Het mijnrecht

Volgens Romeins recht kon de grondeigenaar in zijn eigen terrein ongehinderd delfstoffen ontginnen. Iemand anders dan de eigenaar van de oppervlakte kon tegen betaling van een vergoeding een mijn ontginnen. Vanaf de 4e eeuw reserveerde de Romeinse Staat voor zich het monopolie voor de mijnen. Particuliere exploitatie werd toegestaan, gewoonlijk tegen een vergoeding van 1/10 van de opbrengst. Vaak strekten de delfstoffen zich uit onder het grondbezit van verschillende eigenaren. Daarom werd ernaar gestreefd om een scheiding te maken tussen het recht op de ondergrond en dat op de bovengrond. Overal waar de mijnbouw tot ontwikkeling kwam, zag men dan ook dat de vorst of de staat het beschikkingsrecht over de mineralen aan zich probeerde te trekken.

Vanaf het begin van de 12e eeuw trachtten de Duitse keizers dit beschikkingsrecht (het mijnregaal) te verkrijgen. Dit wil zeggen dat zij het recht wilden krijgen om een mijnontginningsrecht, een mijnconcessie, te verlenen. Aan de reeds bestaande regalen (munt-, belasting-, visserij-, jacht- en maalregaal) werd ook het mijnregaal toegevoegd. Aanvankelijk strekte dat zich slechts uit tot de ontginning van edele metalen en zout; later kwamen er ook de overige metalen bij.
Door de afname van de keizerlijke macht en de toename van de macht van de landvorsten ging het streven om mijnconcessies te verlenen op de laatsten over. Het werd op 9 januari 1356 bevestigd door de gouden bul van Karel VI waardoor dit recht aan de keurvorsten werd toegekend. Later kwamen ook kleinere vorsten in het bezit ervan.
In de Nederlanden werden mijnexploratie- en exploitatierechten (concessies) onder de naam octrooien verleend. Een deel van de winst en later ook een vaste jaarlijkse cijns moest aan de koning van Spanje worden afgestaan.

Tot de mineralen waarover het mijnregaal zich uitstrekte, werd steenkool aanvankelijk nog niet gerekend. Want steenkool was toen nog te weinig bekend.
Ongeveer vanaf de Akense kolenverordening van 1541 eiste de stad Aken het beschikkingsrecht over de steenkool voor zich op. Sedert 1688 geschiedde hetzelfde door de hertog van Gulik voor de steen- kolenmijnen van het Amt Wilhelmstein waarin Bardenberg gelegen is. De heren van het land Ter Heyden - een leen van Gulik - hebben van 1723-1778 getracht dit eveneens te bereiken. Maar zij slaagden er niet in door het verzet van de ingezetenen. Van invloed zal hierbij zijn geweest dat in het naburige Luikse en Limburgse gebied, met Daelhem en het land van Rode inbegrepen, het recht van de grondeigenaar op de steenkolen van de ondergrond gehandhaafd bleef.
Dit werd vastgesteld door het vorstelijk bisdom Luik bij de zogenaamde Paix de St. Jaques van 1487 door Jehan de Horne, bisschop van Luik. Voor het hertogdom Limburg, het graafschap Daelhem en het Land van Rode kwam op 16 november 1688 een voorlopige regeling tot stand. Ze werd definitief vastgesteld in het Algemeen Reglement van 1 maart 1694 door Karel II van Spanje, hertog van Limburg. Dat voorlopige reglement werd gegeven naar aanleiding van een op 9 oktober 1681 aan Lambert de Xhenemont verleende concessie voor het ontginnen van steenkool met behulp van een ontwateringskanaal. In dit voorlopige reglement werd bepaald dat aan de eigenaar van de bovengrond gratis iedere 10e mand kolen ter beschikking moest worden gesteld. Ook moest hem schade aan de oppervlakte tengevolge van de mijnwerken tegen dubbele grondwaarde worden vergoed.

Het Steenkolenontginningsrecht tot de invoering van de Franse mijnwet

Volgens artikel 1 van het Algemeen Reglement voor het Mijnbouwwezen mocht de grondeigenaar zelf de steenkool winnen. Hij moest de ondergrondse grenzen respecteren en mocht niet in de gronden van zijn buurman delven zonder diens toestemming.
Volgens artikel 55 van hetzelfde mijnreglement behoorden de mineralen onder gemeentegrond toe aan de koning. Voor het durchfahren van de gronden onder gemeenteland, openbare wegen en rivieren, evenals voor het afvoeren van het grondwater naar de rivieren was goedkeurig vereist. Ook moest hiervoor een vergoeding geschonken worden aan de koning. Van een verdere belasting is in latere tijd nooit meer sprake.

Toen later de abdij Kloosterrade op eigen kosten de mijnbouw onder haar uitgestrekte bezittingen ter hand nam, wist zij door te zetten dat aan haar alleen in het Land van Rode tegen een behoorlijke vergoeding het recht verleend werd om onder gemeentegrond tot mijnexploitatie over te gaan. In de twee hierop betrekking hebbende besluiten van Maria Theresia, van juli 1766, staat dat de abt van Kloosterrade en zijn opvolgers het recht zullen bezitten steenkolen te exploiteren onder openbare wegen en gemeentegronden in het Land van Rode, zoals de staat zelf dit recht toekomt. Nadrukkelijk wordt nog vermeldt dat de abdij een dusdanige exploitatie ook aan andere ondernemers kan toestaan en dat zij in dat geval de erfpenning mag heffen.

