Redevoering Den Uyl

Redevoering Den Uyl

Winning van kolen was onder andere door het toegenomen gebruik van aardolie en aardgas steeds minder rendabel geworden, zo deelde Den Uyl zijn toehoorders mee op 17 december 1965 in de stadsschouwburg in Heerlen. Ook de groeiende buitenlandse concurrentie had hieraan bijgedragen. De gevolgen? De Limburgse mijnen zouden gaan sluiten, talloze mijnwerkers zouden ten gevolge hiervan werkeloos worden! Staatsmijn Maurits in Geleen was in 1967 als eerste aan de beurt. Hekkensluiter was de Oranje Nassau-mijn I in Heerlen, die zijn poorten voorgoed op 31 december 1974. Daarmee kwam de mijnwerkersgeschiedenis van Limburg voorgoed tot een einde. De herinneringen aan dit verleden-onder-de-grond zijn echter nog springlevend. De mijnsluiting is van deze geschiedenis de donkere slotepisode.

Toenemende verliezen

Meneer de Gouverneur, 
Monseigneur,
Meneer de vertegenwoordiger van de Hoge Autoriteit van de Kolen en Staal Gemeenschap, 
Waarde toehoorders, 

Staatssecretaris Bakker en ik hebben vandaag bij de Tweede Kamer van de Staten Generaal een nota ingediend inzake de mijnindustrie en de industriële herstructurering van Zuid – Limburg. 

Ik heb het in overleg met de Mijnindustrieraad op prijs gesteld U persoonlijk mededeling te komen doen van de inhoud van de beslissingen die de regering in die nota heeft neergelegd.
Ik heb dat op prijs gesteld omdat, sinds ik geconfronteerd ben met het vraagstuk van de mijnindustrie, ik gedrongen ben om te zeggen dat de mijnindustrie Limburg betekent, dat de monocultuur van de mijnindustrie beslissend is voor lot en leven van mensen hier in dit gewest.
Ik zal geen tijd besteden aan de voorgeschiedenis van de totstandkoming van deze regeringsnota. Ik zal dus niet herhalen hoezeer de ontwikkeling van de kolenafzet, de ontwikkeling van de rentabiliteit van de mijnondernemingen, in toenemende mate zorg heeft opgeroepen. De berichten deze dagen in de krant, dat de Hoge Autoriteit van de kolen - en staalgemeenschap overweegt om de noodtoestand voor de kolenindustrie af te kondigen, zijn niet meer dan een illustratie van die zorg die de afgelopen jaren in toenemende mater rondom de mijnindustrie is komen te heersen. Ik herhaal niet wat van de zijde der regering in de regeringsverklaring en in de troonrede is gezegd. Ik veronderstel als bekend, dat, door een relatieve daling van de prijs van olie, in ons land mede door beschikbaar komen van aardgas, door het bestaan van uitgebreide subsidiemogelijkheden in andere landen van de kolen- en staalgemeenschap, het steeds moeilijker is geworden om rendabel kolen te winnen hier in Limburg en die zonder verliezen te verkopen.
De regering heeft getracht na te gaan wat de perspectieven zouden zijn bij handhaving van de kolenproduktie op het huidige niveau. En na een zo goed mogelijke berekening was de conclusie dat bij handhaving van het huidige niveau van de kolenproduktie op basis van het jaar 1970 per werkende moest worden gerekend meteen nationaal - economische last van f 180 miljoen d.w.z. dat per jaar dan in 1970 per werkende in de kolenwinning f 4500,-- zou moeten worden toegelegd om die produktie in stand te houden. Het perspectief van de ontwikkeling na 1970 is, financieel gesproken, niet minder somber. Toenemende verliezen. En in een situatie van gelukkig volledige werkgelegenheid in ons land spreekt het vanzelf, dat elke regering zich dan heeft af te vragen: is het verantwoord op deze wijze door te gaan? Is het verantwoord om arbeidskracht, kapitaal, dat schaars is beide in ons land, te blijven besteden aan een produktie, waarvan het produkt niet kan worden verkocht dan met grote verliezen. Is het dan niet noodzakelijk om die produktie in te krimpen en kapitaal en arbeid in andere richting aan te wenden? En zal die vraag niet moeten worden gesteld puur op financiële gronden en zou die uit menselijke overwegingen moeten worden gesteld want het is noodzakelijk dat die arbeid in ons land verricht wordt of verricht wordt met een zo groot mogelijk positief resultaat voor onze gehele gemeenschap.

