Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonie

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieTreebeek

Deze tekst is een bewerking van de lezing die op 24 april 2009 gegeven werd in het kader van de presentatie van het eerste deel uit de reeks Architectuurgids Parkstad Limburg. Deze gids handelt over Brunssum en aansluitend hierop is als onderwerp voor de lezing de wijk Treebeek gekozen.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieSchematische plattegrond van Treebeek

In de eerste helft van de 20e eeuw werden er in Zuid-Limburg veel woningen gebouwd. De opkomende mijnindustrie had huisvesting nodig voor haar medewerkers die van heinde en verre kwamen om in de nieuwe mijnen te werken. Treebeek is een van de wijken die met dit doel gebouwd werd. Het meest opvallend aan de wijk zijn de gevarieerde bebouwing en de ruime, groene opzet. Deze twee aspecten maken de wijk zeer vriendelijk en ongetwijfeld fijn om te bewonen. Maar de wijk heeft nog meer, misschien op het eerste gezicht minder zichtbare, kwaliteiten. Deze zullen hier belicht worden.
De tekst zal zich toespitsen op het gebied dat tussen 1913 en 1918 werd ontwikkeld door De Staatsmijnen. Dit gebied strekt zich uit tussen de Akerstraat Noord aan de westzijde, tot aan Haansberg aan de oostzijde. Na deze eerste fase werden er nog uitbreidingen gedaan op de wijk, deze worden hier buiten beschouwing gelaten.
Opdrachtgever voor de nieuwe wijk namens de Staatsmijnen was de directeur ingenieur van Iterson. Van Itersons naam is voornamelijk bekend doordat hij de nu nog zeer herkenbare koeltoren in de vorm van een zogenaamde omwentelingshyperboloïde ontwikkelde.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieDe koeltorens van Van Iterson

Uit Duitse statistieken wist van Iterson dat een eenmalige grote investering in goede behuizing voor de mijnwerkers het bedrijf op den duur ten goede zou komen. Van Iterson was bevriend met een Amsterdamse architect, Willem Leliman. Deze architect was, samen met de architecten Berlage, en de misschien minder bekende van der Pek en van Epen, een van de pioniers van de Amsterdamse sociale woningbouw. Vanwege zijn ervaring met volkswoningbouw vroeg van Iterson Leliman deel te nemen in de ontwikkeling van de nieuwe wijk in Brunssum.

Leliman kreeg hierbij officieel de functie van Adviseur voor de Bouwdienst van Staatsmijnen. Het is dan ook niet duidelijk of de woningontwerpen in Treebeek allemaal van zijn hand zijn. Feitelijk was Leliman alleen adviseur, maar uit correspondentie blijkt dat hij een doorslaggevende stem had bij de beoordeling van de woningontwerpen. Wel is zeker dat de stedenbouwkundige opzet van de wijk van de hand van Leliman is, en het ontwerp van de ingenieurswoningen, die er tegenwoordig niet meer zijn, aan de Akerstraat-noord is tevens door hem gemaakt.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieDe ingenieurswoningen aan de Akerstraat

Ook onderstaande tekening van de woningen die zich aan het Treebeekplein bevonden, ondertekend door Leliman, doet vermoeden dat hij de ontwerper was van minstens de woningen rondom het plein. In ieder geval is het duidelijk dat Leliman een flinke vinger in de pap had bij het ontstaan van Treebeek.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieTekeningen van de woningen aan het Treebeekplein

Willem Leliman werd in 1878 geboren in Amsterdam. Zijn vader was architect en Willem was al van jongs af aan geïnteresseerd in het werk dat zijn vader deed. In 1900 startte hij zijn eigen architectenbureau op nadat hij was afgestudeerd aan de Polytechnische School te Delft. In zijn loopbaan, die slechts 20 jaar duurde, bouwde Leliman veel.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieLeliman gezeten aan zijn bureau Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieLelimans eigen villaTreebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieDe Nutsscholen in Treebeek

