Een ondergronder van de Oranje Nassau III vond het 'diep treurig' dat men het mijnwerkersgilde bij elk beschaafd mens in discrediet bracht 'door een negergroet'.
Onder degenen die zich in de discussie mengden en pleitten voor het behoud van Glück auf!, waren nogal wat gepensioneerden. 'Wij hebben deze mooie groet van onze vaders overgeërfd', aldus een mijnwerker. Misschien was dat wel het doorslaggevende argument. De erfenis was toch al zo mager. Wie weinig erfstukken heeft, is daar extra zuinig op. Tenslotte bleef dan ook alles bij het oude. De afschaffing van 'Glück auf!' ging niet door. Men wilde de ouderen niet voor het hoofd stoten, er was geen pakkend alternatief, en de groet was nu eenmaal een van de weinige onbetwist 'echte' mijnwerkerstradities. Dat die Duits was, moest dan maar op de koop toe genomen worden. Tenslotte spraken niet alleen de Duitsers Duits maar ook Oostenrijkers, Zwitsers en Elzassers.
Het bedrijfstijdschrift Steenkool dat van 1945 tot 1955 verscheen, maakte veel werk van dergelijke al dan niet 'oeroude' tradities, van geschiedenis en folkore. En van jubilea! Keer op keer trof de lezer familiefoto's aan die aanschouwelijk moesten maken hoezeer het mijnwerkersvak in Limburg ingeburgerd was, hoezeer het een traditie geworden was, die als vanzelfsprekend werd doorgegeven van vader op zoon - ja, van vader op liefst zoveel mógelijk zoons. Wat was verheffender dan een groepsportret van de vier gebroeders Schetgens van de Domaniale te Kerkrade, met in totaal 149 dienstjaren! Of een foto van die drie kloeke mannen die bij de Hendrik werkten: vader, zoon en kleinzoon, drie generaties mijnwerkers, allemaal werkend op de Hendrik - en laat ze nu ook nog eens alle drie Hendrik héten!
'Rasechte mijnwerkersgeslachten', daarvan konden er eigenlijk nooit genoeg in het zonnetje worden gezet. Zij leken het tastbare bewijs te vormen van de claim van Hollewijn en zoveel anderen die de streek én de mijnen een goed hart toedroegen: dat Limburg kon bogen op een echt 'mijnwerkersras'.
Afkeer van de mijn maakte plaats voor trots op de mijn. Limburg en de mijn omarmden elkaar. Een hoogtepunt van die tedere gevoelens bracht het jaar 1952, waarin de Staatsmijnen hun gouden jubileum vierden.

Het jubeljaar

In één weekend trokken maar liefst vier optochten door de verschillende mijncentra; op zaterdagmiddag 10 mei door Geleen en Brunssum, op zondagmiddag 11 mei door Heerlen en Hoensbroek-Treebeek. De optocht die 's zaterdags door Geleen trok, onder het motto 'Limburg Kolenland', was volgens een van de persverslagen 'de grootste - en duurste - ooit in Nederland gehouden'.
Als trekkrachten fungeerden auto's, tractoren, soms zelfs koeien, maar vooral paarden. In de uren voordat de optochten van start gingen leek het of Limburg een volksverhuizing van viervoeters beleefde. Boerenknechten trokken met honderden hengsten en merries naar de mijncentra om de optochten van de nodige paardenkrachten te voorzien.
Alleen al in Geleen werden 45 trek- en 25 rijpaarden geteld, 2000 figuranten, 800 historische costuums, 10 muziekcorpsen, 31 grote praalwagens, 20 kleine praalwagens, 20 jeeps, 8 tractoren en 1 locomotief (gratis uitgeleend door de NS); de Geleense optocht was dan ook 3½ kilometer lang.
Het moest een spektakel van hoog niveau en grote allure worden - en dat werd het. De regie was in handen van Joris Diels, een coryfee in de toenmalige theaterwereld. Daarbij werd Diels geassisteerd door vijf hulpregisseurs, die zelf ieder weer een stuk of vijftien begeleiders hadden. Voor de onderlinge communicatie was de aanschaf van een 'talkie walkie' [sic] overwogen, maar vanwege de hoge kosten zag men daarvan af. Voor costuums en grimering zorgde een firma in Amsterdam. Verder werd alles zo veel mogelijk door eigen mensen gedaan. Tal van subcommissies waren in de weer; de een studeerde op de route, de andere nam de maten voor de costuums, enzovoort.
De optochten hadden het karakter van een geschiedenisboek. Herauten te paard, in middeleeuwse klederdracht, zorgden met luid bazuingeschal voor een ouverture. Daarna volgden wagens en groepen over onderwerpen als 'Limburg in de Oudheid', 'Komst van het Christendom', 'De ontdekking van de steenkool', 'Bokkenrijders'.
Continuïteit, een zinvol verband tussen verleden, heden en toekomst, was het leitmotif in alle vier de optochten. Het was ook de rode draad in de door Joris Diels geregisseerde toneelvoorstelling 'Barbara' van de speelgroep Limburg. Auteur van deze 'mijnwerkerslegende in vier bedrijven met proloog' was ene Ed. Solinger. Achter dit pseudoniem gingen B. Bekman en P. Frische schuil, beide werkzaam bij de Voorlichtingsdienst van de Staatsmijnen. Curieus als je bedenkt dat de voorstelling gepresenteerd werd als geschenk van de Culturele Raad Limburg aan het jubilerende bedrijf. Sigaar uit eigen doos!
Met deze 'Barbara' wilde de speelgroep Limburg 'een culturele uiting van eigen bodem' presenteren, een 'modern' spel, met als thema 'de oude verbondenheid van ons Limburgse volk met het ambacht aan de "kool".' De proloog ('De vreugde om de mijn') bevatte zinnen als:

