Mijnbouw in Nederland

Mijnbouw in NederlandUitzicht op de ON I Mijn in Heerlen (Foto ter beschikking gesteld door DSM)

Steenkoolwinning in Limburg vond oorspronkelijk plaats in het gebied rondom Kerkrade. In het dal van het grensriviertje de Worm komen steenkoollagen aan de oppervlakte en was winning vrij eenvoudig. Van de Romeinen is bekend dat in hun villa's in de omgeving, steenkool werd gebruikt voor o.a. verwarmingsdoeleinden. In het Wormdal ontstonden in de loop der eeuwen, veel kleine particuliere mijntjes, familiebedrijfjes. Vanaf de 12e eeuw is uit geschreven bronnen bekend dat er steenkoolwinning plaats vond.

Limburg was tot ongeveer 1900 een overwegend agrarische provincie. De meeste mensen verdienden hun brood in de landbouw. Door de opkomst van de moderne mijnindustrie kwam hierin verandering. Het aandeel van de landbouw in Limburg ging sterk achteruit. Het sterkst natuurlijk in het gebied van de mijnindustrie. Dit gebied onderging in de periode 1900-1930 een ingrijpende economische verandering. De beroepsbevolking hoefde niet meer uit te wijken naar Duitsland en België, want er ontstond nu in eigen streek een flinke vraag naar arbeidskrachten.

De opkomst van de moderne mijnindustrie

Vóór 1900 beperkte de steenkolenmijnbouw in Limburg zich tot Kerkrade en omgeving. Toen steenkool belangrijker ging worden, vooral als brandstof voor de opkomende industrie, werd ook op andere plaatsen naar steenkool gezocht.

Zo werden rond Heerlen ontginbare steenkolenlagen ontdekt. Ze zaten wel wat dieper in de grond dan in Kerkrade, maar de ontwikkeling van de techniek was inmiddels ver genoeg om de steenkolenlagen te kunnen bereiken. Toen er ook nog een spoorweg werd aangelegd om de steenkool bij de industrieën in de rest van Nederland te kunnen brengen, kon de productie beginnen.

Er kwamen nieuwe en grote mijnbedrijven. Vanaf 1927 waren er in Zuid-Limburg twaalf grote steenkolenmijnen in bedrijf. De meeste lagen in Heerlen, Kerkrade, Brunssum en omgeving. Het gebied kreeg de naam ‘de Mijnstreek'. Het spreekt vanzelf dat deze concentratie van mijnbouw in een klein gebied de nodige gevolgen had. Het landschap veranderde ingrijpend, eerst door de grote bedrijfsgebouwen en terreinen van de mijnen, later ook door de vele wegen en spoorwegen, woonwijken en winkelstraten.

Na 1930 kwam er een terugslag door de wereldcrisis. Veel mensen werden werkloos. Na de Tweede Wereldoorlog maakte de mijnindustrie weer een bloeiperiode door, die duurde tot aan het eind van de vijftiger jaren. Er waren veel arbeiders nodig in de mijnbedrijven en er ontstond al snel een tekort. De mijndirecties probeerden dit in de eerste plaats op te lossen door het werven van arbeiders in Limburg en Nederland. Door de mijnwerkers hoge lonen, goede arbeidsvoorwaarden en allerlei extra voorzieningen te bieden, werd het werken in de mijnen aantrekkelijk gemaakt. Het jaar 1958 was wat betreft arbeidsplaatsen het topjaar van de mijnindustrie. Er werkten toen 58.000 mensen in de mijnbedrijven. De steenkolenproductie draaide op volle toeren en er waren plannen om nieuwe mijnen in gebruik te nemen.

Heerlen, het centrum van de Mijnstreek 

Tussen 1900 en 1930 groeide Heerlen, samen met de mijnindustrie stormachtig. De gemeente Heerlen, die zich ontwikkelde tot het centrum van het mijngebied, had in 1900 nog geen 5.000 inwoners. Tien jaar later waren dat er 12.000. In 1930 waren het er al 47.000. In 1968 waren het er 76.000. Tegenwoordig heeft Heerlen ongeveer 96.000 inwoners.