Zijn oeuvre bestaat voornamelijk uit villa's en, waarschijnlijk onder invloed van zijn vrouw die lerares was, ook een aantal scholen, zoals hier de Nutsscholen in Treebeek.
En uiteraard een aantal woningbouwprojecten. Naast zijn werk als architect was Leliman actief in allerlei organisaties, zoals de Maatschappij ter bevordering der Bouwkunst, de STVIA (Sociaal- technische Vereniging van Ingenieurs en Architecten), Architectura et Amicitia, de Bond Heemschut en de ANWB. In 1902 richtte hij het blad Bouwwereld op, waarin hij schreef over de toenmalige architectuur. Bouwwereld was destijds een van de weinige bladen die aandacht besteedde aan de woningbouwprojecten van die tijd, een onderwerp dat door veel architecten als minderwaardig werd gezien.
De teksten die Leliman en anderen schreven in het blad zijn daarom van grote waarde als we tegenwoordig willen begrijpen hoe men arbeidersarchitectuur destijds zag. Uit de artikelen blijkt dat de beoordelingscriteria voor arbeidersarchitectuur in die tijd anders waren dan nu: vorm, functie en materialisatie waren veel belangrijker dan esthetiek. Als men al sprak over esthetiek, dan werd dit onmiddellijk in verband gebracht met praktische bruikbaarheid. De plattegronden waren voor minstens een deel van de architecten in het tweede decennium van de vorige eeuw veel belangrijker dan de uiterlijke werking van de gevels of het interieur. In het volgende decennium veranderde dit, maar daarover later meer.

Het stedenbouwkundig plan van Treebeek is opvallend te noemen. De wijk strekt zich uit over een lengte van ongeveer 2,5 kilometer. Dat er langs zo'n strook gebouwd werd heeft te maken met het feit dat De Staatsmijnen bij het kopen van de grond voor de aanleg van het spoor ook deze grond in zijn bezit kreeg. Door op deze strook te bouwen was het niet nodig extra grond te kopen. Dit verklaart ook de ruime opzet van de wijk: er was genoeg grond om op te bouwen, en de grondkosten zouden geen deel meer uitmaken van de totale bouwkosten van de woningen.
Daarnaast was de grond in dit gebied, zeker op een plek als deze, afgelegen van enige andere voorzieningen in eerste instantie al relatief goedkoop. De grootte van percelen kwam echter niet voort uit alleen financiële overwegingen, ook zouden de grote percelen het woongenot van de mijnwerkers vergroten en zouden ze op die manier meer arbeiders aan kunnen trekken en ze makkelijker aan zich kunnen binden. Daar kwam nog bij dat tevreden arbeiders ook harder zouden werken, en op die manier zou de vele ruimte bovengronds ook weer positieve gevolgen hebben voor de arbeid ondergronds.
Het stratenpatroon van de wijk wordt gevormd door twee hoofdstraten, de Treebeekstraat en de Spoorstraat, die beiden de verbinding tussen de oost- en westzijde van de wijk maken en af toe met elkaar verbonden zijn door tussenliggende straatjes. De Spoorstraat vormde de doorgaande weg, terwijl de Treebeekstraat bedoeld was voor bestemmingsverkeer in de wijk.
De Spoorstraat liep, zoals de naam al doet vermoeden, recht langs het spoor dat de mijnen Emma en Hendrik met elkaar verbond. De Treebeekstraat daarentegen meandert door de wijk heen, van plein naar plein. Deze stedenbouwkundige opzet van elkaar opvolgende pleinen is opvallend. Naarmate men zich door de wijk verplaatst verandert het profiel van de straat voortdurend, waardoor elk gedeelte een eigen identiteit krijgt. Het creëren van onderscheid in de wijk is waarschijnlijk niet de enige reden waarom Leliman koos voor deze pleinen.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieEen van de boeken geschreven door Behrendt

