Boekpresentatie Schachtsignalen

Boekpresentatie SchachtsignalenWiel Kusters bij de presentatie van Schachtsignalen

In de reeks Literair Limburg is het boek Schachtsignalen van Wiel Kusters verschenen. In een bijeenkomst in Continium Discovery Center werd het boek voorgesteld. Serge Langeweg hield bij die gelegenheid een rede over de mijn in Kerkrade.

Wiel Kusters windt er geen doekjes om: hij is de zoon en kleinzoon van mijnwerkers. Geboren en getogen op Spek'hei. Deze verbinding met de mijn heeft Wiel Kusters nu vastgelegd in een gedichtenbundel Schachtsignalen, of in het dialect van Spekholzerheide Doa tuut't .

In Schachtsignalen onderwerpt de dichter Kusters de mijnen en de mijnwerkers aan een originele dichterlijke benadering. In een vertelgedicht schildert hij een jeugd tussen de van mijnstof vergeven mensen en dingen in het Limburg van voor de kolencrisis.
De gedichten in Schachtsignalen werden voor Literair Limburg door Lei Heijenrath in het dialect vertaald en dat geeft het boek, zoals elk boek in de reeks, een bijzondere dimensie.

Rede uitgesproken door Serge Langeweg ter gelegenheid van de boekpresentatie Schachtsignalen, Doa tuut't

Mijnbouw in Kerkrade

In 1899 ging in Heerlen de Oranje-Nassau Mijn I open. Het was het begin van een snelle uitbreiding van de steenkolenmijnbouw in het zuiden van de provincie Limburg. Steenkolenmijnbouw is een arbeidsintensieve sector. Anno 1900 realiseerden zich de beleidsmakers dat er in de nieuwe mijnen tienduizenden mijnwerkers nodig zouden zijn om de kolen naar boven te halen en geschikt te maken voor de verkoop. Het zuidoosten van Limburg was een agrarisch gebied met grotere en kleine dorpen, gehuchten en buurtschappen. De bevolking leefde direct of indirect van de landbouw. Werken in de mijn was voor de meesten onbekend.
Mijnarbeid was een met mysterie omgeven activiteit, die zich onzichtbaar, diep onder de grond afspeelde. Wat men er van wist, had men vaak van horen zeggen. En die verhalen waren meestal zwart gekleurd. Slechts weinigen konden zich een realistische voorstelling maken van wat zich op honderden meters diepte afspeelde.  Het was niet verwonderlijk dat de mijndirecties grote moeite hadden om mijnwerkers op de arbeidsmarkt te vinden.

Kerkrade heeft ervaring

Maar er was een uitzondering en dat was Kerkrade. Kerkrade kende al sinds de middeleeuwen kolenmijnen. Aan het eind van de negentiende eeuw waren er twee mijnen in bedrijf. De oudste mijn was de Domaniale. Die kwam voort uit de mijnbouwactiviteiten die de abdij Kloosterrade (of Rolduc) sedert de achttiende eeuw had ontplooid. In de Franse tijd waren de kloostermijnen echter door de staat onteigend en onder beheer gebracht van de Dienst der Domeinen, een dienst die zich speciaal bezighield met het beheer van overheidsgoederen. Vandaar dat ze werden aangeduid als ‘Mines Domaniales’ of – in het Nederlands – Domaniale Mijnen.
De tweede mijn die in bedrijf was, was de Neuprick, die eveneens oorspronkelijk uit de achttiende eeuw dateerde. In 1899 hadden de twee Kerkraadse mijnen ruim 500 mijnwerkers in dienst.

Voor de buitenwacht had de mijnbouw in deze uithoek van Nederland het karakter van een curiosum. In een reisgids uit de jaren 1880 werden de mijnen in Kerkrade zelfs gepresenteerd als een toeristische attractie. ‘Bij Kerkrade, nagenoeg op de Duitsche grenzen, zijn twee steenkolenmijnen in volle werking en de gelegenheid om op vaderlandschen grond zulk een merkwaardige groeve te leren kennen, mag waarlijk niet worden verzuimd.’ Een bezoek zou zeker een diepe indruk maken, zo verzekerde de auteur. Diezelfde ervaring hadden de journalisten Oppenoorth en Krabbé die in 1901 het ondergrondse bedrijf van de Domaniale bezochten en daarvan uitvoering verslag deden in het tijdschrift Woord en Beeld.