De sterk toegenomen bevolking in de Mijnstreek moest natuurlijk ook in haar levensonderhoud kunnen voorzien. In Heerlen kwamen kantoren, warenhuizen, winkels, banken en uitgaansgelegenheden. Heerlen groeide uit van dorp tot stad.

Eerst stenen rapen ... 

Lange tijd begon het werk in de mijn voor jongens van 14 jaar aan de leesband. Dat betekende dat zij als "leesjongens" aan een lopende band stenen uit de kolen moesten uitlezen (uitzoeken) en verwijderen. Het werk in de mijn werd steeds ingewikkelder door nieuwe werkmethodes en het gebruik van nieuwe machines. 
Er ontstond behoefte aan een opleiding voor toekomstige mijnwerkers. In 1929 was het zover en startte de "Opleiding voor Leesjongens".Na de tweede Wereldoorlog werd dit de Ondergrondse Vakschool (OVS). 
Een soort vervolgopleiding op de OVS was de houwersopleiding. Je kon deze 3-jarige opleiding alleen volgen als je minimaal 17 jaar was. Het eerste deel van de opleiding bestond uit schriftelijke lesblokken. Hierin werd je alles wat je weten moest over steenkool en de winning ervan geleerd. In zes studieboeken werden het mijnbedrijf en de werkzaamheden behandeld. Zo werd het aanleggen van schachten en mijngangen geleerd maar ook: de geschiedenis van de mijnbedrijven, luchtverversing ondergronds, stofbestrijding bij de winning, energiegebruik, vervoer ondergronds, de werking van machines, het gebruik van gereedschappen en hefwerktuigen, onderhoud van machines, veiligheid en organisatie van een mijnbedrijf. Kortom de houwersopleiding was een uitgebreide opleiding die van de mijnwerkers technische vakmensen maakte.

Aan het werk 

Voordat de mijnwerker aan zijn dienst kon beginnen had hij er soms al een hele reis op zitten. Mijnwerkers uit de stad of omliggende dorpen kwamen te voet of met de fiets naar het werk. Woonde je iets verder weg dan werd je door een bus van het bedrijf opgehaald. De bus had een vaste route; woonde je aan het begin van de route dan had je pech en kon de reis meer dan een uur duren. Sommigen kwamen zelfs uit Noord-Brabant. Vanaf de jaren '50 kwam ook de bromfiets in gebruik bij sommige mijnwerkers.

Er werd gewerkt in drie diensten. De ochtend-, middag- en avonddienst. In tegenstelling tot tegenwoordig werd er zes dagen gewerkt. Acht werkuren per dag en op zaterdag zes uur, maar je kreeg wel acht uur betaald.

Hoewel er al zeer lang geleden steenkolen gewonnen werden in Limburg, begint de "moderne steenkolentijd" pas rond 1900. Steenkolen werden toen belangrijk voor de industrie. Zo snel als de mijnen groeiden, zo snel verdwenen ze ook weer. In 1974 sloot de laatste mijn in Limburg.Steenkool, van pijler naar de klant
De steenkolen werden door de mijnwerker gewonnen in de zogenaamde pijler (gang in de steenkoollaag). Hij gebruikte daarvoor een persluchthamer of hij bediende de mechanische kolenschaaf. In 1952 bedroeg de productie van alle Limburgse mijnen samen meer dan 10 miljoen ton steenkool.

Deze gigantische hoeveelheid steenkool vond zijn weg rechtstreeks naar de verbruikers of via groot- en kleinhandel. De brandstoffenhandel speelde een belangrijke rol bij de afzet. In de zomermaanden legde de handelaar een voorraad aan waardoor ook in deze periode een afvoer van steenkolen uit het mijnbedrijf mogelijk was. In de koude wintermaanden werd deze voorraad gebruikt om de klanten te blijven voorzien van brandstof. Ook de huishoudens legden thuis een voorraad aan voor de winterperiode.