In 1911 schreef de Duitse architectuurtheoreticus W.C. Behrendt het boek Die einheitliche Blockfront als Raumelement in Stadtbau. Dit boek heeft veel invloed gehad op de Amsterdamse woningbouw, en Leliman was dan ook vrijwel zeker op de hoogte van deze publicatie toen hij rond 1912 van Van Iterson de opdracht kreeg het stedenbouwkundige plan voor de Brunssumse kolonie te ontwerpen. Behrendt sprak in zijn boek over het verdwijnen van de relatie tussen stedenbouw en architectuur, die bepalend is voor de vormgeving van de stedelijke ruimte. Dit gemis zag hij voornamelijk bij de grootschalige 19e eeuwse staduitbreidingen. Met zijn boek probeerde Behrents het besef van de ruimte die zich bevindt tussen woningen te profileren.
De ruimte die ontstaat tussen woningen mocht volgens hem niet gezien worden als alleen restruimte, het is een zelfstandig element waaraan men moet denken bij het ontwerpen van een wijk of stad. Behrendt noemde deze ruimte Hohlraum, vrij vertaald lege ruimte.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieTekening van Leliman voor een uitbreiding op Treebeek
De volumes die de woningen vormen kunnen ingezet worden als elementen die ruimte vormen, begrenzen of juist openen. Op die manier kon de ruimte gebruikt worden als middel om architectonische of stedenbouwkundige effecten op te roepen of te versterken. Zo zou niet alleen de ruimte de architectuur kunnen versterken, maar ook de architectuur de ruimte. Behrendt schreef zijn boek over de stedenbouw in de grote steden, waar veel hogere dichtheden in woningbouw nodig waren. Dit betekende ook dat er hoogbouw toegepast moest worden: de architectuur in de stad had een hele andere vorm dan de architectuur van Treebeek, waar destijds alleen laagbouw werd gebouwd. De theorieën van Behrendt waren daarom ook voornamelijk van toepassing op de blokkenbouw zoals we die zien in bijvoorbeeld Amsterdam, waarmee de ruimte tussen woningblokken nog meer vormgegeven kon worden dan bij laagbouw. 

Toch lijkt het erop dat Leliman in Treebeek met zijn stedenbouwkundige plan geprobeerd heeft niet alleen het stratenpatroon en de verkaveling op een logische manier te ontwerpen. De variatie in straatprofielen en het terugleggen van woningen, waardoor open plekken en pleinen ontstaan zou wel eens ontstaan kunnen zijn onder de invloed van Behrendt's theorieën over de zogenaamde Hohlraum.
In het midden van de wijk bevindt zich het Treebeekplein, het centrale en grootste plein van de kolonie. Verder naar het oosten vinden we weinig pleintjes meer, zoals te zien is op de plattegrond.
Om te begrijpen met welke denkbeelden Leliman Treebeek ontwierp is het nodig een beeld te schetsen van wat er in de tijd van de bouw van Treebeek zoal gebeurde op het gebied van volkswoningbouw. Ten eerste is het daarom belangrijk te analyseren wat er in de omgeving destijds reeds gebouwd was en gebouwd werd, en waar de ontwerpers van Treebeek van konden leren.

Naast De Staatsmijnen, waar Leliman voor ontwierp, waren er nog twee partijen die zich bezighielden met de ontwikkeling van woningen. Dit waren de Oranje-Nassau Mijnen en de woningbouwverenigingen die gegroepeerd waren in de overkoepelende organisatie Ons Limburg. De wijken die door de Oranje-Nassau Mijnen werden gebouwd hebben, op de allereerste wijken na, een grote herkenbaarheid voor iedereen uit de mijnstreek. De koloniën van de O.N.M. in bijvoorbeeld Beersdal, Schaesberg en de Rennemig vallen op door hun afwijkende uiterlijk. Het zijn de woningen in Lotharingse stijl, ontworpen door de Lotharingse architect Lugten. Ook deze wijken hebben, net als Treebeek, een ruime opzet. Men kan aannemen dat achter deze ruime opzet dezelfde gedachtegang schuilging, zoals we die zojuist ook zagen bij De Staatsmijnen. In tegenstelling tot Treebeek was het stedenbouwkundig plan van deze wijken over het algemeen rationeler: er werd efficiënter van de grond gebruik gemaakt door een orthogonale opzet.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieCité Ouvrière in MulhouseTreebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieSchematische plattegrond Beersdal