Mijnwerker, een gerespecteerd beroep

De eeuwenlange traditie van kolenwinning had Kerkrade in de negentiende eeuw tot een mijnwerkersstadje gemaakt. Het enige in Limburg en in Nederland. Het beroep van mijnwerker was er gerespecteerd en de mijnwerker voelde dat ook zo aan. Bijna legendarisch is het Kerkraadse verhaal dat wanneer een mijnwerker een café binnen kwam, hij eerst met zijn zakdoek over de stoel veegde, voordat hij ging zitten. Want een vieze stoel paste niet bij een mijnwerker. Hij verdiende goed geld, kon zich netjes kleden en behoorde tot een mijnwerkersstam die van generatie op generatie in stand werd gehouden. Wanneer de vader stierf, had zijn zoon voorrang bij het innemen van de open gekomen plaats in de koel. De mijnwerker genoot status, hij wás iemand in de ogen van zijn medeburgers. Het was een imago van het beroep van mijnwerker dat in de twintigste eeuw in de nieuwe mijnbouwgemeentes met heel veel moeite moest worden opgebouwd. En toen dat eindelijk leek gelukt, gingen de mijnen dicht.

Hoezeer mijnarbeid in Limburg tot diep in de negentiende eeuw een vrijwel exclusief Kerkraads fenomeen was, wordt duidelijk uit onderzoek in de Limburgse huwelijksakten. Beide partners gaven daarin onder meer hun beroep op. Vóór 1900 werd in de provincie Limburg 90 procent van de huwelijken, waarbij de mannelijke partner aangaf mijnwerker te zijn, in Kerkrade gesloten. Hoewel dat percentage na 1900 ten gevolge van de regionale uitbreiding van de mijnbouw snel afnam, bleef Kerkrade zeker tot omstreeks 1920 de Limburgse mijnstad bij uitstek.

Het belang van de mijnbouw voor de plaatselijke beroepsbevolking komt ook tot uiting in de beroepstellingen van die tijd. Van de 1.200 mijnwerkers die in 1889 in de provincie Limburg werden geteld, woonden er maar liefst 950 in Kerkrade. Dat was bijna de helft van de mannelijke beroepsbevolking. Ter vergelijking: in Heerlen woonden in dat jaar slechts 39 mijnwerkers, 2,5 procent van de mannelijke beroepsbevolking.

Aantrekkingskracht van het Luikse bekken en Aken

Niet al die Kerkraadse mijnwerkers werkten overigens in de twee mijnen die het stadje in die tijd rijk was. Een aantal van hen werkte in mijnen in het naburige buitenland. Al rond 1850 waren Kerkraadse mijnwerkers beland in de mijnen rond Luik. Van de mijn Charbonnages de Sclessin ten zuiden van Luik is bijvoorbeeld bekend dat er actief mijnwerkers in Kerkrade werden geworven. Daar waren immers ervaren arbeidskrachten te vinden. Samen met koempels uit het Pruisische grensgebied bij Aken woonden de Kerkradenaren rond Luik samen in plaatsen als Tilleur en Seraing. Zonder onderscheid te maken tussen mijnwerkers afkomstig van de Kerkraadse of Akense kant van de grens werden de wijken waar de mijnwerkers uit het Nederlands-Pruisische grensgebied woonden ‘li p’tit Prusse’ genoemd, klein Pruisen.

Wat echter meer voorkwam, was pendel vanuit Kerkrade naar de mijnen rond Aken. Omstreeks 1900 werd daar onderzoek naar gedaan toen de Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg aan de burgemeester van Kerkrade om een opgave vroeg van het aantal pendelaars uit diens gemeente dat in de mijnen bij Aken werkte. De Kerkraadse burgemeester Karl Ignatz Daelen was een ervaringsdeskundige. Hij was zelf pendelaar. Zijn burgemeestersambt was een deeltijdbaan. Alleen ’s morgens was hij in de burgemeesterskamer in het gemeentehuis van Kerkrade te vinden. Na de middag reisde hij naar Herzogenrath, waar hij kassier was op de mijn Voccart. Die bijbaan leverde soms verwonderde reacties op van inwoners van andere gemeenten. Eén reactie is tekenend voor de wijze waarop rond de eeuwwisseling buiten Kerkrade tegen werken op de mijn werd aangekeken: ‘Wat, werkt de burgemeester op de koel? Nee, dan onze burgemeester, die gaat achter de ploeg en laadt de mestkar, maar naar de koel, dat heeft hij gelukkig nog niet nodig.’ Uit het onderzoek van burgemeester Daelen bleek overigens dat er niet minder dan 893 Kerkradenaren in Akense mijnen werkten.