De grondeigenaar kon de ontginning ook aan anderen toestaan tegen betaling van de zogenaamde erfpenning (ook wel erfgeld). Dit is een zeker deel van de gewonnen kool, en wel voor alle kolenlagen of voor een enkele laag, eventueel beneden een bepaald niveau. De erfpenning werd vastgesteld door onpartijdige mijndeskundigen. Deze deskundigen waren de beëdigde Kohlwieger die door de verschillende rechtbanken van het land erkend werden. (De rechtbanken in het Land van Rode waren: de schepenbank te Kerkrade en de hoofdjustitie te Herzogenrath). Maatstaven voor het vaststellen ervan waren de hoeveelheid kool, de diepte, grondwatermoeilijkheden, enz. Voorlopig werd de erfpenning voor lagen van 1-2 voet dikte bepaald op de 81e hond, voor lagen van 2-3 voet dikte op de 41e hond en voor lagen van 3-4 voet dikte op de 21e hond. De erfpenning werd in natura betaald met kolen zoals die uit de mijn kwamen; deze steenkool mocht de grondeigenaar zelf verkopen.

Ter vergoeding van oppervlakteschade had de grondeigenaar ook recht op de dubbele grondhuur. Die huur moest jaarlijks betaald worden. Verder was het een oud gebruik om aan de grondeigenaar een bepaalde hoeveelheid kool in natura te geven. Dit was eveneens ter vergoeding van oppervlakteschade. Die hoeveelheid steenkool was één schachthond. In 1767 werd de schachthond dagelijks geleverd wanneer de kolenproductie per dag meer dan 150 manden bedroeg. Was de productie minder, dan werd 2 of 3 maal per week een schachthond geleverd.

Wanneer een ondernemer van de grondeigenaar toestemming verkregen had om onder diens grond en bodem met schuppen, hacken ende bickeln volgens den voorvallende ganck ende stranck te werken, dan was hij verplicht om terstond met de arbeid te beginnen. Als dit niet gebeurde, of als het werk meer dan zes weken bleef stilliggen, dan was de grondbezitter gerechtigd aan een ander het exploitatierecht te verlenen. Alleen oorlog en besmettelijke ziekten konden een langere stilstand van het bedrijf rechtvaardigen. Van de kant van de staat was een zeker beschikkingsrecht niet geheel uitgesloten. Artikel 10 van het Algemeen Mijnreglement van 1694 bepaalde namelijk dat iedereen die onder vreemde gronden kolen wilde delven, de eigenaar - als deze geen toestemming wilde verlenen - door de rechter kon laten dwingen om binnen zes weken zelf met de exploitatie te beginnen.
Een grondeigenaar kon ook zijn grond verkopen en het recht op de kolenontginning onder die grond behouden. Het recht op de bovengrond kon dus gescheiden worden van dat op de ondergrond.

Juridische positie van Kloosterrade inzake de mijnbouw

Bij het grondbezit van de abdij zijn twee soorten van onroerende goederen te onderscheiden:
1) Goederen, in direct bezit en beheer van de abdij.
2) De erf- en cijnsgoederen van Kloosterrade; deze goederen stonden onder het laathof van de abdij.

Vanzelfsprekend had de abdij het exploitatierecht onder de sub 1) genoemde gronden. Anders was het met de onder 2) genoemde goederen. Door erfpacht waren zij in andere handen overgegaan. Zij stonden slechts zeer los met Kloosterrade in verband, namelijk doordat zij aan het laathof van de abdij verbonden waren. Bezitters van zulke erf- en cijnsgoederen probeerden soms, - op grond van hun vrij beschikkingsrecht over de oppervlakte, - ofwel zelf onder deze gronden te ontginnen ofwel van de ondernemers de "erfpenning" te verlangen. In alle gevallen heeft de abdij ingegrepen en haar recht weten door te zetten.

Het mijnrecht sedert het einde van de 19e eeuw

Op 29 mei 1801 werd de Franse mijnwet (van 28 juli 1791) hier ingevoerd. Daarmee verviel het Algemeen Reglement voor de Mijnbouw van 1 mei 1694.
Door de ontwikkeling van de mijnbouw in Zuid-Limburg was het nodig enkele wijzigingen in de mijnwet van 21 april 1810 aan te brengen. Dit gebeurde in 1904 (wet van 27 april 1904, Stbl 73: mijnwet 1903). Deze wet trad in werking op 1 november 1906 (KB 24 sept. 1906, Stbl 249).
Bij deze wet werden regels gegeven volgens welke in afwijking van art. 5 van de wet van 1810 een concessionaris nalatig verklaard kon worden in de behoorlijke ontginning van een mijn. Hierna kon in afwijking van artikel 7 van deze wet tot openbare verkoop van de mijn worden overgegaan. Door de Staat kon dan 25% van de netto opbrengst worden ingehouden. In geval van toewijzing aan de Staat kon de concessie bij Koninklijk Besluit worden ingetrokken (art. 1-7).

  • 19 oktober 2011
  • Clara Zijlstra