Dat is zeer duidelijk te zien in de plattegrond van Beersdal. In de wijken die gebouwd werden door de O.N.M. is de invloed van de noord-Franse arbeiderswoningbouw duidelijk zichtbaar. In het franse Mulhouse werden voor het eerst georganiseerde wijken voor arbeiders gebouwd om een eind te maken aan de krottenwijken die ontstaan waren rond de industrialiserende steden. De wijken werden ontworpen door de ingenieur Émile Muller, die de woningen een plaats gaf langs lange, rechte wegen die meerdere malen achter elkaar herhaald werden. De wijken kregen op die manier een zeer uniform karakter: iedereen in de wijk was gelijk. De invloed van de zogenaamde cités ouvrières is niet alleen zichtbaar in de rationele stedenbouwkundige plannen van de wijken van de O.N.M. Ook zien we een opvallend woningtype dat in Mulhouse ontwikkeld werd terug in bijvoorbeeld Beersdal. Het was weliswaar geen vrijstaand type woning, maar men probeerde dit qua privacy wel te benaderen. Een woningblok werd door vier gezinnen gedeeld, waarbij de vier hoeken van het blok vier woningen vormden.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieHet vier-onder-een-kap type uit MulhouseTreebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieHet vier-onder-een-kap type in Beersdal

Het waren dus geen rijtjeshuizen, maar een blok- of kruisvorm, rug aan rug gelegen. Op die manier ontstonden vier L-vormige tuinen rondom het woningblok en een eigen ingang voor iedere woning. Dit vier-onder-een-kap, rug-aanrug type was het ideale compromis tussen goedkope woningbouw en woningen met zo veel mogelijk privacy. Het is waarschijnlijk dat Lugten al bekend was met dit type woningen voordat hij naar Zuid-Limburg kwam, hij kwam immers uit Lotharingen, niet ver van Mulhouse.
Hier zien jullie een foto van het vier-ondereen-kap, rug-aan-rug type zoals we dat terugvinden in Beersdal.

Een deel van de wijken van de O.N.M. was al gebouwd op het moment dat Leliman en consorten begonnen met het ontwerp van Treebeek. Toch lijken de wijken van de Lotharingse architect weinig invloed te hebben gehad op de ontwikkeling van Treebeek. Het vier-onder-een-kap, rug-aan-rug type zien we er niet terug, en ook van het rationele stratenplan is in Treebeek niets terug te vinden.

In 1911 werd Ons Limburg opgericht. Zoals gezegd was dit een overkoepelende organisatie voor woningbouwverenigingen. Oprichter was de priester Dr. Poels, die in 1910 als rector naar Heerlen kwam. Daar zag hij het grote tekort aan arbeiderswoningen en realiseerde zich dat ingrijpen vereist was. Hoewel de bouw van woninggroepen door de Oranje Nassau Mijnen en de Staatsmijnen meehielp aan het oplossen van het probleem was het niet voldoende. Poels zag in dat er maatregelen op grote schaal nodig waren. Poels besloot dat het nodig was dat woningbouwverenigingen werden opgericht in Zuid-Limburg. Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieDr H. PoelsPoels was er echter niet van overtuigd dat deze woningbouwverenigingen hetzelfde idealisme zouden hebben als hij. Ook was hij bang dat de nieuwe verenigingen niet zouden beschikken over voldoende ervaring en inzicht in woningbouw. Hij was er zeker van dat leiding, hulp en voorlichting nodig waren, en deze taak nam hij op zich. De eerste woningen werden pas gebouwd toen ook de bouw van Treebeek al in volle gang was. Veel invloed zullen deze ontwerpen dan ook niet op elkaar hebben gehad. Toch is er wel degelijk een connectie tussen de woningen van Ons Limburg en die van de Staatsmijnen, en deze connectie is te vinden in de architecten. Ons Limburg nam namelijk twee architecten in de hand die Leliman al moest kennen uit het architectencircuit in Amsterdam.
In eerste instantie werd Jan Stuyt, een goede vriend van Poels die als architect voornamelijk bekend was vanwege zijn kerkgebouwen, gekozen tot hoofdarchitect van de organisatie. Hij bouwde de eerste wijk van ons Limburg, De Slak, ook wel bekend als de Eerste Stap.
Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieCuypers, Centraal Station AmsterdamTreebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieStuyt, de eerste stap in Hoensbroek

