"Vluchtende muizen betekende instortingsgevaar"

"Vluchtende muizen betekende instortingsgevaar"Wim Schoenmaekers. Foto: Eljee

“Over één ding wil ik niet praten,” zegt Wim Schoenmaekers, die jarenlang als mijnwerker diep in de aarde z’n boterham verdiende.
“Nare dingen die ik ondergronds heb meegemaakt, zoals het verongelukken van directe collega’s. Van die herinneringen zou ik wakker liggen.” 
Toen de Limburgse mijnindustrie begin jaren zeventig in rap tempo werd ontmanteld en steeds meer mijnen hun poorten sloten, was dat een zware klap voor de tienduizenden boven-en ondergrondse koempels in Limburg. Wim Schoenmaekers wachtte de sluitingen niet af. Via het avondlyceum had hij inmiddels zijn hbs-diploma gehaald en hij vond een nieuwe werkkring bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

In gedachten ziet hij zichzelf nóg staan: een in overall gehulde kleuter, met een schepje in de achtertuin van zijn grootouders. ‘Waar ga je heen?’ vroeg zijn oma. ‘Naar opa.’ Die werkte ergens diep onder z’n voeten, wist hij.

Smakelijk
Z’n oren zijn niet zo best meer (“We hadden geen gehoorbescherming, terwijl je vaak in een oorverdovende herrie moest werken”), maar aan zijn spraakvermogen mankeert gelukkig niets. “Omdat mijn moeder erg ziekelijk was, werden mijn oudste zuster en ik vaak naar opa en oma gebracht,” vertelt Wim Schoenmaekers (71). “Zij woonden net als wij hier in Heerlen. Zoals zovelen in mijn moeders familie, was mijn opa koempel: mijnwerker. Hij vertelde er smakelijk over; dat vond ik prachtig.”
Vanuit z’n ouderlijk huis kon hij de schachtwielen van de Oranje Nassau I-mijn zien rondwentelen. In deze omgeving werkten tienduizenden mannen in staats- en particuliere mijnen. Wim zou zich dolgraag bij hen voegen. “Mijn ouders wilden er niets van weten: ‘Daarvoor hebben we je niet opgevoed!’”

"Vluchtende muizen betekende instortingsgevaar"Wim Schoenmaekers. Foto EljeeDoodop
Na zijn mulo-examen werd de 16-jarige Wim aangenomen op de staatsmijn Emma – als loopjongen, dus bovengronds werk. “Na drie maanden ging ik naar de mijnbouwkundige vakschool en de mijnen in. Toen mijn ouders er achter kwamen, gaf dat trammelant. Uiteindelijk hebben zij zich er gelukkig bij neergelegd.”
Zijn diensttijd meegerekend, werkte Wim dertien jaar onder de grond. “Je ging met een lift naar beneden – langs allerlei verdiepingen – en soms reed je dan nog kilometers in een wagon naar je werkplek, of je ging te voet.” Met een afbouwhamer van 7 à 8 kilo maakte hij de kolen los, die hij vervolgens met een schop in de transporteur deed. “Met een andere hamer sloegen we de ondersteuningen vast. Je moest vaak op de knieën werken, die uren later enorm dik waren.” Hard werken, was het devies: “Voor jou stonden er honderd anderen aan de poort. Soms, zeker in het begin, viel je letterlijk met je neus in de soep als je thuiskwam – doodop.”

Olieworstelaars
Het kwam voor dat hij urenlang, met slechts een kwartier middagpauze, op z’n rug moest werken in ruimtes met een plafondhoogte van welgeteld vijftig centimeter. “Je wist niet beter. Na zo’n dag in een lage pijler kwam je er zo stijf als een plank uit. En drijfnat, want in de mijnen was het bloedheet. Elke honderd meter die je afdaalt, stijgt de temperatuur drie graden. Ik werkte vaak op de 785 meter-verdieping: daar was het rond de 30 graden, met een hoge luchtvochtigheid. We glommen als Turkse olieworstelaars. En meestal werd je gitzwart van het kolengruis.”
Waarom gingen u en tienduizenden collega’s desondanks dagelijks honderden meters diep de aarde in?
“In Limburg hebben ze bewust alle andere industrie tegengehouden, anders kreeg je niemand de mijnen in. Zelf ben ik uit vrije wil gegaan. Als de mijnen begin jaren zeventig niet zouden zijn gesloten, was ik er blijven werken. De buitenwacht praat soms over koempels alsof we ongeschoolde woelratten waren. Maar mijnwerkers hebben Nederland jarenlang verwarmd en qua techniek op een hoog peil gebracht. Ik ben er trots op dat ik koempel ben geweest! Ondanks de gevaren en de zware inspanningen heb ik het altijd mooi werk gevonden. Het was een ambacht, een kunst. Wij kwamen op plekken waar nog nooit eerder iemand een stap had gezet. Dat vind ik nog steeds een bijzondere gedachte.”