Geen mijnsluiting zonder vervangende arbeid

Geconfronteerd met die feitelijke situatie behoeft het niet te verwonderen, dat ik kort na mijn optreden als Minister geconfronteerd ben geworden met een advies van de Mijnraad, waarin werd besloten, werd aanbevolen, dat de regering zou overgaan tot sluiting van de mijn Maurits. En dat advies van de Mijnraad een daartoe in werking gesteld advieslichaam, dat was - naar ik meen - op sterke gronden gesteld. En ik heb het ook ter harte genomen. Maar - en dat was ook niet de taak van de Mijnraad - er ontbrak een noodzakelijk sluitstuk van dat advies. En dat is dat sluiting van mijnen betekent dat arbeidskrachten vrijkomen, en vandaag de dag geldt gelukkig in Nederland dat mensen ook recht op werken hebben.
Alvorens dus de regering een beslissing kon nemen op de sluiting van de mijn Maurits, waartoe een advies aanwezig was, diende eerst klaarheid te worden geschapen over het scheppen van vervangende werkgelegenheid. En dat moest niet alleen gelden voor de mijn Maurits, maar indien al besloten zou worden tot een program van inkrimping van de kolenproductie en sluiting van mijnen, dan diende dat gepaard te gaan met een program, waarin zo groot mogelijke waarborgen aanwezig zouden zijn voor nieuwe vervangende werkgelegenheid en dat te meer, waar nu eenmaal de kolenproduktie geconcentreerd is op een klein gebied en welvaart en welzijn van de bevolking direct afhankelijk zijn van het werken in de mijnen of in de vervangende bedrijven.
Dat heeft mij geleid tot een drietal uitgangspunten, die gehanteerd zijn bij de uiteenstippeling van het beleid.
Eerste uitgangspunt: Geen mijn-sluiting zonder redelijk perspectief op ander werk.
Tweede uitgangspunt: Geen mijn-sluiting zonder redelijke regelingen, waarbij de belangen, de financiële belangen, van de werknemers worden gewaarborgd bij ontslag of bij herplaatsing.
Derde uitgangspunt: Geen mijn-sluiting zonder een redelijke zekerheid omtrent de voorzetting van de produktie van die mijnen die in bedrijf zouden blijven.
Ik wil proberen in kort bestek aan te geven hoe de regering, uitgaande van deze uitgangspunten, is gekomen tot een program. Geen mijnsluiting zonder redelijke perspectieven op vervangende werkgelegenheid. Dat betekent, dat indien de regering tot sluiting van de mijn Maurits over wilde gaan, er op korte termijn nieuwe werkgelegenheid diende te worden geschapen. En niet in de vorm van enkele tientallen honderden arbeidsplaatsen, maar dat het hierbij zou gaan - dat was duidelijk - om het scheppen van werkgelegenheid op korte termijn voor de duizenden vrijkomende arbeiders. Er diende een samenspel van maatregelen te komen die hier in de mijnstreek een nieuw industrieel klimaat zouden kunnen scheppen. Maar het scheppen van een nieuw industrieel klimaat, het uitbreiden van bestaande, het aantrekken van nieuwe bedrijven betekende ook en betekent ook vandaag, dat die nieuwe bedrijven althans enige zekerheid moeten hebben omtrent het beschikbaar zijn van nieuwe arbeidskrachten. Want Zuid-Limburg behoort op het ogenblik tot de gebieden in ons land met het grootste tekort aan arbeidskrachten. Het overschot van openstaande aanvragen boven de geregistreerde arbeidsreserve in de orde van grootte ligt van 4000 à 5000. De regering heeft nagegaan of het mogelijk zou zijn om, uitgaande enerzijds van het bestaande tekort aan arbeidskrachten, anderzijds van de noodzaak om niet stukje bij beetje, maar met enkele forse slagen te komen tot een nieuwe industriële structuur voor Zuid-Limburg, of het mogelijk zou zijn daarvoor voldoende waarborgen te vinden.