Later werd ook Jos Cuypers, compagnon van Stuyt en zoon van de bekende architect Pierre Cuypers, bij Ons Limburg betrokken. Jos Cuypers vader, Pierre Cuypers, bekendste gebouwen zijn Rijksmuseum en Station Amsterdam Centraal. Leuk detail bij bovenstaande foto van het Centraal Station is het gebouw op de voorgrond. Dit was het station voor de trams en is tegenwoordig beter bekend als het Noord-Zuidhollands Koffiehuis. Het is een ontwerp van Leliman.
Jos Cuypers ontwierp verschillende wijken voor Ons Limburg, waaronder de Passart en Versiliënbosch. Zowel Stuyt Als Cuypers hebben zich op weliswaar kleine schaal beziggehouden met volkswoningbouw in Amsterdam, en moesten daarom ook welhaast bekenden van Leliman zijn. Leliman was immers een van de pioniers in de Amsterdamse woningbouw en was, naast zijn werk als architect, betrokken bij talrijke organisaties rondom de woningbouw. In de kringen van de Amsterdamse woningbouw was Leliman een man die bijna niet te vermijden was. Het is dan ook waarschijnlijker dat de invloed van Leliman op architecten als Stuyt en Cuypers groter was dan andersom.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieArbeiderswoningen in Amsterdam, gebouwd volgens de woningwet

