Op je gezondheid

Special

Veiligheid

Mijnwerkers hadden een gevaarlijk beroep. Ondergronds zat een ongeluk in een klein hoekje. Ook stof en vocht veroorzaakten serieuze gezondheidsproblemen.

Veiligheid

Stutten en kappen

In de ondergrondse pijlers en galerijen lag het gevaar van steenval voortdurend op de loer. Daarom moesten de mijnwerkers de gangen goed stutten. Tot in de jaren 1930 deden ze dat met dennenhout. Dat moest op maat worden gezaagd en gekapt. In de tijd daarna gebruikten de mijnwerkers voornamelijk metalen stutten. Die waren er in verschillende typen en modellen. Metalen stutten konden worden hergebruikt.

Stutten en kappen

Stofmaskers

Bij de aanleg van mijngangen en de winning van steenkolen kwam veel stof vrij. Omstreeks 1930 werd steeds meer bekend over de gezondheidsrisico’s van het werken in hoge concentraties steen- en kolenstof. De mijnbedrijven stelden stofmaskers ter beschikking. In de praktijk was het gebruik niet zo eenvoudig. Mijnwerkers werkten vaak in een warme, vochtige en benauwde omgeving. Dan was het dragen van een stofmasker geen pretje.

Stofmaskers

De geneeskundige dienst

In 1918 organiseerden de Limburgse mijnen een centrale geneeskundige dienst. Die bestond uit verbandmeesters en mijnartsen, met aan het hoofd een hoofdmijnarts. Slachtoffers van een bedrijfsongeval kregen eerste medische hulp in de verbandkamer van de mijn. Als de verwonding ernstig was, ging de mijnwerker naar het Sint-Jozefziekenhuis in Heerlen, waar een speciale mijnafdeling was ingericht. Ook deed de geneeskundige dienst medische (aanstellings-) keuringen.

De geneeskundige dienst

De veiligheidslamp

Tot in de 19e eeuw gebruikten de mijnwerkers open lampen bij hun werk ondergronds. Dat was gevaarlijk, omdat het open vuur gasexplosies kon veroorzaken. In 1815 plaatste de Britse scheikundige en uitvinder Sir Humphry Davy een koperen gaas rond de open vlam. Hierdoor daalde de temperatuur die de vlam aan de omgeving af gaf. Daarmee was de veiligheidslamp uitgevonden. De lamp werd in de jaren daarna verder verbeterd. De lamp werd later vooral gebruikt bij het opsporen van mijngas. Wanneer mijngas aanwezig was, werd de vlam groter.

De veiligheidslamp

De opzichter

Een van de belangrijkste taken van de mijnopzichter was er op toe te zien dat de mijnwerkers veilig werkten. Hij controleerde onder meer of de pijlers voldoende gestut werden. Met zijn opzichtershamer beklopte hij de bovenzijde (het dak) van de ondergrondse gangen. Aan de klank van het gesteente kon hij horen of dat stabiel was of niet. De opzichter droeg ook een koperen veiligheidslamp bij zich. Daarmee kon hij vaststellen of er mijngas aanwezig was.

De opzichter

De reddingsbrigade

Ondanks alle veiligheidsmaatregelen die in het ondergrondse mijnbedrijf golden, kwamen er regelmatig ongelukken voor. Voor de redding van slachtoffers bij ernstige ongelukken had elke mijn een reddingsbrigade. Die bestond uit zeer ervaren mijnwerkers. Geregeld hield de reddingsbrigade oefeningen. De leden van de reddingsbrigade droegen een speciale uitrusting, die onder meer bestond uit apparatuur om de aanwezigheid van gas te meten, een gasmasker, een zuurstofapparaat en middelen om eerste hulp aan slachtoffers te verlenen.

De reddingsbrigade

Silicose

Silicose of stoflongen is een ongeneeslijke longaandoening, veroorzaakt door het langdurig inademen van steen- en kolenstof. In 1939 werd silicose door de Nederlandse regering officieel erkend als beroepsziekte bij mijnwerkers. Na de oorlog werden de mijnwerkers periodiek gekeurd bij het Longinstituut in Treebeek. Longproblemen werden door de mijnbedrijven echter maar al te vaak afgedaan als ‘chronische bronchitis’. Menige mijnwerker liep daardoor een uitkering voor een opgelopen beroepsziekte mis. Pas in de tweede helft van de jaren 1990 werd er een financiële genoegdoening aan silicoseslachtoffers verstrekt.

Silicose

Mijnrampen

In de Limburgse mijnen hebben zich nooit grote rampen voorgedaan, zoals in het buitenland. In het Noord-Franse Courrières kwamen in 1906 bij een gasontploffing 1099 mijnwerkers om het leven, een ramp in de mijn Anna II in Alsdorf (Duitsland) kostte in 1930 aan 271 mijnwerkers het leven, terwijl bij een brand in de mijn Le Bois du Cazier in Marcinelle (België) in 1956 262 slachtoffers te betreuren waren. De grootste mijnongelukken in Limburg vonden plaats in 1928 en 1947, beide op Staatsmijn Hendrik in Brunssum. Bij beide tragedies kwamen 13 mijnwerkers om. (bron: Bart Gielen, ‘De veiligheid’ In: Weet je nog, koempel? De mijnen in Limburg deel 4 (Zwolle 2004), p 89)

Mijnrampen

Bekijk de objecten die te maken hebben met de veiligheid van mijnwerkers.

Op je gezondheid

Op je gezondheid

Mijnwerkers hadden een gevaarlijk beroep. Ondergronds zat een ongeluk in een klein hoekje. Ook stof en vocht veroorzaakten serieuze gezondheidsproblemen.

  • 15 maart 2013
  • betawerkroot

Bekijk ook...

Kijkje in het depot

Kijkje in het depot

  • agenda
  • 14 oktober 2018
Opstandige mijnwerkers

Opstandige mijnwerkers

  • agenda
  • 23 oktober 2018
Opstandige mijnwerkers

Opstandige mijnwerkers

  • nieuws
  • 23 oktober 2018