En ik meen, en ik zal dat direct ook proberen aan te tonen, dat de regering daarin is geslaagd.
En het is in het perspectief van de mogelijkheid om de komende vijf jaar in Zuid-Limburg 5000 á 10.000 nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen, het is tegen die zekerheid dat de regering heeft besloten over te gaan tot sluiting, tot inkrimping van de kolenproduktie. Daarbij is uiteraard overwogen hoe de financiële positie is van de verschillende mijnen. Er diende een keus te worden gemaakt. De mijn Maurits, dat is algemeen bekend, produceert tonnen kolen met de grootste verliezen per ton en de regering heeft besloten dat met ingang van 1 april 1966 de mijn Maurits zal worden afgebouwd, waarbij een betrekkelijk korte termijn van drie jaar zal worden nagestreefd, en ik zal direct toelichten waarom dat noodzakelijk is. Bovendien heeft de regering besloten, dat van de twee kleine particuliere mijnen in het mijngebied, de Willem-Sophia en de Domaniale, er op afzienbare termijn één zal worden gesloten. Ik betreur het zeer te moeten meedelen, dat zowel de eigenaar van de concessie van de Willem-Sophia als de houder van de concessie van de Dominale mij hebben doen weten, dat zij onder de bestaande verhoudingen niet bereid zijn de exploitatie van de mijn voort te zetten. Dat betekent niet, waarde toehoorders, dat aanvaard zou kunnen worden dat die mijnen van vandaag op morgen dicht zouden gaan. Dat gebeurt hier in Limburg niet. Op grond van het program dat de regering heeft uitgestippeld zal één van deze mijnen vóór 1970 gesloten worden. De produktie van de andere kleine mijn zal worden voortgezet ook nà 1970 met het oog op het feit dat het gebied waarin deze mijnen liggen, Kerkrade, ook de Wilhelmina ligt - 3800 werknemers - die op grond van uitputting in de jaren 1971 - 1972 tot sluiting zal komen.
Sluiting van de Maurits, sluiting van één kleine particuliere mijn betekent gevoeglijk andere factoren die werken op het aanbod van arbeidskrachten, dat de komende vijf jaar naar zorgvuldige berekeningen 8.000 à 10.000 arbeiders beschikbar zullen komen voor nieuwe arbeidsplaatsen. Het betekent dus, dat in het regeringsprogram, na een zekere aftrek voor het bestaande tekort, voor 5.000 à 8.000 nieuwe arbeidsplaatsen moeten worden geschapen.
Alvorens ik inga op de maatregelen, die de regering daartoe heeft genomen, zou ik eerst iets willen zeggen over de tweede doelstelling nl. het scheppen van zekerheid voor de voortzetting van die mijnen die niet gesloten worden. Die zekerheid moet in de eerste plaats worden gevonden door het treffen van regelingen omtrent de afzet van de kolen. Het is U, velen van U zal het bekend zijn, dat de afgelopen jaren met grote moeilijkheden in telkens terugkerende onderhandelingen de elektriciteitsproducenten in ons land zijn gebracht tot het afnemen van bepaalde voorraden industriekolen. De elektriciteitsproducenten moeten voor die industriekolen aanzienlijk meer betalen per ton dan ze zouden behoeven te betalen wanneer ze deze kolen uit Amerika zouden mogen importeren.

