Werk aan de winkel

Werk aan de winkel

En ik had verkering en ik wou trouwen en dan heb je natuurlijk centen nodig, om te trouwen, en dan ging je naar de mijn, want anders was hier niks’. In het programma De mijnen gaan dicht vertelde een oud-mijnwerker in de aflevering Hoe word ik mijnwerker? dat het destijds vrijwel niet mogelijk was om elders werk te vinden.


Zodoende was hij in de mijn terecht gekomen. In de twintigste eeuw was het voor velen in Limburg haast vanzelfsprekend om in de mijnen te gaan werken. De mannen konden daar ten behoeve van de Nederlandse economie, en middels zware fysieke arbeid, de kost verdienen.

Al snel werd de werkgelegenheid in gemeenten zoals Kerkrade, Schaesberg, Eygelshoven en Heerlen door de mijnbouw gedomineerd. Aan het werk in de mijnen ging een opleiding aan de Ondergrondse Vakschool vooraf, welke onder meer gericht was op veiligheid en samenwerken. Hier werden jonge mannen in groten getale klaargestoomd voor het echte werk. Naast de werkzaamheden in de mijnen werd ook nagenoeg het hele sociale leven, waaronder het gezinsleven, door het mijnbedrijf bepaald. Dit gebeurde vooral in samenwerking met de kerk en diverse verenigingen. Het alledaagse leven van een mijnwerkersgezin diende met andere woorden nauwkeurig afgestemd te worden op het meestal zware werkritme van de kostwinner.
    
In een mijnwerkersgezin waren de taken duidelijk verdeeld. De man zorgde voor het inkomen, terwijl de vrouw het huishouden deed. De mijnwerker verrichtte, meestal in ploegendiensten, zware fysieke arbeid en de vrouw voedde de kinderen op, deed het huishouden en zorgde onder meer voor de bereiding van het eten. In een mijnwerkersgezin werd thuis doorgaans niet of nauwelijks over het werk gesproken. Al dan niet met opzet werden op deze manier de risico’s en gevaren van het vak verzwegen. Het primaire doel was immers dat er voldoende brood op de plank kwam.

Ook mannen uit het buitenland kwamen vanwege de werkgelegenheid naar de mijnen in Limburg. In het programma In het midden de mijn, in de aflevering Vreemden, werd over een bepaalde groep immigranten het volgende verteld: ‘Het waren niet wat je, ja met een beetje fantasie, zo avonturiers zou kunnen noemen. Dit waren echt mensen die volgens het Sloveense gezegde met de buik achter het brood aan gingen’. Bovendien was de komst van arbeidsmigranten, en in het bijzonder geschoolde arbeidersmigranten uit landen waar eveneens mijnbouw plaatsvond, meestal noodzakelijk om de mijnindustrie van Limburg draaiende te houden.

In de loop der jaren waren er veel veranderingen in de sociale structuur van Limburg. Een voorheen agrarisch gebied had in hoog tempo plaats gemaakt voor de mijnbouwindustrie. Dit had onder meer voor werkgelegenheid en welvaart gezorgd. In de jaren 1960 nam de vraag naar kolen daarentegen sterk af doordat er inmiddels alternatieve energiebronnen voor handen waren. Het gevolg daarvan was de sluiting van de in Limburg gevestigde mijnen, waar aan het eind van de jaren 1950 ruim 60.000 mensen werkten.
    
Tijdens en na de sluiting van de mijnen werd er al dan niet in toereikende mate vervangend werk gecreëerd. Diverse bedrijven vestigden zich in Limburg en waren zoals DAF gespecialiseerd in de maakindustrie of zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek gericht op informatievoorziening. Ook dienstverlenende bedrijven verhuisden, veelal tijdelijk, naar de provincie Limburg. Doordat de plaatselijke beroepsbevolking tijdens de mijnsluitingen voornamelijk uit mijnwerkers bestond, was het een enorme klus om iedereen van een nieuwe en geschikte baan te voorzien.
    
Voor de meeste mijnwerkers waren de veranderingen met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden en de daartoe behorende levensstijl groot. De economische monocultuur begon te versnipperen en dit veroorzaakte veel weerstand. In het programma De mijnen gaan dicht, in de aflevering Van zwart naar groen, verwoordde een oud-mijnwerker de verandering van zijn carrière als volgt: ‘Dus stel maar voor. Een zeeman, die komt van zee af, en die moet ergens op het vaste land, op een kantoor of een bedrijf, gaan werken. Dat gaat niet. Dat bestaat niet. Dus dat ging met een mijnwerker ook niet’.
    
De toenemende problemen in de mijnstreek hadden niet alleen te maken met het moeizame proces voor oud-mijnwerkers om plotsklaps ander werk te verrichten. De vervangende arbeidsplaatsen bleken uiteindelijk verreweg ontoereikend om een van de mijnbouw afhankelijke regio te behoeden voor een malaise. Hierdoor was men genoodzaakt verdergaande herstructureringsplannen door te voeren. Deze bleken, ook nagenoeg 40 jaar na de sluiting van de mijnen, niet tot het gewenste resultaat te hebben geleid. Dit met een forse sociaaleconomische achterstand tot gevolg.


Literatuur:
Langeweg, S. (2012). De geografische spreiding van de mijnwerkersbevolking. In A. Knotter (red.), Mijnwerkers in Limburg. Een sociale geschiedenis (pp. 100-138). Nijmegen: Vantilt.

Alle interviews, genoemd in dit artikel, zijn ook aan de rechterkant van deze pagina te vinden.

Myra Loog (1985) heeft Cultuur- en Wetenschapsstudies gestudeerd aan Maastricht University. Ze werkt momenteel als onderzoeksassistente bij het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg.

  • Artikel
  • 16 maart 2013
  • door Myra Loog

2 reactie(s)


Reacties

Is deze foto van meneer

Is deze foto van meneer Wennekes? op de laatste dag van zijn werk in de staats mijne verongelukt. Daar is geloof ik nog een bidprentje van in mijn bezit. De kinderen hadden onze leeftijd ,en de verslagenheid was enorm toen.

Voor een verhaal over de heer

Voor een verhaal over de heer J.H. Jennekens verwijs ik u door naar de vijfde aflevering van De mijnen gaan dicht, welke op deze website te vinden is via de interviews onder het item Collectie. Deze aflevering gaat onder meer over het tragische ongeluk waardoor de heer Jennekens vlak voor de sluiting van de mijn overleden is.

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...