Dit zwart en donker van de mijn
is de gestolde pracht van woud en zon
die eeuwen her dit lieve land omgloeiden
met licht en kleur.
Zou in dit duister dan geen vreugde kunnen zijn?

Behalve deze hooggestemde 'Barbara' kreeg de directie der Staatsmijnen nog een tweede toneelvoorstelling aangeboden: 'Mensen', geschreven en geredigeerd door de al genoemde Bèr Hollewijn. De oude boer in dit spel heeft moeite met de nieuwe tijd en de mijnen, maar 'terwille van het geluk zijner kinderen' verzoent hij zich er tenslotte mee. Het stuk wilde een hulde zijn aan de mannen van hoog tot laag 'die in 50 jaar van Limburg een der mooiste mijnbekkens van de wereld hebben gemaakt', zoals de programmatoelichting meldt.
In een derde toneelstuk, 'Ik kies een mijnwerker' van Emm. Franck, wordt de dochter van een gewezen zakenman verliefd op een mijnwerker. Het levert spanning op met haar vader, die een heel andere toekomst voor haar wenst. Toch krijgt alles een happy end, dankzij haar volharding in de liefde en hun Godsvertrouwen.
Ook de KRO leverde zijn bijdrage aan het gouden jubileum van de Staatsmijnen met een hoorspel getiteld 'Zij kennen dag noch uur'. Auteur was Tom Bouws, de regie voerde Willem Tollenaar. Het hoorspel speelt zich af in het gezin van een Limburgse mijnwerker, Kusters genaamd. Weer is de apotheose een bekering: nu niet van de vader, maar van de zoon. Na de oorlog vertrok hij naar het buitenland. De berichten over de jubileumfeesten brengen hem letterlijk en figuurlijk weer thuis. Aan het eind van het hoorspel bekent de zoon: 'Ik heb de koel verraden, toen ik er vandoor ging (...) Je maakt je niet ongestraft los van de plek, waar je geboren bent (...) Ik heb ze weer gezien, de Emma, de Oranje Nassau III en daarachter de Hendrik (...) de huizen van hen, die een etmaal verdelen in drie sjichten en daarop hun leven instellen, dat God eens zal afsluiten op Zijn dag en uur. En die weten, dat 't zo alleen goed kan zijn.'
Het was alles pure euforie wat de klok sloeg. De boerenzoons en boerendochters van voorheen waren mijnwerkers en mijnwerkersvrouwen geworden en niets leek wenselijker, natuurlijker, ja eeuwiger dan dat. Limburg kolenland! Groot was de geestdrift toen minister Van den Brink in zijn jubileumspeech onthulde dat er vanuit Heerlen met de koningin was getelefoneerd en dat de geplande, vijfde mijnzetel in Vlodrop 'op verzoek van Hare Majesteit de Staatsmijn Beatrix zal worden genoemd'.
Slechts een enkeling toonde reserves. Interessant in zijn ambivalentie is de houding van de dichter-publicist Paul Haimon. Voor een galaconcert door het Muziekcorps van de Staatsmijn Maurits met groot koor leverde hij zelf teksten voor variaties op Verdi's Triomfmars en het Glückauflied. Intussen moet Haimon ietwat overvoerd zijn geraakt door alle 'panegyriek'. In zijn bespreking van Hollewijns toneelstuk Mensen signaleerde hij een merkwaardige omkering in de beeldvorming. De éne overdrijving - die van de tegenstanders van de mijnbouw - had plaats gemaakt voor de andere: die van wat Haimon noemde 'de pro-lieden'. Van pro naar propaganda was het maar een kleine stap. Zó ver gingen de 'pro-lieden' in hun lofzangen op de mijn, dat ze een 'verkapt soort ronselaars' leken. De 'pro-lieden' waren in 1952 talrijk. Desondanks leek het ideaal van consensus nooit eerder zo dicht bij verwezenlijking.