Kameraadschap
“Er was ondergronds echte kameraadschap,” vervolgt hij. “Je had akkoorden; afspraken over de productie per ploeg. Niet alleen qua veiligheid, ook qua salaris waren we afhankelijk van elkaar.” Samen zwoegen voor een schrale boterham? “De lonen lagen hoog. Er waren allerlei toeslagen, bijvoorbeeld warmte- en kruipgeld. Maar deed je iets waardoor anderen in gevaar zouden kunnen komen, dan kon je een boeteboekje onder je neus gedrukt krijgen.” Was u zich bewust van de risico’s? “Daar werd je grondig op getraind. In de mijnen lag gevaar overal op de loer. Je moest het dak van de pijler bijvoorbeeld altijd goed aankloppen. Klonk het heel helder? Dan was het goede steen. Dof? Dan zat er een ‘klok’ en moest je extra stutten. De muizen waren onze vrienden: als ze in groepen wegvluchtten, betekende dat instortingsgevaar. Aten ze onze boterhammen op, dan waren ze onze vijanden!”

Halfstok
De allergrootste vijand van elke koempel was mijngas: onzichtbaar, geurloos en dodelijk. “Eén vonkje erbij en de boel kon zo ontploffen. Daarom droegen voormannen en opzichters een benzinelamp. Werd het vlammetje lichtblauw, dan moest je snel een veilig heenkomen zoeken.” Als er een ongeluk gebeurde, gingen de vlaggen op de mijnen halfstok. “Tot 1957 of 1958 was er een lijkenhuisje op het terrein, naast de verbandkamer. Daar werden overledenen opgebaard en van daaruit begraven. Ik heb van verschillende collega’s afscheid moeten nemen.”

"Vluchtende muizen betekende instortingsgevaar"Foto EljeeKoempelmis
“Zie je die lamp?” Hij wijst naar een lage kast in zijn woonkamer, waarop een koperen  mijnwerkerslamp brandt. Er zitten zwarte linten aan. “Vandaag is er een kranslegging in het Duitse Borken Hessen. Bij een mijngasontploffing in 1988 zijn daar 51 doden gevallen. Het is voor mij te ver weg, maar zo leef en treur ik op afstand mee.”
Op eigen initiatief organiseert hij sinds enkele jaren maandelijks een koempelmis voor verongelukte mijnwerkers en hun nabestaanden.
“Deze goed bezochte vieringen, om het maar even protestants te zeggen, betekenen veel voor de oud-mijnwerkers en nabestaanden van slachtoffers. We stallen altijd foto’s uit van omgekomen mijnwerkers, meegebracht door familie.” Het zijn emotionele bijeenkomsten, in parochiekerk De Vranck te Heerlen. Ook voor hemzelf. “Als ik bijvoorbeeld verhalen hoor van mensen die hun vader nooit hebben gekend omdat hij in hun kindertijd in een schacht is gevallen of op een andere wijze is omgekomen, krijg ik natte ogen.”
Heeft u persoonlijk veel gevaarlijke situaties meegemaakt? “Ik ben nooit met tegenzin of angst naar beneden gegaan, maar heb wel angstige momenten meegemaakt. Bijvoorbeeld als de grond plotseling begon te dansen in een sjtreeb (pijler. red.), en alles begon te kraken en dreigde in te storten. Ik heb van dichtbij diverse ongelukken meegemaakt, maar inhoudelijk praat ik daar nooit over. Dat brengt te veel herinneringen boven.”
Hij zoekt even naar woorden. “Weet u wat het ergste is? Als je aan het eind van de dag vanuit de schacht met de lift bovenkomt zonder die ene collega, met wie je ’s morgens naar beneden bent gegaan...”

‘Glück auf!’
Er zijn in Nederland 1277 mannen ondergronds dodelijk verongelukt, en 259 bovengronds. “Gemiddeld tien per jaar. Van mijn familie is er niemand dodelijk verongelukt; ook mijn opa niet. Wij mijnwerkers groeten elkaar traditioneel met ‘Glück auf!’: ‘Kom goed boven!’ Iedere oud-koempel heeft wel wat stoflongen, maar daar heb ik nauwelijks hinder van. Afgezien van m’n gehoor en wat spit, mag ik niet klagen. Goddank ben ik altijd goed bovengekomen. Ik heb het overleefd.” ‘Soms viel je letterlijk met je neus in de soep als je thuiskwam – doodop’

Zwart wasgoed
“Als de vrouwen hier in Heerlen op maandagochtend de was buiten hingen,” herinnert Wim zich, “dan stonden zij met een natte vinger omhoog om te zien uit welke hoek de wind waaide. Want kwam de rook vanaf de mijnen hun kant op, dan wisten ze dat hun wasgoed zwart naar binnen zou gaan.”

Website Wim Schoenmaekers: Mijnbouwwim.nl

Dit artikel is in juni 2012 verschenen in Visie, tv-gids van de Evangelische Omroep. (www.eo.nl/visie)

DeMijnen.nl publiceert dit artikel met vriendelijke toestemming van Visie, tv-gids van de Evangelische Omroep.

Gert-Jan Schaap is redacteur van Visie

Foto's Eljee

  • Nieuws
  • 25 juni 2012
  • door Gert-Jan Schaap

Bekijk ook...

Koempelmis mijn Willem-Sophia

Koempelmis mijn Willem-Sophia

  • agenda
  • 17 november 2019
Koempelmis Domaniale mijn

Koempelmis Domaniale mijn

  • agenda
  • 20 oktober 2019