De invloed van de andere mijnwerkerskoloniën in Zuid-Limburg op het ontwerp van Treebeek kan dus verwaarloosd worden. Wel is het interessant om voor de analyse van Treebeek eens te kijken naar wat er vlak na de eeuwwisseling in Amsterdam op het gebied van woningbouw gebeurde. In 1901 werd de Woningwet ingevoerd die in Augustus 1902 in werking trad. De wet moest ervoor zorgen dat bewoning van krotten onmogelijk werd en dat met hulp van overheidsgeld nieuwe, goede woningen gebouwd konden worden. Vooral dat laatste is hier van belang. Financiële hulp werd namelijk gegeven aan woningbouwverenigingen, en daardoor zien we, net als in Zuid-Limburg onder Ons Limburg, ook in andere Nederlandse steden woningbouwverenigingen ontstaan. Het duurt echter nog een tijdje voordat de eerste woningwetwoningen gebouwd worden. In Amsterdam was dit het door Rochdale ontwikkelde nog kleine complex in de Van Beuningenstraat ontworpen door de al eerder genoemde Van der Pek. De oplevering werd gevierd in oktober 1909, ruim 7 jaar na de invoering van de Woningwet. Dit complex was het begin van een ware explosie van Het Centraal Station in Amsterdam De eerste woningwetwoningen in Amsterdam woningbouw in Amsterdam, die tot bijna de Tweede W.O. voortduurde.
Leliman begon zich pas in 1910 bezig te houden met het ontwerpen van Amsterdamse woningwetbouw. Hij was ongetwijfeld op de hoogte van het ontwerp van van der Pek. In Leliman's blad, Bouwwereld, kwam dan ook een artikel te staan over het project. In dit artikel werd nauwelijks aandacht besteed aan de esthetiek van het bouwwerk, maar vooral aan de praktische, hygiënische en technische aspecten ervan. Doordat dit het eerste woningwetcomplex in Amsterdam was waren er nog een aantal andere vakbladen die er aandacht aan besteedden. Bij volgende projecten verslapte deze aandacht echter steeds meer, totdat Bouwwereld uiteindelijk het enige blad was dat nog regelmatig de arbeiderswoningen beschouwde.
Ook architecten hadden weinig interesse in de volkswoningbouw. Slechts een klein en select groepje architecten zagen in dat sociale woningbouw wel degelijk uitdagend kon zijn. Dit waren Van der Pek, Berlage, Van Epen en de voor ons interessante Leliman. Hoewel in Bouwwereld haast geen woord gerept werd over de esthetiek van een bouwwerk, was er hierover wel egelijk een discussie gaande in de architectuurwereld.
Het is echter zo dat in de eerste jaren van woningwetbouw in Amsterdam, de jaren vlak voor de Eerste W.O., voornamelijk gebouwd werd door architecten die esthetiek als een losstaand iets niet waardevol vonden. Dit waren de zogenaamde rationalisten waar het al eerder genoemde rijtje architecten, Berlage, Van der Pek, Van Epen en Leliman onder werden geschaard. De rationalisten streefden een eerlijke architectuur na, een architectuur die het verband tussen functie en uiterlijk duidelijk liet zien. Ze schuwden de façadearchitectuur die men zag in de woningbouwprojecten uit de 19e eeuw. Met façadearchitectuur bedoelden de rationalisten een architectuur waarbij het verband tussen innerlijke structuur en uiterlijk niet altijd op elkaar aansloot. Ook impliceerde de rationele benadering een reductie van de hoeveelheid decoratie. Ornamenten werden zoveel mogelijke vereenvoudigd of zelfs achterwege gelaten. Esthetiek zou ontstaan door regelmaat en eenheid. Leliman schreef in 1912 het volgende in een artikel in Bouwwereld over de taak van de architect als kunstenaar: ‘ook de schoonheid moet bij het vraagstuk der huisvesting opnieuw als een factor van betekenis binnen den kring der berekeningen worden betrokken.' Dit lijkt op het eerste gezicht misschien een niet-rationele uitspraak, maar voor Leliman waren schoonheid en praktische waarde onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Juist de meest hygiënische woontoestanden zouden, bleef hunnen deugd daartoe bepaald, een eventueel gemis aan bekoring het sterkst doen gevoelen, als een gewichtig element dat hen ontbrak ter aanlokkelijke bewoning.' Schoonheid behoorde rationeel volgens Leliman dus tot de eisen die men mocht stellen aan arbeiderswoningbouw, en juist in de meest praktische en hygiënische omstandigheden zou het gebrek aan schoonheid nog meer opvallen. Schoonheid is dus geen onbetaalbare luxe, maar juist een noodzakelijk onderdeel van het programma om de levensvreugde van de bewoners te vergroten. Iets wat in Lelimans werk erg duidelijk zichtbaar is, is dat hij uiterlijke schoonheid niet zoekt een rijke ornamentering. Wanneer hij ornamenten gebruikt, dan zijn deze sober, en vooral bedoeld om eenheid in een wijk te scheppen.
Ondanks dit betoog van Leliman voor schoonheid, is zijn architectuur sober te noemen.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieLeliman, sobere ornamenten in Treebeek
Van het eerder genoemde rijtje rationele architecten was Leliman veruit het strengst in doorvoeren van dit rationalisme. Berlage en van der Pek waren soms iets minder strikt, en van Epen heeft uiteindelijk een stijl ontwikkeld waarbij de plattegrond soms in dienst stond van de gevel, in plaats van andersom. Iedereen die een beetje bekend is met architectuur of stedenbouw kent bovenstaande tekening wel. Het is een uitbreidingsplan van Berlage voor Amsterdam Zuid, het zogenaamde Plan Zuid. Veel mensen associëren deze tekening onmiddellijk met de arbeiderswoningbouw, maar dat is vreemd. Een groot deel van de wijk was weliswaar als arbeiderswoningbouw ontworpen, maar bij de uitvoering van het plan is er slechts een heel klein deel daadwerkelijk als arbeiderswoning gebouwd. Het grootste deel werd gebouwd als corporatiewoningen, duurder en groter dan de arbeiderswoningen. De associatie van Plan Zuid als arbeiderswijk is niet de enige verkeerde gedachte die veel mensen hebben. Velen scharen Berlage, onder andere vanwege Plan Zuid, onder de Amsterdamse School. Dit is een foute associatie, Berlage was immers een rationalist en had daarmee bijna de tegengestelde theorieën over architectuur als de architecten Plan Zuid van Berlage van de Amsterdamse School. Het is echter zo dat het stedenbouwkundig plan van Berlage later voor een groot deel is ingevuld door architecten van Amsterdamse School, en dat verklaart deze misvatting.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieBerlage: plan Zuid

