De oude mijnbouw

De mijnbouw in deze streek is heel oud. De Romeinen gebruikten al steenkolen, vermoedelijk afkomstig uit het Wormdal. In een Romeins landhuis uit de 2e eeuw na Christus, gelegen te Vlengendaal bij Bocholtz, is steenkool gevonden in en nabij de stookplaats. Een soortgelijke vondst is ook gedaan bij Luik, tussen de fundamenten van een Romeins landhuis. Daarna horen we meerdere eeuwen niets meer over steenkolen alhier.

In 1113 is de vermelding van Kalculen. Hiermee is mijnbouw in dagbouw bedoeld, en wel in het gebied tussen de Worm en de tegenwoordige Nieuwstraat te Kerkrade. De naam Kalculen is in de volkstaal gebruikt in een Latijns geschrift. Dit wijst erop dat die naam toen al meerdere generaties lang gebruikt werd. De dagbouw moet veel ouder zijn dan het jaar van de vermelding van Kalculen.

Tot in de 14e eeuw bestond de mijnbouw uit het weghalen van kolenlagen in dagbouw, met hakken, schoppen en kruiwagens. Steenkool werd als een minderwaardige brandstof voor de armen gezien; de burgerij stookte hout.

Omstreeks 1400 begon de ondergrondse kolenwinning. In het dal van de Worm werden vanuit de dalwand kleine galerijen, zogenaamde Stollen, de zijwand in gedreven. Deze mijngangen werden vanuit het Wormdal iets omhoog gedreven. Daardoor kon het mijnwater afvloeien. In wilgen korven, die men hond noemde, werden de kolen naar buiten gesleept. Een hond of schachthond is een bepaalde hoeveelheid steenkool welke in een kolenmand ging (75 à 100 kg).

In de 16e eeuw neemt het gebruik van steenkool toe, o.a. omdat in verschillende takken van nijverheid (smeden, kalkbranders, brouwers e.d.) steenkool gebruikt gaat worden. In het midden van die eeuw werden voor het eerst kolen ontgonnen beneden het niveau van de Worm.

In 1537 verkoopt de abt van Kloosterrade een stuk land. Hij behoudt echter voor zich het recht tot steenkoolontginning eronder. Dit wijst erop dat de ontginning van steenkolen toen van belang geacht werd.
De eerste vermelding van diefstal van steenkolen in Kerkrade staat in een oud register over de jaren 1579-1582. Een zekere Dionysius van Nulland had kolen gestolen uit de schuur van Hendrik Randenraedt. Als straf moest Dionysius 26 Brabantse gulden betalen. Dat was in die tijd een grote som geld. Ook dit toont dat steenkolen toen meer waard geacht werden dan in de 12e en 13e eeuw.

  • 19 oktober 2011
  • Clara Zijlstra