Subsidies, steun en langjarige afspraken

Wil er perspectief zijn voor voorzetting van een belangrijk deel van de kolenproduktie, dan stond bij mij vast dat met de elektriciteitsproducenten, de belangrijkste afnemers van industriekolen in ons land, de langjarige overeenkomst moest worden getroffen. Welnu, er is met de elektriciteitsproducenten een overeenkomst gemaakt waarbij ze zich verplicht hebben voor tien jaar tot en met het jaar 1975 een hoeveelheid van 1,5 tot 1,8 miljoen ton kolen per jaar af te nemen. Af te nemen voor 87 ½ % tegen lijstprijzen voor de laatste resterende 12½ % met een reductie. Er is vervolgens een tienjarige afzetregeling getroffen met de andere grote afnemer van industriekolen in ons land te weten de Hoogovens. De hoogovens zullen hun afname van cokes verminderen, zij zullen de afname van 0,2 miljoen ton kolen, die er nu is, opvoeren tot een half miljoen ton in 1970 en ten minste tot 1975 een half miljoen ton kolen blijven afnemen. Er is vervolgens inzake het invoerbeleid een aantal regelingen getroffen die verder kunnen werken ter bescherming en ter verzekering van de afzet van de kolenprodukties van de in functie blijvende mijnen. Voor de zekerheid van de kolenproduktie is verder noodzakelijk, dat de mijnondernemingen, die op het ogenblik met verlies werken en die dat de komende jaren in toenemende mate zullen doen, dat die wat betreft hun concurrentieverhoudingen met de andere K.S.G - landen zullen worden verstrekt. Daartoe heeft de Mijnindustrieraad op 1 april van dit jaar een beroep op de beschikking van de Hoge Autoriteit van 7 februari van dit jaar een uitgebreid verzoek om steunverlening bij de regering ingediend. Het belangrijkste element daarin is gelegen in het verzoek om betaling door de regering van de extra lasten die drukken op de mijnondernemingen als gevolg van het feit, dat in de mijnondernemingen gemiddeld genomen de verhouding van het aantal rechthebbende uitkeringen t.o.v. het aantal actief werkende veel ongunstiger ligt dan in de industrie in het algemeen.
De regering heeft zich uitvoerig beraden op de vraag of het juist was, of het toelaatbaar was, of de grondslagen aanvaardbaar waren, waarop aan de mijnindustrie uit overheidskas een subsidie zou worden verstrekt ter tegemoetkoming in de kosten van het demografisch excedent. Welnu, de regering heeft besloten dat met ingang van 1 januari 1966 de mijnindustrie, exclusief het chemische bedrijf van de Staatsmijnen, aanspraak zou kunnen maken op een jaarlijkse steun op grond van het demografische excedent, van f 40 miljoen per jaar. Daarnaast heeft de regering de opschortende voorwaarde die verbonden was aan de steunverlening, die met ingang van 1 augustus 1964 tot stand was gekomen, tegemoetkoming in de werknemerslast van de ondernemingen ten bedrage van totaal f 36 miljoen en waaraan een opschortende voorwaarde was verbonden, dat ze kon worden ingetrokken als andere steun zou worden verleend, de regering heeft die opschortende voorwaarde ingetrokken, zodat de mijn-industrie met ingang van 1 januari 1966 uit dezen hoofde zou kunnen rekenen op een steun ten laste van zijn schatkist van f 76 miljoen per jaar. Voor het jaar 1965 zal een ad hoc regeling worden getroffen tot een maximum van f 15 miljoen steun.
Daarmee is het probleem van zekerheid voor de mijnindustrie niet opgelost. Ook na verlening van deze omvangrijke steun is er perspectief dan zowel Staats - als particuliere mijnen bij hun resterende kolenproduktie geconfronteerd zullen worden met tekorten. Welnu, om zeker te stellen dat voortzetting van de produktie zal plaatsvinden, heeft de regering de mogelijkheid geopend van aanvullende steun, een subjectieve uitkering die komt naast de genoemde vorm van steun en die van twee beginsels zal uitgaan. In de eerste plaats, dat daarbij ten aanzien van de particuliere ondernemingen wordt gewaarborgd dat de ondernemingsprikkel blijft gehandhaafd en dat een zo efficiënt mogelijk produktie wordt verkregen, waartoe een toeslag volgens een bepaalde formule per ton kolen zal worden gegeven. Vervolgens dat de particuliere ondernemingen in financieel opzicht, wat de steun betreft een zekerheid krijgen van tenminste vijf jaar; voor elk jaar wordt vijf jaar, per verschuivende termijn, dus opnieuw financiële zekerheid verschaft.
Daaruit mag niet worden afgelezen, dat de regering ervan uit zou gaan alsof het met vijf jaar wel bekeken zou zijn, integendeel waar het de huisbrandstofkolenproduktie betreft, is er een redelijke zekerheid, dat voor tien/vijftien jaar die produktie niet alleen nodig zal zijn, maar in de dringende behoefte van de Europese markt zal voorzien. Het staat ook duidelijk moge het zijn dat met het oog daarop voor de overblijvende produktie de regering nadrukkelijk streeft naar een zo groot mogelijke zekerheid, omdat de voortzetting van de produktie indien de mijnen in produktie blijven, alleen goed kan plaatsvinden als daar ook continuïteit in de bedrijfsvoering aanwezig zal zijn.
Ik kom nu aan mijn derde uitgangspunt. Wat betreft de waarborging van de regelingen voor werknemers bij ontslag of bij herplaatsing. De Mijnindustrieraad heeft nader gespecificeerd bij een verzoek in september van dit jaar, aan de regering gevraagd om in de eerste plaats toepassing van de wederaanpassingsregeling op grond van art. 56 van het K.S.G-verdrag, zoals die is toegepast voor de werknemers die bij de integratie van de mijnen Hendrik en Emma zouden vrijkomen.
Welnu, de regering heeft zicht verplicht om in overeenkomstige gevallen de wederaanpassingsmaatregelen en de daarin voorziene uitkeringen voor werknemers bij verdere mijnsluitingen toe te passen en heeft de Hoge Autoriteit van de kolen- en staalgemeenschap vergunning gevraagd om tot deze toepassing te mogen overgaan. In de tweede plaats heeft de Mijnindustrieraad gevraagd om een buitengewoon belangrijke aanvullende uitkering op grond van art. 4 van de beschikking van de Hoge Autoriteit voor werknemers die minder dan vijf jaar van hun pensioengerechtigde leeftijd af zouden zijn. De regering heeft nagegaan wat de kosten zouden zijn van de aanvaarding van deze voorstellen. Het is gebleken dat die bij het voorziene sluitingsprogram van de mijnen, dat er tientallen miljoenen mee gemoeid zullen zijn. Hoewel de regering op zichzelf de verlangens van de Mijnindustrieraad, tot stand gekomen op grond van het overleg van werknemers en werkgevers, sociaal niet onredelijk vindt, is de regering wel van oordeel dat in het algemeen de kosten van afvloeiingsregelingen ten laste dienen te komen van de betrokken ondernemingen.