Zo bezat Kerkrade een kern van mijnwerkers, die in nieuwe mijnbouwplaatsen als Heerlen, Brunssum, Eygelshoven en Geleen ontbrak. Ook de Kerkraadse mijnbouw breidde in de loop van de twintigste eeuw sterk uit. Weliswaar sloot de kleine mijn Neuprick al in 1904, maar er kwamen ook twee nieuwe mijnen bij. In 1902 begon de Willem-Sophia, een door een Belgisch consortium geleid bedrijf, met de kolenproductie in de wijk Spekholzerheide. Ook de eerste mijnzetel van Staatsmijnen, de Wilhelmina, kwam in de gemeente Kerkrade, in Terwinselen om precies te zijn. Door die uitbreiding was de werkgelegenheid in de Kerkraadse kolenwinning in 1930 al gestegen tot bijna 10.000 arbeidsplaatsen, het twintigvoudige van 30 jaar eerder. Het merendeel van die arbeidsplaatsen werd ingenomen door geboren en getogen Kerkradenaren; daarnaast waren er de nodige forenzen uit dorpen als Bocholtz en Simpelveld. Uit de beroepstelling die op 31 december van dat jaar werd gehouden, blijkt dat 6 van de 10 mannen in Kerkrade die een beroep uitoefenden, mijnwerker waren. Anno 1930 was Kerkrade dus nog eenzijdiger op de mijnbouw gericht dan aan het eind van de negentiende eeuw al het geval was. Ook na de Tweede Wereldoorlog had de werkgelegenheid voor mannen in Kerkrade alles van een monocultuur. Nog steeds was bijna 60 procent van de werkzame mannen mijnwerker. Alleen Brunssum, Schaesberg en Eygelshoven hadden een nog hoger percentage. In ieder geval op één punt weken de Kerkraadse mijnen af van de andere Limburgse mijnen. Dankzij de traditie als mijnwerkersstad konden de mijnen een groter percentage van het benodigde personeel betrekken op de lokale arbeidsmarkt. Dat was nog steeds het geval toen in het begin van de jaren zestig de belangstelling voor het mijnwerkersberoep in het algemeen sterk afnam en de mijnen gastarbeiders uit het buitenland in dienst moesten nemen. In die jaren was bij alle mijnen samen 11 à 12 procent van de mijnwerkers van buitenlandse herkomst, terwijl dat percentage bij de Domaniale slechts 5 procent was en bij de Willem-Sophia 7 procent. De dagen van de mijnbouw waren echter geteld. In december 1965 kondigde minister Den Uyl de geleidelijke sluiting van de mijnen aan. Al vijf jaar later waren de Kerkraadse mijnen dicht. Bijna 9.000 arbeidsplaatsen gingen verloren. De Willem-Sophia sloot als laatste Kerkraadse mijn in 1970.           


                                                                                                                                        

Wiel Kusters, Schachtsignalen/ Doa tuut't. Maartensdijk 2012.  Uitgeverij B for Books b.v.. ISBN 9789085162520  Prijs € 9,95

Serge Langeweg is wetenschappelijk medewerker van Continium Discovery Center Kerkrade.      

Bronnen:
Serge Langeweg, Mijnbouw en arbeidsmarkt in Nederlands-Limburg. Herkomst, werving, mobiliteit en binding van mijnwerkers tussen 1900 en 1965  (Hilversum 2011)
Serge Langeweg, ‘Trekarbeiders en pendelaars. Grensarbeid in oostelijk Zuid-Limburg, 1875-1914’ Zestig jaar vorsen in de geschiedenis. Jubileumboek Het Land van Herle 1945-2005 (Heerlen 2006) 295-308
R.J. Herpers (red), Kerkrade, van dorp naar stad 1816-1998 (Kerkrade 1998)
Willibrord Rutten, “Werken over de grens’ Weet je nog, koempel? De mijnen in Limburg deel 19 (Zwolle 2005) 441-464.

  • Nieuws
  • 12 september 2012
  • door Nico Zijlstra

Bekijk ook...

Over de mijnbouw

Over de mijnbouw