Slot

En toch. De titel van mijn verhaal, 'Limburg en de mijn: een bekering', is niet helemaal compleet. Er moet een vraagteken achter. Of misschien moet dat woord bekering eruit. Laten we ervan maken: Limburg en de de mijn - een bekeringsoffensief.
Als het al gelukt was om in deze streek zoiets als een mijntraditie te scheppen, dan was die traditie een wankel bouwsel. De generatie beambten, publicisten, personeelswerkers en kunstenaars die zich tussen 1930 en 1960 met zoveel liefde en creativiteit heeft ingespannen om het imago van het bedrijf en het beroep te verbeteren, heeft zeker iets bereikt! - maar uiteindelijk bleek het roeien tegen de stroom op. Na 1945 werd de arbeidsmarkt gedifferentieerder, de onderwijskansen beter. Eeuwenlang was het vanzelfsprekend dat zonen van handarbeiders zelf ook weer handarbeid gingen verrichten, maar in de twintigste eeuw is die keten doorbroken. Scholing, doorleren en diploma's halen, dat werd het ideaal.
Mijnarbeid ging opnieuw behoren tot de categorie beroepen waarvoor arbeidskrachten uit andere landen moesten worden aangetrokken. Juist in de jaren vijftig liep de belangstelling voor de ondergrondse mijnarbeid terug. Anders dan in Frans Dohmens jonge jaren, waren er nu aantrekkelijker alternatieven. Daarbij speelden de blijvende gezondheidsrisico's van het werk in de mijn een grote rol.
Eind 1974 ging de laatste Nederlandse kolenmijn dicht. Aan het streven een solide inheemse mijnbouwtraditie te scheppen kwam een abrupt einde. 'Limburg kolenland' - motto van de jubileumoptocht in Geleen - bleek niet meer dan een intermezzo. Sommigen hebben dat al vroeg beseft. Het blijkt uit een opmerkelijke uitspraak over de mijnen, gedaan in de jaren twintig: 'Wij scheppen niets blijvends. Met al onze geweldige en geraffineerde machines zijn wij daartoe niet in staat. De natuur (...) drukt onze bouwsels bij het verstrijken der jaren toe en neemt weer terug, wat wij veroverd hebben.'
Nee, het was niet mgr. Poels die dit zei. Het is een uitspraak, notabene, van een van de toenmalige 'coming men' van de Staatsmijnen, hoofdbedrijfsingenieur Chr.Th. Groothoff, de latere president-directeur. 'Wij scheppen niets blijvends.'
Achteraf gezien was de man misschien toch iets te bescheiden. De mijnen hebben Limburg geopend, niet alleen in de letterlijke, fysieke zin van het woord, ook in mentale zin. En is ook dat niet een erfenis?

[1]Noot: Bovenstaande tekst is gebaseerd op de volgende artikelen:
Jos Perry, 'Van vader op zoon', in: Wiel Kusters & Jos Perry, Versteende wouden. Mijnen en mijnwerkers in woord en beeld, Amsterdam (Querido) 1999, pp. 83-96
Jos Perry, 'Jubeljaren. Staatsmijnen weerspiegeld in vier jubilea', in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 134-135 (1998-1999), pp. 7-84
Jos Perry, 'Limburg kolenland. Een collage van oud en nieuw', in: Ad Knotter en Willibrord Rutten (red.), Maakbaar Limburg. De constructie van een samenleving in een eeuw van uitersten, Maastricht (Sociaal Historisch Centrum voor Limburg) 2000, pp. 65-78

  • Artikel
  • 10 maart 2011
  • door Jos Perry

1 reactie(s)


Reacties

cool

cool

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Gelaen in de sjtruim van de tied

Gelaen in de sjtruim van de tied

  • agenda
  • 21 en 22 september 2019
Lezing: Applaus voor een Requiem

Lezing: Applaus voor een Requiem

  • agenda
  • 18 januari 2019
Oorlogsslachtoffers

Oorlogsslachtoffers

Koempelmis mijn Willem-Sophia

Koempelmis mijn Willem-Sophia

  • agenda
  • 17 november 2019