Neu Prick - Bleyerheide

In de omgeving van Kerkrade worden meerdere oude mijnen genoemd, o.a. de Prickkoul, St. Nikolas, de Feldkoul, de Gouvernementsmijn van Rolduc en de mijn Nulland. De concessie voor deze laatste mijn werd op 4 fructidor an 7 (= 21 augustus 1799) aangevraagd.
In 1808 werd de aanvraag om concessie voor de mijn Nulland afgewezen. Het terrein werd met een gedeelte van de Prickkoul toegewezen aan de Gouvernementsmijnen. Uit de rest van de Prickkoul, samen met St. Nicolas en de Feldkoul, ontstond de mijn Neuprick, groot 5 ha. (Akte van concessie, februari 1808). Het was de tweede mijn in Zuid-Limburg; en de eerste partikuliere mijn. Eigenaar was de Duitse maatschappij "Pannesheider-Bergwerk-verein".
De mijn Nulland mocht doorwerken tot zij schadeloosstelling had gekregen.

In 1808 (bij keizerlijk decreet van 2 februari) werd nog een tweede mijnconcessie verleend en wel de "Bleyerheide"; groot 27 ha. De exploitatie ervan was zeker tot in 1821; daarna heeft de ontginning er circa 30 jaar gerust.

Sinds 11 juni 1846 werd de ontginning van de Neuprick gestaakt. In 1850 ontstond er onenigheid met de "Bleyerheide" over de ontginning van de laag Steinknipp. In november 1852 werd, na de nodige herstellingen in de galerijen, de ontginning hervat. Ook was men toen van plan om samen te gaan met de "Bleyerheide". Vanaf 1853 was er een regelmatige productie. Die productie was toen 1089 ton.
De schacht van deze mijn heette de Catharina-schacht (102,30 m. A.P. ).

Op 22 november 1855 verleende de minister van Binnenlandse Zaken machtiging (no.154, 6e Afdeeling Nijverheid) om de steengang op 209 el diepte in oostelijke richting voort te zetten. Die gang was verbonden met een steengang van de Duitse mijn Neu Vockart. Hierdoor stroomde het water van de Neuprick naar de Neu Vockart en werd daar opgepompt. De Catharina-schacht werd toen een luchtschacht. In de steengang werden op 5 november 1856 ijzeren hekdeuren geplaatst, om smokkelen tegen te gaan.
In 1857 werd begonnen met een andere steengang als verbinding met de Catharina-schacht. In 1858 had deze gang de schacht nog niet bereikt. In 1859 zette men de werkzaamheden met de steengang naar de Catharina-schacht voort. En in 1860 waren er herstellingen aan die schacht zelf.
Van 1861 t/m 1867 werd de productie onderbroken. Er hadden toen alleen onderhoudswerkzaamheden plaats.

Zoals boven vermeld, waren er in 1852 plannen om samen te gaan met de "Bleyerheide". In 1860 waren er onderhandelingen om de Neuprick en de "Bleyerheide" over te doen aan het "Wurm Gesellschaft". Maar pas in 1883 werden beide mijnen verenigd onder de naam Neu-Prick-Bleyerheide. De beide concessies waren samen 85 ha groot. Zij stond onder beheer van de Eschweiler Bergwerk Verein (Pannesheider Mijnenvereeniging).
In 1899 leverde zij ruim 46.000 ton kolen. De grootste productie werd bereikt in 1903. Toen passeerden 61.880 ton steenkolen de schacht. In 1904 werd nog 35.200 ton getrokken met een totale bezetting van 163 man.

In 1904 stegen de exploitatiekosten in verband met de aanhoudende watertoevloed zodanig, dat een lonende afbouw van de resterende kolenlagen niet langer mogelijk bleek. In augustus van dat jaar werd het bedrijf stopgezet en de schacht van de "Bleyerheide" werd dichtgegooid. Ook werd in 1904 de verbindingsgang met Neu- Voccart dichtgemetseld.

In 1960 werd de concessie "Neu-Prick" (toen 85 ha.) aangekocht door de Domaniale Mijn Mij. N.V. voor de prijs van ƒ 1.500.000,-- en werd door deze mijn geëxploiteerd.

