Zonder de vrouw geen Kolenfront

Zonder de vrouw geen KolenfrontHet gezin Bonneveld in Treebeek 1950. Foto DeMijnen/DSM

Mijnarbeid was mannenarbeid. De plaats van de vrouw was in de keuken. Daar stond ze soms wel drie keer daags achter het fornuis. Warm eten maken voor man of zonen. De vrouwen in de mijnwerkers-samenleving krijgen nu eindelijk de aandacht die ze verdienen. In Steenkool, het personeelsblad van de Limburgse mijnen, verscheen in mei 1947 een fotoreportage over het dagelijks leven van de mijnwerkersvrouwen.  ‘Een dag in den pijler van moeder de vrouw’, was de kop boven de reportage.

Warme maaltijden
De taak van de mijnwerkersvrouw, die soms wel drie keer per dag in de keuken aan de slag was om een warme maaltijd klaar te maken voor man en zonen als ze terugkeerden van hun werk ondergronds, was volgens het blad net zo belangrijk als die van kompels zelf. Redactrice Tine Hofstra werd in haar vrouwenrubriek in Steenkool niet moe te benadrukken hoe belangrijk het werk van de mijnwerkersvrouwen was. Ook zij stonden in de jaren dat Nederland heropgebouwd moest worden vooraan in het kolenfront. Zonder het huishoudelijk-verzorgende werk van de vrouwen konden de mannen ondergronds niet goed presteren. De mijndirecties onderkenden in de jaren na de Tweede Wereldoorlog het belang van het thuisfront.
Een huishouden dat in orde was, een prettige gezinssfeer en - natuurlijk - een goed huwelijk waren bevorderlijk voor een goede arbeidsprestatie van de kompels ondergronds. In het wetenschappelijk standaardwerk over de mijnenwerkers onder redactie van prof. dr. Ad Knotter besteedt Willibrord Rutten in het hoofdstuk over het thuisfront van de mijnwerkers veel aandacht aan de rol van de vrouwen in de mijnwerkerssamenleving.
De rol van de vrouw in de mini-verzorgingsmaatschappij in de naoorlogse mijnstreek bleef tot nu toe redelijk onbelicht. Er zijn wel scripties over geschreven, maar in de geschiedenisboeken over de mijnen en de mijnstreek bleef de rol van de vrouw min of meer onzichtbaar. Het is dan ook niet meer dan ‘rechtvaardig’ dat in het standaardwerk over de sociale geschiedenis  van de mijnen de rol van de vrouw ‘bovengronds’ komt.

Vader slaapt
Waar het ondergronds een mannenwereld was, was het gezinsleven matriarchaal. Het gezin en het huishouden was meer dan in andere arbeidersgezinnen het domein van de vrouw. Kinderen in mijnwerkersgezinnen hadden doorgaans een grotere emotionele band met hun moeder dan met hun vader. Want de vader was vaak ‘onzichtbaar’. Als hij moe thuiskwam van de sjiecht, soms pas om een uur ‘s nachts of ‘s ochtends heel vroeg, verdween hij na de warme maaltijd naar boven als hij al niet tijdens het eten in slaap viel. Als vader of een van de broers sliep wisten de jongere kinderen dat ze stil moesten zijn.
De kompel deed niet veel aan het huishouden of het opvoeden van de kinderen. Want de kostwinner was daarvoor vaak te moe. Thuis moest de kompel vooral rust vinden. Tijd om uit te rusten om de volgende sjiecht weer volop te kunnen presteren. De gezinnen schikten zich volkomen naar de werktijden van de mijnwerkers. Als vader sliep, moesten de kinderen buiten gaan spelen. Moeder moest er maar voor zorgen dat de kinderen zich koest hielden. „De kinderen waren thuis en pap moest slapen. Je was gewoon aan het eind van je zenuwen...Ik herinner me van mijn vader thuis , dat was nog moeilijker, want ons huis was al kleiner en nog meer kinderen; dat die ontzettend vervelend en kregel was als hij niet kon slapen...Als de kinderen naar school waren dan ging het nog, maar die keren dat ze vrij waren of in de vakanties, dat was niet om te harden”, citeert Rutten uit een scriptie over het leven van mijnwerkersvrouwen. Vooral de was was zwaar werk voor de vrouwen. Maandag wasdag betekende om half vier ‘s nachts opstaan om de pungel op tijd schoon te krijgen voor de volgende sjiecht. Weken, spoelen, het was een hele klus om het stof uit de mijnwerkerskleding te krijgen.

Poetsen en naaiateliers
Op de koel werkten geen vrouwen met uitzondering van de schoonmaaksters die de kantoren poetsten. Sommige mijnen namen jonge vrouwen in dienst om boterhammen te smeren voor de vrijgezelle kompels uit de gezellehuizen. Voor dochters uit mijnwerkersgezinnen waren er twee opties: meewerken thuis of dienen buitenshuis.
Pas in de jaren vijftig komt er in de confectieateliers, die al voor de oorlog bestonden, meer emplooi voor meisjes. De ‘meisjes van de Mac’ werden een begrip in de mijnstreek. Macintosh met hoofdvestiging in Stein en filialen in de mijnstreek gaf werk aan 1400 vrouwen. Begin jaren tachtig was dat werk er ook niet meer.

Zonder de vrouw geen KolenfrontEen dag in de pijler van Moeder de Vrouw. Steenkool 1947 no 5

Het boek waaruit geciteerd wordt:
Mijnwerkers in Limburg, Een sociale geschiedenis
Ad Knotter (eindredactie)
Uitgeverij Van Tilt, Nijmegen 2012

Bovenstaand artikel verscheen in het Limburgs Dagblad van 1 december 2012. DeMijnen.nl publiceert dit artikel met toestemming en vriendelijke medewerking van Media Groep Limburg.

Caspar Cillekens (Roermond 1953) werkt als cultuurredacteur bij Dagblad De Limburger en het Limburgs Dagblad. Cillekens studeerde sociaal-economische geschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij publiceerde verschillende artikelen en boeken over de (sociale) geschiedenis van Maastricht. Hij werkt sinds 1986 bij de krant, aanvankelijk als redacteur binnen- en buitenland, naderhand als stadsredacteur Maastricht. Sedert 2007 is hij werkzaam als cultuurredacteur.

  • Artikel
  • 3 december 2012
  • door Caspar Cillekens

0 reactie(s)


Reacties

Uw reactie

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.

Bekijk ook...

Jaarboek Sociaal Historisch Centrum

Jaarboek Sociaal Historisch Centrum

  • artikel
  • 6 januari 2018