Eerlijke bedrijfssluitingen

Waarde toehoorders, het zal U niet onbekend zijn, dat ook elders in ons land vandaag de dag bedrijfsuitsluitingen aan de orde zijn. En de regering heeft zich bij alles wat ze besluit ten aanzien van Zuid-Limburg en de mijnindustrie, rekenschap te geven van de consequenties daarvan voor ander delen van het land. Rechtsgelijkheid, rechtvaardige bedeling voor Limburg, maar ook voor andere delen van het land. De regering heeft aan de andere kant afgewogen dat de mijnindustrie in Limburg een volstrekt unieke positie inneemt, gezien tegen de landelijke verhoudingen. En ze heeft daarbij ook willen overwegen, dat de aard van de mijnarbeid - en ik denk hierbij uiteraard in het bijzonder aan de ondergrondse arbeid - in sociaal opzicht heel bijzonder eisen stelt aan de mensen die dit werk uitvoeren. Het een tegen het ander afwegende is de regering tot de conclusie gekomen, dat zij bereid is de voorstellen van werknemers en werkgevers in de Mijnindustrieraad tot aanvullende uitkeringen volgens art. 4 van de Beschikking van de Hoge Autoriteit integraal te aanvaarden en voor 100 % te honoreren.En dat betekent dat daarmee overgangsregelingen zijn geschapen, waarmee naar mijn stellige overtuiging, de belangen van de werknemers die ontslag of herplaatsing krijgen bij het inkrimpingprogram dat ik U heb gezegd, waarmee die belangen van de werknemers worden gewaarborgd.
Wat is nu de inhoud van dat program van het scheppen van nieuwe werkgelegenheid, waartoe de regering heeft besloten? Ik zou daarbij in de eerste plaats willen stellen, dat de regering van oordeel is dat de verdere uitbreiding van het chemische bedrijf van de Staatsmijnen onbelemmerd voortgang dient te vinden. Investeringen in het chemische bedrijf van de Staatsmijnen bedragen voor 1966 f 120 à f125 miljoen. De regering is van oordeel dat de verliezen, die de Staatsmijnen zouden lijden op een kolenproduktie, op geen enkele wijze de investeringen vin het chemische bedrijf van de Staatsmijnen mogen belemmeren. Het chemische bedrijf van de Staatsmijnen heeft zich ontwikkelde tot het belangrijkste, nieuwe industriële conglomeraat, dat de mijnstreek kent naast de kolenwinning. Het is van grote betekenis - ook al weten we dat naar verhouding de investeringen in de chemische industrie een kleiner effect hebben voor de werkgelegenheid als de investeringen in andere industriële bedrijven - het is van grootste betekenis, dat dit nieuwe zwaartepunt van de industriële bedrijvigheid in Zuid-Limburg verder zal uitbreiden en tot grotere bloei nog zal komen.