Berlage putte veel uit de natuur. Hij bewonderde de logica, rust en eenvoud van de natuur. Goede architectuur is volgens hem dan ook de architectuur waarin deze rust en regelmaat naar voren komen. Berlage vergelijkt hierbij architectuur met het lichaam, waarbij de buitenkant vergroeid is met het inwendige, maar dat deze toch slechts een indirecte afspiegeling is van het geraamte: ook bij de mens sluiten het inwendige en uitwendige niet altijd perfect op elkaar aan. Zo kunnen we dan ook Berlages kleine uitstapjes van het strikte rationalisme verklaren.
Dit is zichtbaar bij Berlages woningen aan de Tolstraat in Amsterdam: omwille van de symmetrie van de gevel heeft hij hier aan twee verschillende woningtypes een identieke gevelindeling toegekend.
Waar bijvoorbeeld bij het ene type de keuken zit, zit bij het andere het trappenhuis. Het verschil is niet te zien in de gevelindeling, alleen de indeling van de vensters verschilt. Op deze manier wist Berlage op een subtiele manier af te wijken van het strenge rationalisme, wat het voor hem mogelijk maakte de gevel te perfectioneren.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieDe Tolstraat te Amsterdam

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieTreebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieVan Epen eerste woningblok

Tekeningen van de gevel van de woningen aan de Tolstraat Van Epens eerste arbeiderswoningblok wordt in 1910 gebouwd. Bij dit project vinden we een minimum aan decoratie. Van Epen zei hier zelf het volgende over: ‘luxe is aan de gevels niet toegepast want dit zou niet met een goedkope woning overeenkomen.‘ Het exterieur van het gebouw wordt gevormd door een ritmering in de ramen, uitstekende erkers en variatie in de dakrand. Het project is vrij sober. Toch zien we al iets van wat later de kenmerkende stijl van Van Epen zou worden.
In de loop van zijn carrière vond van Epen steeds meer vrijheid in zijn rationalisme. De gevel werd niet meer geheel bepaald door de achterliggende structuur: soms paste hij de vorm van de plattegrond zo aan, dat deze zich duidelijk kon articuleren in de gevel, om op die manier de gevel te kunnen vormen zoals hij dat graag wilde. De plattegrond kreeg dus langzaamaan een iets minder belangrijke plaats voor van Epen. Rechtsboven op deze pagina zien we een tekening van Van Epens latere werk, waarin we ondanks Van Epens rationalisme toch iets van de stijl van de Amsterdamse School herkennen. Leliman bouwde zoals gezegd ook zelf in Amsterdam.
Hieronderonder zien we een van zijn woningcomplexen aan de Telugaweg:

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieVan Epen's latere werk

Bij bestudering van de plattegronden en gevel komt het strenge rationalisme tevoorschijn: beiden sluiten perfect op elkaar aan. Opmerkelijk is dat Leliman zeer goed in staat was, ondanks zijn eigen opgelegde restricties, aan de gevelcompositie toch een harmonische geheel te bouwen. Met behulp van strikt structureel verantwoorde decoraties, en een afwisseling van dakkapellen en puntgevels heeft Leliman helder gestructureerde en levendige gevels kunnen ontwerpen. Op sommige plaatsen zijn er balkons, op andere erkers, en zo wordt de gevel ritmisch en plastisch bepaald. Zijn rationalisme gaat niet ten kosten van de relatie tussen architectuur en stedenbouw. Hij doet bij dit project zelfs meer dan gewoonlijk aan de ruimtelijke werking die zijn blok teweegbrengt. Op een zeker punt, de plek die u hier op de foto ziet, legt hij het blok terug, waardoor een plein ontstaat. Dit was op dat moment een nieuwigheid in de Amsterdamse blokkenbouw.
De inspringing heeft een belangrijker ruimtelijke werking, en draagt ook nog eens bij aan de eenheid van de wijk: aan de andere zijde van dit blok is de inspringing herhaald om zo duidelijk te maken dat het blok een grote compositie is. De kwaliteiten die Leliman hier laat zien, zijn ook terug te vinden in Treebeek, daarover zo meer.
Leliman heeft meerdere malen gezegd dat hij eigenlijk vond dat de hoogbouw in Amsterdam niet de juiste manier van woningbouw was. Hij pleitte voor laagbouw. Zijn roep wordt gehoord, en hij kreeg een aantal opdrachten in Amsterdam Noord, en ook aan de oostelijke handelskade voor laagbouw.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieLeliman, Telugaweg