Er waren zeven verdiepingen:
66 m. verdieping + 10230 m. A.P.
90 m. verd. + 78,40 m. A.P.
122 m. verd. + 46,10 m. A.P.
170 m. verd. -2,20 m. A.P.
212 m. verd. -41,40 m. A.P.
235 m. verd. -66,80 m. A.P.
270 m. verd. -98,20 m. A.P.

In de mijn Neuprick werd op circa 15 posten de kool met de hak bewerkt. Horizontale mijnbouw werd pas in de laatste jaren toegepast, nl. na het afdiepen van de schacht.
De afbouw had aanvankelijk plaats van het 200 m. niveau van waaruit het veld met dalingen, zgn. "Gesenker" werd ontsloten.

Het vervoer in die dagen geschiedde met paarden. De kolenlorries werden door paarden over de hellende steengangen naar de schacht getrokken. Bovengronds werden de kolen in 7 soorten gezeefd en vervolgens in een smalspoortrein via de huidige Pricksteenweg en de Nieuwstraat naar het station te Kohlscheid vervoerd. Die "treinen" bestonden uit anderhalve meter hoge lorries die door paarden (meestal 6 of 7) getrokken werden.
Het transport naar Kohlscheid was een monopolie-kwestie voor de drie gebroeders Leuchter te Kerkrade; zij hadden daarvoor 35 paarden op stal staan. Zij transporteerden niet alleen de kolen van de Neuprick, maar ook die van de Voccart. Voor een "Zug", meestal 15 lorries van een ton, werd hen 5 Mark betaald.
In Kohlscheid werden de kolen verladen in normale wagons en verder naar de afnemers vervoerd. De afstand naar Kohlscheid, ongeveer 7 km, werd in anderhalf uur afgelegd. De paardenstal van de familie Leuchter stond destijds aan de Nieuwstraat. Een eigen smederij zorgde voor stevig hoefbeslag. Behalve de kolen transporteerden de Gebr. Leuchter ook incidentele "vrachtjes" voor de beide mijnen, zoals ketels van ca 35.000 ton. Daarvoor moesten 20 paarden in het gareel komen.
In verband met het kleine wagenpark stond ondergronds in de Neuprick het vervoer stop wanneer 50 wagens bovengronds in het vervoer waren. Via een speciale seinpaal werd dan de Voccart gewaarschuwd om lege wagens te sturen zodat het kolenvervoer in de Neuprick weer normaal door kon gaan.

In 1902 kwam de elektrische tramlijn van Aken naar Herzogenrath in bedrijf met een zijtak naar de Neuprick. Dit betekende voor de paardentractie het einde. De kolen werden voortaan op brede platte wagens over deze tramlijn naar Kohlscheid vervoerd. De 35 paarden werden op een openbare verkoop verkocht.

De bovengronders van de Neuprick kregen dagelijks enkele "kiebels" warm eten uit het casino van Kohlscheid. Wat er overbleef, ging naar de werklieden ondergronds.

Het was verboden om ongewassen de mijn te verlaten. Op de Neuprick had men dan ook een waslokaal met 5 waskuipen: één voor de Meester-Opzichter, één voor de opzichter en drie voor de arbeiders.

Een sleper verdiende op de Neuprick een Mark per dag. Werd men op 19-jarige leeftijd "aangespannen", dan verdiende men 1,90 Mark per dag. Een houwer kon per dienst 2,80 tot 3 Mark verdienen. Wanneer men aan de directeur, een zekere mijnheer Hild, beloofde om een maand lang geen sterke drank te gebruiken, kon men op een Mark toeslag rekenen.

In 1904 "verzoop" de Neuprick. Een gedeelte van de mijnwerkers ging werken op de Voccart. Een ander deel kwam terecht op de Domaniale Mijn te Kerkrade. De gebouwen van de Neuprick werden later grotendeels afgebroken. Op de Pricksteenweg stonden in 1954 nog twee huizen waarin destijds het loonbureau en de smederij gehuisvest waren. Ook waren toen nog over twee huisjes op het Prickbos, waarin zich o.m. het kantoor van de Meester-Opzichter (Vaarstieger) bevond.

De naam Prickbos duidt nog de plaats aan waar eertijds deze mijn gelegen heeft.

  • 19 oktober 2011
  • Clara Zijlstra