Personenautofabriek DAF

Vervolgens is de regering van oordeel geweest, dat het noodzakelijk was dat op korte termijn een nieuwe grote industriële eenheid zijn plaats zou vinden in Zuid-Limburg. En ik ben buitengewoon gelukkig geweest met het initiatief van Staatsmijnen en de N.V. van Doorne´s Autofabrieken om te komen tot de oprichting van een grote personenautofabriek hier in Zuid-Limburg. Het is uiteraard een project waar risico´s aan zitten. Het is een project waaraan de regering niettemin besloten heeft medewerking te verlenen na zorgvuldig onderzoek, omdat ze van oordeel is, dat het op korte termijn gerealiseerd kan worden en grote perspectieven biedt voor de werkgelegenheid. Het oprichten van dit bedrijf in Limburg zal een investering vragen van f 290 miljoen. Daarvan zal via de deelneming van Staatsmijnen in het DAF - concern f 66 miljoen beschikbaar komen. De staat zal rente en aflossing op een lening van f 100 miljoen garanderen t.b.v. deze nieuwe personenautofabriek. Aan de Hoge Autoriteit van de kolen- en staalgemeenschap is op grond van art. 56a van het verdrag gevraagd een lening te verstrekken van f 35 miljoen t.b.v. dit project en ik meen op grond van het gehouden overleg, dat we redelijk mogen verwachten dat hierin zal worden bewilligd. Het resterende deel van de investering zal worden geleverd door het bestaande concern van de DAF zelf. Ik zal niet ingaan hier op de vele aspecten verbonden aan de opzet en uitwerking van dit project. Ik wijs erop dat de bedoeling is het heel snel te starten. Dat in 1967 er 500, in 1968 1500 en in 1969 er ongeveer 3500 mensen erin zullen werken. Ik wil wel op deze plaats uitdrukking geven aan mijn waardering voor het feit, dat het mogelijk is gebleken in zeer korte tijd een zodanige vorm van overleg, samenwerking te vinden tussen Staatsmijnen en een particuliere onderneming met de regeling van tal van aspecten hierbij betrokken, dat het thans mogelijk is om met medewerking en goedkeuring van de Staten Generaal op afzienbare termijn, op zeer afzienbare termijn te komen tot realisering van dit grote nieuwe project in Zuid-Limburg. Het nieuwe project zal worden gevestigd in de gemeenten Born en Nieuwstadt. En als ik dat zeg, dan weet ik dat bijv. in Kerkrade, om die gemeente nu maar bij uitzondering hier met name te noemen, daar wel zorg blijft bestaan. En dat begrijp ik en dat vloeit mee voort uit de ligging van die mijnen, die in de eerste plaats voor verdere sluiting in aanmerking komen. Het betekent, dat in het samenspel van maatregelen in het bijzonder dan ook aan het scheppen van vervangende werkgelegenheid in Kerkrade aandacht zal worden gegeven.
Wat houdt het regeringsprogramma op dit punt in? In de eerste plaats heeft de regering besloten dat ter verbetering in de infrastructuur van Zuid-Limburg in de eerstkomende vijf jaar f 62 ½ miljoen extra zal worden uitgetrokken, in het bijzonder voor de verbetering van de wegen, aan- afvoerwegen, de ontsluiting van Zuid- Limburg als nieuw industriegebied. In de tweede plaats kondigt de regering af voor Zuid-Limburg een bijzondere industriële stimuleringsregeling. We kennen soortgelijke regelingen in ons land voor de z.g. ontwikkelingsgebieden. De regering was van oordeel, dat gelet op de bijzondere situatie van Zuid-Limburg, hier een specifieke regeling noodzakelijk was. Die specifieke regeling houdt in, dat voor nieuwe industriële projecten een rijksbijdrage zal worden verleend van 50 % van de grondkosten, van f 60 per m², gebouwd op twee condities: op de eerste plaats, dat tenminste 25 vrijkomende