In de jaren vijftig gebruikten 2,5 miljoen gezinnen ofwel 2.500.000 klanten steenkool in huis.

Vroeger werd steenkool vervoerd met paard en wagen. In de natte winterperiode leverde dit op slechte wegen natuurlijk veel problemen op. Als vanaf 1900 de nieuwe mijnbedrijven opgericht worden, groeit Oostelijk Zuid-Limburg uit van landbouwgebied met kleine dorpjes tot dichtbevolkt industriegebied. Ten behoeve van het steenkooltransport naar binnen- en buitenland zorgden de mijnen voor het verbeteren van de infrastructuur.

Zuid-Limburg ligt ten opzichte van de Nederlandse afzetmarkt nogal ongunstig. Wegen, spoorlijnen tot aan de mijnbedrijven, waterwegen en havens werden aangelegd om de steenkool naar de industriegebieden en steden in Nederland te vervoeren, speciaal voor het steenkolenvervoer werd het Julianakanaal aangelegd, een 35 kilometer lange waterweg die aansloot op de grote Nederlandse waterwegen. Door de Staatsmijnen werd aan het Julianakanaal de haven Stein aangelegd. De Nederlandse Spoorwegen legden een tweede haven aan in Born. In Stein werden in 1961 ruim 7300 schepen geladen en gelost. Na Duisburg (Duitsland) was haven Stein toen de grootste binnenhaven van West-Europa!

Mijnbouw in NederlandHet spoor langs de Oranje Nassau I Mijn (Ter beschikking gesteld door DSM)

In Susteren, een dorpje in Midden-Limburg, ontstond een van de grootste rangeerstations van Nederland. Op dit spoorwegemplacement werden lange zwaarbeladen kolentreinen samengesteld die dag en nacht naar het noorden reden. Het Spoorweg- en Expeditiebedrijf van de Staatsmijnen had 46 locomotieven in gebruik. In Amsterdam en Rotterdam hadden de Staatsmijnen eigen verladings-bedrijven voor zeeschepen en voor internationale binnenvaartschepen.

Voor het dagelijks vervoer van personen werd een extra spoorlijn aangelegd. Deze kreeg de naam "Miljoenenlijntje", omdat de aanleg door het heuvelachtige gebied meer dan één miljoen gulden per kilometer kostte. Zeker omstreeks 1930 waren dit enorme bedragen.

Overal werd steenkool gebruikt

Spraken we bij huisbrandverbruik van 4,2 miljoen ton, het industriële verbruik lag op 10,2 miljoen ton steenkool. Bij steenkoolverbruik in de industrie waren het natuurlijk vooral grote ondernemingen, elektriciteitscentrales, gas- en cokesfabrieken en vervoersbedrijven die in het groot verbruikten.

In de jaren vijftig werd bij de productie van bijna alle gebruiksartikelen energie gebruikt die afkomstig was van steenkool. Bij kleding, meubels, papier, ijzer en zelfs dagelijks brood werd op een of andere wijze steenkool gebruikt. Bij de Nederlandse Spoorwegen gebruikte men steenkool voor de stoomtreinen. Voor de productie van bakstenen of dakpannen werd steenkool in de ovens gebruikt en de bakker bakte het brood in ovens die met steenkoolproducten werden gestookt.

Het einde van de steenkolentijd

Tot in de vijftiger jaren bleef de mijnindustrie de grote welvaartsbron van Zuid-Limburg. In Heerlen, Kerkrade, Brunssum en omgeving was het zelfs de enige welvaartsbron, want er waren geen andere industrieën van betetekenis. Die afhankelijkheid van één bedrijfstak is het gebied duur komen te staan. Door de sluiting van de mijnen tussen 1969 en 1974 werden veel mensen werkeloos en ander werk was er niet direct voorhanden. De werkeloosheid bleef dan ook jarenlang hoger dan in de rest van Nederland.

  • Artikel
  • 6 april 2006
  • door Harrie Schlechtriem

1 reactie(s)


Reacties

staat er ook in hoe mijnen

staat er ook in hoe mijnen worden gemaakt?

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...