Op bovenstaande foto zien we zijn woningbouw voor Lloyd op de oostelijke handelskade. Hier is echter nog sprake van woningbouw met twee woningen boven elkaar. Pas toen Van Iterson aan Leliman vroeg om Treebeek te ontwerpen ging zijn droom van echte laagbouw, waarbij elke woning een eigen kavel had, in vervulling. Als we naar Treebeek kijken zien we een mooie fijne wijk. Een wijk met samenhang en eenheid die voor Leliman zo belangrijk was. En dit ondanks het langgerekte stuk grond waarover de wijk zich uitspreid.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieLeliman: woningen voor Lloyd

De straten met hun verschillende profielen en pleintjes, en ook het feit dat de straten meestal niet haaks op elkaar aansluiten, geeft de wijk zijn levendigheid. De ritmering Lelimans woningen voor Lloyd die Leliman toepaste zorgt voor onderlinge verscheidenheid in een groot geheel. Verschillende hoekoplossingen zorgen voor afwisseling. De rationele manier van werken geeft de woningen statigheid, zonder dat ze streng worden. Leliman wist de wijk een gezellig en prettig karakter te geven op geheel eigen wijze.

Treebeek, de ontstaansgeschiedenis van een mijnkolonieFoto van Treebeek

 

  • Artikel
  • 5 september 2009
  • door Laura Ubachs

4 reactie(s)


Reacties

Wat een mooi verhaal over

Wat een mooi verhaal over deze bijzondere bouwstijl. Treebeek kende ik op mijn duimpje, omdat ik op de Openbare Nutschool aan de Akerstraat-Noord zat, gelegen naast het Longinstituut van de Gezamenlijke Steenkolenmijnen aan de Horizonstraat 75, waar mijn vader werkte; daarna zat ik op de MULO aan de Trichterweg. De ingenieurswoning aan de Akerstraat 7a in Treebeek werd bewoond door het gezin van ir. Adriaan Paulen (1902-1985), mijningenieur, atleet en voorzitter KNAU en IAAF. Zijn echtgenote zat samen met mijn vader voor de PvdA in de Gemeenteraad van Heerlen. Ik herinner mij de prachtige pauwen in hun tuin nog heel goed. Ook herinner ik mij nog heel goed dat hij ons een keer meenam in zijn enorme Amerikaanse auto. Hij was een echte snelheidsduivel. Nota bene in zo'n Amerikaanse dweil. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om de aandacht te vestigen op de (vergeten) bouwgeschiedenis van het St. Josephziekenhuis in Heerlen. Vanaf ca. 1921 was Eduard Cuypers de architect; hij is een neef/oomzegger van de beroemde architect Pierre Cuypers. Eduard Cuypers wordt wel de vader van de "Amsterdamse School" genoemd, omdat de drie meest bekende architecten van deze stroming in de architectuur op zijn bureau in de Jan Luykenstraat 2 in Amsterdam zijn gevormd, nl. Michel de Klerk (1884-1923), Joan Melchior van der Mey (1878-1949) en Pieter Lodewijk (Piet) Kramer (1881-1961): www.panoramio.com/photo/114726819 http://www.panoramio.com/photo/44686222 http://www.panoramio.com/photo/24827643

Jan Lugten is de ontwerper

Jan Lugten is de ontwerper van de zogenaamde Lotharingse woningen in Beersdal etcetera. Lugten kwam echter niet uit Lotharingen, maar is geboren in 1866 in Vianen en overleden in 1947 in Breukelen-Nijenrode. Van 1907 tot 1921 was hij in dienst van Oranje-Nassau Mijnen als bouwkundige. Hij had ook verstand van spoorwegen. Hij woonde en werkte in Zuid-Afrika voordat hij in Heerlen terechtkwam.

De Heer Willibrord Rutten

De Heer Willibrord Rutten heeft gelijk met het bovenstaande verhaal. Jan Lugten is mijn overgrootvader. Hij werkte onder E Honigmann en later onder J G Delloitte.
Ook heb al eens hierover een opmerking gemaakt. Helaas is het verhaal nooit aangepast.

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Oorlogsslachtoffers

Oorlogsslachtoffers

Weltense mijnsporen

Weltense mijnsporen

  • artikel
  • 11 augustus 2017