mijnwerkers te werk zullen worden gesteld, in de tweede plaats dat met de nieuwe projecten ten minste een particuliere investering van een half miljoen is gemoeid. Ook bestaande bedrijven hier in Zuid-Limburg zullen van deze regeling kunnen profiteren, voor zover zij nieuwe projecten tot ontwikkeling brengen. In het besef dat bij de inkrimping van de kolenproduktie hier in Limburg een beambtenprobleem zou kunnen ontstaan, in het besef dat het vinden van vervangende werkgelegenheid voor arbeiders in sommige opzichten eenvoudiger zal zijn als voor beambten, heeft de regering bovendien bepaald dat zij in haar ruimtelijk beleid zal streven naar de vestiging van een grote administratieve instantie hier in Zuid-Limburg en voor zover particuliere ondernemingen, particuliere instanties daartoe bereid zouden kunnen worden gevonden, zal voor deze niet industriële vestiging ook de voorwaarde gelden van de faciliteitenregeling en de bijdrage - regeling, die voor de industriële projecten zullen gelden. De regering gaat er daarbij vanuit, dat het gewenst is dat, zoals ze dat ook in andere gebieden in ons land waar herstructurering noodzakelijk is, dat die nieuwe industrievestiging, dat die gestructureerd gebeurt. In overleg met het provinciaal bestuur zijn voorshands vier industriecomplexen, vier industrieterreinen aangewezen, waarvoor deze bijdrage-regeling zal gelden. Dat zijn de complexen Beitel bij Kerkrade, dat is Klingroodebeek Bouwberg in het N.Oosten bij Brunssum, dat is Buchten bij Born, dat is Heide bij Roermond en ik noem dat laatste ook, omdat de regering dat niet los kan zien de ontwikkeling van Zuid-Limburg met de situatie in Midden-Limburg, en de behoeften en verlangens daar een belangrijk gebied va uitgaande pendel van Zuid-Limburg in haar overwegingen heeft willen betrekken. Het zal, indien daaraan behoefte blijkt te bestaan, mogelijk zijn nieuwe industrieterreinen daaraan toe te voegen. Het uitgangspunt van deze regeringsbeslissing is, dat men wil komen tot een gestructureerde nieuwe industrievestiging, die zou ik willen zeggen, die aan de randen zijn gelegen van de bestaande kern van het oostelijke mijngebied, omdat we ermee rekening hebben te houden dat ook de omgeving zal gaan veranderen, aan- en afvoerwegen wanneer in de loop der jaren de bestaande mijnindustrie wordt opgevolgd door nieuwe industriële kernen. Het gaat niet alleen om het toevoegen van wat industrieën, het gaat om het scheppen van een nieuwe industriële structuur. Vervolgens zal de regering een regeling voor een bijzondere financiering, waarbij bedrijven garanties kunnen krijgen onder bepaalde voorwaarden, op aan te gane leningen van toepassing verklaren voor de bedrijven, nieuw te vestigen bedrijven in Zuid-Limburg. Vraagt U naar het effect van deze maatregelen, dan ben ik ervan overtuigd, dat gelet op de wijze van opzet en financiering van het DAF-project, zoals dat in de kranten is gaan heten, zij het dan niet altijd met letterlijk de juiste informaties, dat gelet op de omvang van de stimuleringsregeling die is getroffen en gelet op de additionele maatregelen f 62,5 miljoen in vijf jaar voor de uitbreiding van de infrastructuur en de verbetering van de instructuur, de ontsluiting van het gebied als we vergelijken welk effect minder vergaande maatregelen in andere delen van het land heeft gehad, dat ik dan geloof dat eerder de vrees gerechtvaardigd is, dat hier wellicht ondanks het sluitingsprogram een schaarse arbeidsmarkt zal blijven bestaan dan dat we vrees zouden behoeven te hebben, dat hier werkeloosheid zou gaan ontstaan.

Conclusie

Het is die overtuiging, waarde toehoorders die de regering heeft, als zij dit samenspel van maatregelen nu aan de betrokken instanties, staats- en particuliere mijnen, aan alle belanghebbenden in dit gewest voorlegt. Ik meen dat hiermee is voldaan aan de uitgangspunten die ik heb geschetst. U zult zich bewust zijn, dat met de uitvoering van deze maatregelen, grote lasten 's Rijks Begroting zijn gemoeid. Ik heb U genoemd een bedrag van f 76 miljoen aan steunverlening voor de mijnen met ingang van 1 januari 1966; daar komen bij de bedragen voor de uitkeringen aan werknemers op grond van art. 4, de aanvullende uitkeringen; 50% van de kosten van de wederaanpassingsmaatregelen, die eveneens voor rekening van 's Rijks Kas komen; daar komen bij de kosten van de subjectieve uitkeringen die nodig zullen blijken ten behoeve van de voortzetting van de kolenwinning; daar komen bij de kosten van de industrialisatiemaatregelen, die ik U hier heb geschetst. Het is een zaak van ernstige overweging geweest voor de regering of het juist en verantwoord was op een zo diep ingrijpende wijze middelen ter beschikking te stellen voor de herstructurering van het gewest. Daarbij komt dat er op gerekend moet worden en dat het ook in de nota is neergelegd, dat dit program en de uitvoering van dit program gepaard zal moeten gaan nog met een reeks maatregelen op aangrenzende maatschappelijke terreinen. De arbeidsbureaux zullen beter moeten worden toegerust. De beroepen en beroepskeuze - voorlichting zal bijzondere aandacht moeten krijgen. Er zal hier in Zuid - Limburg een permanente beroepen - tentoonstelling worden gevestigd. Het centrum voor de vakopleiding van volwassenen in Heerlen zal worden vergroot, er zullen drie nieuwe centra worden gericht, twee in Geleen en één in Terwinselen.
De interdepartementale Commissie voor gebieden met bijzondere structuurveranderingen gaat op het ogenblik na in hoeverre bijzondere aandacht en bijzondere maatregelen nodig zijn aan de sociale en culturele gevolgen van de economische omschakeling. Het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen heeft nog in beraad in hoeverre nadere maatregelen op het gebied van onderwijs nodig zullen blijken en hetzelfde geldt voor het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk. Met het geheel zullen zeer aanzienlijke financiële offers gemoeid zijn. Dat de regering niettemin tot de conclusie is gekomen dat dit verantwoord is, dat komt omdat er inderdaad de erkenning is, dat het vraagstuk waar de mijnindustrie nu mee wordt geconfronteerd, dat de betekenis van een inkrimping van de kolenproduktie, zoals die door mij is aangegeven, zo diep insnijdt in het samenlevingsweefsel van dit gewest dat het verantwoord en nodig is hier ook heel specifieke maatregelen tegenover te stellen. En dat ook uit een oogpunt van gelijkheid in behandeling het verantwoord is dat deze bijzondere maatregelen voor dit gewest op dit moment worden getroffen.
Ik zou willen besluiten met een tweetal opmerkingen. Mijn eerste slotopmerking geldt de positie van de mijnindustrie die hier nog jaren voortgang zal vinden. Ik meen dat in dit regeringsprogram de zwaarste taak toevalt aan de mijnindustrie zelf. De mijnindustrie zelf, die ten dele zal moeten sluiten en inkrimpen. Dat is hard werken. Dat is hard voor degenen die daaraan leiding geven; het is hard voor degenen die daarin werken. Het zal bovendien nodig zijn, dat de produktie voortgang vindt voor nog vele jaren, in de huisbrandmijnen voor nog zeker ten minste tien jaren en het zal nodig zijn dat die produktie plaats vindt met toewijding, met gebruikmaking van de beste krachten van jonge mensen ook. Het is geen failliete zaak die ergens beredderd wordt, maar de productie van de mijnen die in stand gehouden wordt, die verdiend ook te worden uitgevoerd met de beste krachten, op de beste wijze, de meest efficiënte wijze die de mijnindustrie - werknemers en - werkgevers daarvoor kunnen opbrengen. En ik doe hier een beroep op de mijnindustrie, op werknemers en werkgevers om - en al die toewijding leren kennen - gebruik te maken, gebruik te blijven maken ook op de mensen in dit gewest, om het niet zo te beschouwen alsof de mijnindustrie een afgeschreven zaak is. Zij zal ten dele worden gesloten en ingekrompen. Voor zover ze wordt voortgezet verdient ze ook de aandacht van de beste en de toewijding van de beste krachten. En mijn tweede opmerking is dat stellig als U het geheel van maatregelen overziet, het zwaartepunt daarin ligt bij de industriële herstructurering; dat het zwaartepunt ligt in - ik geef het toe - misschien geforceerde poging om vooruit te zien, om te onderkennen dat een ontwikkeling gaande is, die uiteindelijk zal leiden tot afloop van de gehele kolenproductie; dat zonder dat iemand kan zeggen wanneer dat tijdstip zal vallen het noodzakelijk is om nu de fundamenten te leggen voor nieuw werk en nieuw leven in dit gewest; dat dat niet kan met kruimelarbeid, maar dat nu, nu de Maurits gesloten gaat worden, nu een kleine particuliere mijn dicht zal gaan, dat nu ook de hand aan de ploeg moet worden geslagen, nu snel en krachtig moet worden ingegrepen, dat nu het gewest in al zijn geledingen, in alle groeperingen moet samenwerken om te zorgen dat die fundamenten tot stand komen waarop een nieuwe generatie in Limburg nieuw leven tegemoet gaat, tegemoet gaat in een nieuw industrieel centrum, naar mijn overtuiging met grote groeikansen en met grote welvaart. Ik vergeet daarbij niet dat de maatregelen inhouden dat er mensen zullen zijn die minder zullen gaan verdienen. Dat zal gebeuren. Ik ontken en misken niet, dat voor velen deze maatregelen een heel hard gelag zullen beteken. Maar ik geloof dat daarboven uitgaat de redelijke zekerheid die, dacht ik, hier gegeven wordt dat hier in Zuid-Limburg nieuw werk en nieuw leven en een nieuwe samenleving zijn fundamenten zal kunnen vinden.

  • Artikel
  • 22 december 2005
  • door Nico Zijlstra

1 reactie(s)


Reacties

Ik ontving net een lening van

Ik ontving net een lening van € 150,000.00 voor de kosten van de operatie van mijn dochter, gisteren na een paar dagen geleden contact op te nemen met deze geldschieter. Ik ben heel blij en wil dit goede nieuws doorgeven aan andere leningaanvragers. wil je een snelle en veilige lening zoals ik? ik verzoek u dringend contact op te nemen met deze vrouwelijke geldschieter via deze e-mail: martinloanservices@gmail.com
Whatsapp +15186559114.

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Lezing: Applaus voor een Requiem

Lezing: Applaus voor een Requiem

  • agenda
  • 18 januari 2019
Opstandige mijnwerkers

Opstandige mijnwerkers

  • nieuws
  • 23 oktober 2018